OVER DE RIJN – Hoofdstuk 28

0
358

De overdonderende schoonheid van de oevers van de Rijn, maken hem stil, als Eber aan boord van de rijnaak van Lucius de landschappen aan hem voorbij ziet glijden. Woeste wouden, hoge bergen, brede watervlakten, rotsen, dorpen in de schaduw van woud en berg, het betovert en maakt stil. Het schip lijkt zijn eigen gang te gaan, op de stromende kracht van het water. Het heeft de mens niet altijd nodig. Dan kun je blijven kijken. Het schip is ongeveer 26 liggende mannen lang, en twee mannen breed. Ergens voorop is een mast en een zeil. Je kunt zo de wind gebruiken, of een touw aan de mast bevestigen en hem vanaf de over trekken. Achterop is een roeispaan, in gebruik als roer. Eber zit op een bank, met naast hem een opgerold dun kleed, dat soms voor de zon aan vier palen boven hem en andere mensen wordt gespannen.

Zijn ogen glijden langs de mensen aan boord. Negus is weer Negia. Ze vermaakt zich kostelijk met zijn zoon Jonge Garm. Ze is een flink stuk ouder dan die jongen, maar toch. Hij haalt het meisje weer in haar boven, dat niet groot mocht worden, omdat ze moest vechten, en in de arena’s een man moest zijn. Dat meisje, diep in haar, is niet ouder dan Jonge Garm. Tegelijkertijd is ze ook de gladiatrix niet vergeten. En anders zorgt Jonge Garm daar wel voor. Hij daagt haar uit, en samen trainen ze vechttechnieken. Mooi om te zien. En het geeft ook zijn twijfels. Laat die jongen alsjeblieft de kop niet gek krijgen. Er ligt in het noorden een heel leven voor hem, en als hij ooit kiest voor de strijd, zoals Eber ooit moest doen, dan zal bij de Romeinen zijn leven kapot gemaakt worden, als het een beetje tegenzit.

Lucius had bij Kromme Aldrik al ervaring opgedaan op het schip. Hij weet wat er moet gebeuren. Hij commandeert de manschappen als een volleerd schipper. Een dorpsgenoot en twee onvrijen heeft hij meegenomen. Ze zullen op de terugweg moeten duwen, stroomopwaarts, als de wind tegen zit. Nu kan alles in een rustig tempo. Nu sparen ze hun spieren. De stroming van de Rijn doet genoeg en werkt hen snel genoeg naar het noorden. Het schip heeft niet veel diepgang. Ondanks dat het water gedaald is, in deze zomerperiode, lopen ze niet gauw vast, want dan zouden ze dieper moeten steken. Rotsblokken staan gemarkeerd met palen. De mensen op en rond de Rijn kennen het belang van goede doorvaart.

Wat Eber niet lekker zit, dat is de laatste handel die nog aan boord werd gebracht. Slaven. Want dat is dus wat Lucius van de hand wil doen bij de Romeinen. De Tencteri in het zuiden aan de Rijn handelen weer met andere stammen, en slaven komen uit diverse gebieden en van diverse stammen hun kant op. Jonge mannen, jonge vrouwen, enkelen zijn nog kinderen, die brengen goed zilver en goud op, die zijn te verruilen voor wat de Tenceri in Lucius’ dorp nodig heeft. Want hij handelt niet voor zichzelf. Hij is hier voor zijn dorp. De één bewerkt de akkers, de ander hoedt de koeien, de derde gaat de fuiken en de vallen bij langs, de volgende trekt er op uit, op zoek naar slaven, en dan is er ook de handelaar. Dat is Lucius, met nog wat mannen, ieder gericht op zijn eigen gebied. Maar slaven…..

