Eber, de stalknecht, kon nooit een beroep doen op de familiebetrekkingen. Als eerloze slaaf, hadden ze hem niet aanvaard. Bloedbanden zijn mooi, maar alleen als een mens zich er niet voor hoeft te schamen. Eber, de held van de arena van Bonna, de letterlijk vrij gevochten slaaf, met als teken een houten erezwaard, gegeven door de magistraat van Bonna, die Eber is welkom, daar twijfelt hij niet aan. Maar bij wie? Zal Kromme Aldrik nog leven? Eigenlijk is dat zijn enige hoop. Misschien dat een zoon van Kromme Aldrik hem nog kan herinneren. Misschien is dat ook een kans. De weg vinden naar het dorp van de Kromme Aldrik is een kunststuk op zich. Eber moet zich daarbij richten op herinneringen van zo’n 20 jaar geleden. Aldrik had in zijn jonge jaren een groeiprobleem gehad, vandaar dat hij krom werd. Hoeveel kinderen werden daarom niet uitgestoten? Maar deze kleine kromme jongen liet zich niet uitstoten. Hij vocht als de beste. Het werd van een scheldnaam een erenaam. Iedereen kende Kromme Aldrik, in het stamland van de Tencteri. Ooit. En Eber kende hem van Aldriks bezoek aan het noorden, voor de handel. Toen al kwam de uitnodiging: als je ooit het land wilt zien waar je familie vandaan komt? Vraag naar Kromme Aldrik, en je bent welkom. Aldrik had gelijk. Zijn verhaal is zo bekend, dat ook op zijn oude dag de mensen hem nog kennen. Want hij leeft nog. Gelukkig. Maar Julius is niet gelukkig.

De kleine Julius realiseert zich al snel dat hij niet weer terug zal gaan naar zijn verzorgster. Het kind is ontroostbaar. Het valt huilend in slaap, zittend bij zijn vader Eber voorop hun paard, slapend in de armen van Eber. Zo sjokt het paard verder, met de twee in elkaar versmolten mensen op zijn rug. Richting Kromme Aldrik. Met het vooruitzicht van een nieuwe verzorgster is de dag erna enige acceptatie bij Julius bespeurbaar, maar hij blijft zich ongelukkig voelen. Eber weet eigenlijk nog niet of hij zijn belofte waar kan maken. De mondvoorraad uit de woning van de voormalige meesteres raakt al snel op. Tegen de tijd dat het laatste stuk gedroogd vlees opgegeten is, is ook het dorp van de Kromme Aldrik in zicht. Het dorp stroomt uit als de vreemdeling met Romeinse wapens en de Romeinse mantel over de schouders op hen af komt rijden. Niemand herkent hem. Er is dit keer geen Kromme Aldrik die hem voor zijn woning komt begroeten. Als Eber afgestegen is en naar hem vraagt, verwijst men hem naar een oude woning. Daar vindt hij een uitgeteerde oude man op zijn ziekbed, dat waarschijnlijk zijn sterfbed zal worden. Eber vraagt of hij hem nog herkent. Er komt geen reactie. Kromme Aldrik woont in huis bij een dochter. Deze weet zich nog te herinneren dat er vroeger drie gasten uit het noorden geweest zijn. Was hij één van hen? Als familielid kan hij die nacht gerust blijven maar ze hebben het niet breed. De dag erna zal hij ergens anders onderdak moeten gaan zoeken. Ze staat erop dat hij die dag blijft. Ze staat erop dat hij zijn mantel opzij legt. Ze staart dan met grote schrik naar het brandmerk op zijn schouder.

