Haar lerares was Veleda, de grote priesteres die leiding gaf aan de Germaanse stammen die Julius Civilus steunden in de opstand tegen de Romeinen. Veleda had haar ontboden nadat ze een  paar keer van tevoren geweten had wat het geslacht van een boreling zou zijn. Haar gave was een geschenk van de goden, zo had Veleda haar geleerd. Ze zou die gave moeten ontwikkelen en bereid zijn haar volk daarmee te dienen. Nadat de steden verslagen waren en Veleda als slavin naar Rome vervoerd werd, had ze zich teruggetrokken in de wouden. De rol van een priesteres zou vooral in het verborgene tot uiting kunnen komen, omdat de Romeinen niet toestonden dat opnieuw een vrouw zoveel invloed zou krijgen als Veleda. Als zo’n vrouw weer de overwinning op de Romeinen voorspellen zou, zouden de gevolgen verschrikkelijk kunnen zijn. De mensen wisten haar echter te vinden. Vragen over oogst en kroost, vee en ruzies, grenzen en bezit, de bereikten haar en ze deed er uitspraken over die de vragenstellers als leidraad dienden.

Zo werd ze oud met haar gave en met haar bestaan als priesteres. In de dagen van haar ouderdom was een jonge vrouw bij haar gekomen. Ze leerde haar alles wat ze wist, voordat ze – helaas is haar eigen naam niet overgeleverd – haar ogen sloot en ze te ruste werd gelegd. Overigens werden door de stammen in de omgeving van het oorspronkelijke stamgebied, waar de opvolgster van Veleda weer was gaan wonen, alle vrouwen in de opvolgende lijn ‘Dochters van Veleda’ genoemd. De Velediaanse vrouwen vermengde men ook wel met de voorstellingen van de godinnen, drie bij elkaar, zoals hier en daar beelden ervan stonden opgesteld. Levende getuigen en stemmen van de godinnen op afstand.

Als je dan Eber heet, en je bent gewend te leven met de Vrouwe van het Ven, dan kan een gesprek met de stem van een vrouwelijke geest je helpen, als je in grote twijfel staat wat te doen. Jarenlang voelde hij zich geestelijk dood. Terneergeslagen door het verraad na de slag om de ruige hoogte, in slavernij weggevoerd, dan als weer wakker geworden opnieuw vol zin om in vrijheid terug te keren naar het noordelijke nieuwe gebied, waar de bannelingen van de Tencteri hun plaats hebben gevonden, en dan ineens in het oude moedergebied geconfronteerd worden met twee zonen.

“Moet ik gaan, of moet ik blijven? Wat is wijs, wat vraagt God van me?” Een dame van zijn leeftijd kijkt hem eens aan. Ze heeft naar zijn levensverhaal-in-het-kort geluisterd. “Waarom vraag je het aan mij? Waarom vraag je het niet aan een christelijke prediker?” “Als er een God is, dan is er maar één God, en als jij contact hebt met God, dan kan dat alleen met die Ene zijn, want een andere is er niet. En als er geen prediker in de buurt is, vraag ik jou wat God nu eigenlijk met me voor heeft. Wanneer is mijn leven nu eindelijk toe aan een rustperiode? Iedere keer weer wordt alles verstoord wat ik heb!” “Wat zegt God jou, en niet wat zegt God mij, dat is het enige juiste wat jij als antwoord kunt krijgen”, zegt de Velediaanse priesteres. “Als er één God is, en die heeft ons gemaakt, dan hoef jij niet naar een ander te gaan voor je antwoorden, want Hij of Zij zal het aan jezelf laten zien. Zoek de stilte, luister naar de stem binnenin je, laat die niet overschreeuwen, en ga dan terug naar de beide zonen die bij Aldrik wonen.” “Hoe weet ik dat de stem niet de stem van het kwaad is?” “Als je liefde en rust in je voelt, dan kan dat nooit van iets verkeerds komen………” Zo ongeveer, zo spreken ze.

En dan, als een veenbrand, als een inval van 100 vijandelijke stammen, als een explisie van de krater van een vulkaan, die Eber ooit vanop afstand heeft gezien, met zoveel kracht komt daar ie ene naam naar voren. “Herinner je je Wolte nog?” De priesteres lijkt hem te kennen. “Ik woon hier ogenschijnlijk alleen, maar mijn grote vriend is Wolte. Hij verwachtte al dat je hier in de buurt zo komen. Hij hoopt je nog te zien.” “Is Wolte hier?”, vraagt Eber. “Hij was hier en is nu weer op missie, ik weet ook lang niet alles. Het gaat goed met hem. Jullie levens zijn gescheiden door omstandigheden. Als het zo moet zijn, komen jullie wel weer bij elkaar. En anders rest ons loslaten. Jij hebt jouw leven, hij de zijne, wat er ook samen is geweest.” Er valt een stilte na deze woorden. Eber kan er weinig tegen inbrengen. Er zijn zoveel lijnen in zijn leven waar hij geen greep op heeft. Zoek de silte, luister naar de stem binnenin je, laat die nie toverschreeuwen. Dat was er óók gezegd. En als het zo zou zijn, dan zou het zo zijn, dan zou hij Wolte nog spreken.