Eber overdenkt al die jaren na de slag om de ruige hoogte, waarin hij zelf als slaaf heeft moeten leven. Was het een slechte tijd? Hij had het niet slecht, voor een opgesloten vogel. Maar was wel gebonden. Hij had het ook niet goed. Dit leven gun je mensen niet. En dan het leven van de onvrijen? De mensen in zijn eigen dorp, ver naar het noorden? Is dat veel beter? Wat anders is, is dat je daar als vrijen toch binding mee kreeg. Nooit mochten ze gaan en staan waar ze wilden. Maar ze hoorden bij je familie, bij je boerderij. Als onvrijen. Dan denkt Eber nog eens weer aan de spelletjes die de vrouw van zijn eigenaar, Gungirius, met hem speelde. Was het echt anders? Mag je een mens wel binden, al is het ook met onzichtbare banden? Hij denkt nog eens terug aan wat hij besproken heeft met de prediker. Eén van de dingen was die boodschap, die Paulus, een prediker van vele jaren daar nog weer voor, meegaf met een ontvluchte slaaf. Doe met hem zoals je met mij zou doen, stond er op een briefje, dat de slaaf aan zijn meester moest geven. Paulus was een vriend van de meester. Paulus zei dus gewoon: wordt zijn vriend. En dan laat je hem natuurlijk ook vrij, je maakt je vriend niet tot slaaf. En dus ook niet tot onvrije.

Maar hoe vrij of onvrij is een mens eigenlijk. Kan Lucius anders dan hij nu doet? Hij is als leider van het dorp gebonden aan oude gewoonten, rechten en plichten. En hoe vrij is hijzelf eigenlijk, Eber, de zoon van Grijze Garm, de zoon van …… hoe noemen ze hem ook al weer, er wordt zoveel van hem gezegd, daar in het noorden. Als hij teruggaat, moet hij dan weer alles op zich nemen wat de gewoonten, rechten en plichten daar van hem vragen? Wordt er nog wel wat van hem gevraagd? Is er niemand anders, die alle taken al heeft, en die hij dus weer in de weg zal staan, net zoals bij zijn eerste thuiskomst, na zijn jaren als Auxillairy in het Romeinse leger?

Jonge Garm daagt zijn vader uit tot een potje van een leuk spel, dat hij inmiddels van de Romeinen heeft geleerd. Eber speelde het zelf ook volop, toen hij nog in dienst was. Drie steentjes op een rij, en je hebt gewonnen. Zo moeilijk is het niet, maar juist daarom is het een uitdaging, want het gaat er eigenlijk om wie het eerst een foutje maakt. Het werd in het leger gespeeld met soldij en goederen als inzet. Sommigen gingen er helemaal aan kapot. Zo’n eenvoudig spel, zou je zeggen, maar zo genieperig, dat je er altijd weer instonk, als je het niet door had. Over stinken: hier spelen ze om de kop van Gert. Gerts hoofd gaat mee naar het noorden. Het zal op een paal bij het veen worden gezet, als afschrikwekkend voorbeeld, voor iedereen die zijn stam denkt te kunnen verraden. De kop in de zak verspreid steeds meer slechte geur en wordt zo nu en dan met zak en al gedroogd boven het vuur, in de rook en hoog boven de vlammen. Dan houdt het weer even op. Wie verliest, moet voor Gert zorgen, zo gaat het, en Gert gaat van hand tot hand. Lucius pakt en mes en snijdt de lange haardos met een stuk hoofdhuid van Gerts schedel. Die wordt apart gedroogd. “Hang hem aan je riem”, zegt Lucius tegen zijn vader. “Laat volgens oud gebruik zien wat jij met je vijanden doet en men zal je met rust laten”. De tijd wordt gedood, opdat de mensen levend en wel en uitgerust voorbereid zijn op de eindtocht.

Zo dobbert de rijnaak verder. Hier en daar zijn strandjes aan de kant van de rivier. De dieren worden een dag uit de aak gezet. Kunnen ze wat voer bij elkaar struinen en kunnen ze de benen bewegen, net als de mensen. Hier en daar zijn kanalen gegraven, tussen grotere rivieren. Er is een verbinding in de buurt van Heliste (=Elst) naar een noordelijker gelegen rivier. Lucius brengt zijn vader en de anderen tot buiten de Romeinse Limes. Voor de handel, ach, dan doe je wat. Daar, ergens, in een gebied dat geen naam heeft, of waarvan dat hen onbekend was, omdat het gewoon een van de zoveelste dorpen was, daar zijn ze aan land gegaan. Eber, Negia, Jonge Garm en de rest. Bepakt en bezakt met de paarden en een paar flinke toekomstige fokstieren (jongvee, want de oudere zijn te dwars in de kop om ver mee te reizen) vervolgen ze hun tocht naar het noorden. Toch jammer dat hij Wolte niet meer heeft gezien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.