Op dat moment stapt een jongeman binnen. Het is een aangetrouwde kleinzoon van de Kromme Aldrik. Eber kijkt hem aan en staart in het gezicht van zijn jeugd. Zo zag hij er in zijn jonge jaren uit. De jonge man is rustig. Hij lijkt niet onder de indruk te zijn van Ebers aanwezigheid. “De mensen buiten vertelden van een onbekende gast, die vroeg naar de Kromme Aldrik. Aldrik was ooit bij hem geweest, ver weg in het noorden, wist een enkeling te herinneren. Een stamlid van de weggetrokken stamleden.” Eber wil wat zeggen, maar kan de woorden niet vinden. “Hoe heet je”, vraagt Eber. “Lucius”, is het antwoord. Eber krijgt de koude rillingen. Hij schokt over zijn hele lijf. “Wie zijn je vader en je moeder?” Het antwoord confronteert Eber met die gelukkige tijd, die zo slecht afliep. “Mijn vader was een Romeinse soldaat uit de stam van de Tencteri. Mijn vader kwam uit het noorden.” De jongeman zwijgt dan. Hij kijkt diep in Ebers ogen. Hij lijkt ook herkenning te zien. Dan zegt hij, spelt hij bijna….. “Mijn… moeder….. heette Lucia….. en ze stierf…. nadat ik….. was…. Geboren. Mijn vader gaf me….aan een min…. Omdat hij niet voor me kon zorgen. Toen verdween mijn vader…. Naar het noorden….De min voedde mij op…..  Ze noemde me Lucius, naar mijn moeder…….Ze vertelde mij van de stam van mijn vader….. Tencteri…. Toen ze stierf….. heb ik me daar gemeld. Mijn vader….. heette ….. Eber!”

Eber gaat staan. Lucius gaat staan. Ze zwijgen. Dan drukt Eber deze grote man als een kind tegen zijn borst. Die kleine baby, die hij moest missen, de herinneringen aan die lieve mooie Lucia, met wie hij zo gelukkig was, alles gaat weer door hem heen. Alsof er niet later nog zoveel andere liefde en aanhankelijkheid is geweest. Alsof de tijd heeft stil gestaan. Vader en zoon, elkaar nooit echt gekend, verbonden door…. Ja, wat eigenlijk. Het maakt hen niet uit. Beiden verlangden ernaar de ander te ontmoeten, al leek dat nooit een werkelijk gegeven te zullen worden, doordat ze te weinig van elkaar wisten.

Nadat Lucius zijn weg en zijn werk gevonden had in het dorp van Kromme Aldrik, kwam Aldriks kleindochter op zijn weg. Een jonge meid nog, Gisele heette ze, jong maar sterk en slim. Een beetje spelen met haar deed hem geen goed. Ze haakte hem pootje, draaide zijn arm op de rug en ging boven op hem zitten. “Als jij wat wilt, jochie, dan moet je wel wat meer eerbied voor me hebben!” Vanaf dat moment was hij smoorverliefd op haar geweest. Uiteindelijk zei ook op hem. Julius, Ebers jongste zoon, heeft haar liefde ook al gevonden. Hij mist zijn verzorgster niet meer. Hij lijkt in Gisele een nieuwe moeder gevonden te hebben.

Het maakt alles voor Eber alleen maar moeilijker, beseft hij in de dagen erna. Hij wilde terug naar huis, naar het noorden. Maar een deel van zijn thuis is hier, bij de oude dorpen van de stam, aan de zuidelijke Rijn. Bij zijn twee zonen. Gaat hij naar het noorden, dan verliest hij Lucius, die hij nog maar net terug heeft gevonden. Lucius is de beoogde opvolger als dorpshoofd in de stam van Kromme Aldrik. En wat doet hij Julius aan, als hij die weg haalt van Gisele? Het kind is al na een paar dagen alle voorgaande ellende vergeten. Kan hij niet gewoon hier blijven? Hij is nu toch vrij om te gaan en te staan waar hij wil, en hij wordt er zelf ook niet jonger op. Hier moet ook genoeg boerenwerk te doen zijn, hij zal zijn plek wel vinden. Maar hij wilde nu juist terug naar het noorden, dat was het verlangen dat na jarenlange slavernij weer was opgevlamd. Terug naar je oude thuis. Je kunt iemand slaaf maken, maar je dood daarmee niet de vrije mens in die slaaf. Het vuur is weer gaan branden.

Vorig artikelArmenia – under the spell of Mt Ararat
Volgend artikelFietsroute Borger – Hondsrug en ijstijden

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.