Ze eten samen, ze drinken samen, Eber en de Velediaanse priesteres. Eber heeft wat meegenomen, en hij laat een mooi stuk gerookt vlees bij haar achter. Er wordt weinig meer gezegd. De stilte komt schreeuwend op hen af, als de vogels van het bos hun stemmen niet meer opmerken, ze weer hun eigen gang gaan; als de vossen, de eekhoorns, de everzwijnen, de herten, de in de beek plonsende vissen, de kikkers en al het andere gedierte hun eigen weg vinden. Dan vertrekt Eber. Hij dankt de Velediaanse vrouw en het afscheid verloopt net zo zwijgend als de rest van de dag. Tot hij stapvoets met zijn paard zich van haar verwijdert. “Waarom zou jij hier blijven, Eber? Jouw wijsheid is daar nodig, in het noorden. Ga naar Aldrik en zie je weg bevestigd!” Eber kijkt nog even om. Hij lacht naar haar, zwaait nog een keer, roept “Groet Wolte van me!”, en rijdt dan uit zicht.

Als Eber het dorp van Kromme Aldrik nadert, ziet hij zijn zoon Julius bezig op de oever van de Rijn, met een lang, breed en plat Romeins schip. Een handelsschip, dat voor een belangrijk deel op de stroming van de rivier afzakt naar het noorden, beladen met ruilhandel, en noordelijk de spullen omwisselt voor koeiehuiden, barnsteen, slaven en ander gerief. De terugweg is lastig, want je moet geluk hebben met de wind, als je wilt zeilen, en geluk hebben met de rivier, als je tegen de stroom in moet bomen. “Ga je met een bootje spelen, Lucius?”, zegt Eber wat plagerig, als hij zijn zoon wat wijfelend de schuit ziet inspecteren. “De oude bak van Kromme Aldrik! Die heeft hij mij gegeven, net voordat hij stierf.” Met die woorden zegt hij meteen wat Eber nog niet weet, Aldrik is overleden. “Wat ga je ermee doen?”, vraagt Eber. “Ik kan er jou mee naar huis brengen. Aldrik zei: Eber moet niet in gewetensproblemen komen. Zijn leven, de jaren die hij nog heeft, daar heeft hij voor gevochten, en dat ligt in het noorden. Breng hem thuis, vul de lading mooi aan met wat sterk gezond vee, daar kunnen ze plezier aan hebben in het noorden, en kom dan terug om jouw plaats in jouw dorp in te nemen, Lucius, dat zei Aldrik.” Eber had het antwoord wat de dochter van Veleda hem had voorspeld.

In de woning van Kromme Aldrik vindt hij de oude man opgebaard op het stro. Negia heeft voor het eerst haar helm afgezet, waar anderen bij zijn. Hier kent men haar niet, hoeft ze niet de onoverwinnelijke vechter te zijn, mag ze weer de dochter van een stamhoofd zijn. Ze kleed zich in kledij die ze heeft geleend van Aldriks kleindochter, de vrouw van Lucius. De kleine Julius speelt met een jongeman…. waarin de jonge Eber herkenbaar is. “We hebben op je gewacht, vader!”, zegt Jonge Garm. Eber valt van de ene verbazing in de andere. Hilde leeft, Hilde leeft, Hilde leeft! Hij kan het wel uitschreeuwen. Hij heeft een zoon Jonge Garm, hij heeft hier in de woning van Kromme Aldrik drie zonen van drie moeders bij elkaar zitten. En Witte Maante, de neef en kameraad van Jonge Garm, wat een man is dat, net als zijn zoon Jonge Garm. Eber kan trots zijn op zijn familie. En wordt razend kwaad als hij hoort wat voor streek de vrouw van Gungerius heeft geleverd. Eber zogenaamd geruild voor de slaaf Gert van Taarlo, terwijl Eber al vrij was en vertrokken was.

Enkele dagen later wordt Kromme Aldrik begraven. Dat is lang geleden dat Eber een begrafenis in deze vorm heeft meegemaakt. Kromme Aldrik was ooit christen geworden. Er komen zoveel herinneringen bij Eber naar boven, aan de evangelist die hij zelf ooit had gekend, aan de mensen van de christelijke gemeente waar hij ooit bij was. Er wordt gesproken door een prediker, die herinneringen aan hem naar boven haalt aan de vele verhalen die hij al heeft gehoord. De man woont in Aldriks dorp. Eber mijdt hem verder. Er groeit wat in hem, wat niet te verwarren is met de prediking van naastenliefde en genade, die de oude prediker uitdraagt.

Vorig artikelVormen en functies van megalithische graven in Sleeswijk-Holstein
Volgend artikelWandelroute: Hijken – Hijkerveld

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.