De andere morgen staat er een krijger in de woning. Een oude maar krachtige strijder van de Auxillairy, de Romeinse hulptroepen. “Ik zoek twee vrijwilligers”, zegt Eber, als de anderen één voor één wakker worden om wat te eten. “Wat kan ik voor je doen, vader?”, vraagt Lucius. “Kun je vechten? Ik weet niet wat er gaat gebeuren, maar ik ga er niet alleen op af.” “Waar op af?”, vraagt Jonge Garm. “Bij Gungerius, aan de andere kant van de Rijn, zit een verrader van zijn leven te genieten. En die Gert van Taarlo is geruild voor mij, terwijl ik al lang vrij was. Er zijn daar nog een paar verraders. Ik wil hen ter verantwoording roepen, en ik heb geen idee hoe dat afloopt. Maar het zal gebeuren. Zo kan ik niet naar huis!” Lucius meldt zich, Jonge Garm meldt zich, Witte Maante meldt zich, en voor iemand het in de gaten heeft staat Negus ook voor Eber, in volle wapenrusting. “Jij gaat toch niet zonder mij leuke dingen doen, maatje?” Eber legt zijn hand op zijn schouder. Haar schouder. “Dit is mijn oorlog, niet jouw oorlog, Negia.” “Jouw oorlog is mijn oorlog, Eberius, want zo heette je toch?”

Het is een paar dagen rijden en via een boot de rivier over, voor ze bij de villa van Gungerius zijn aangekomen. De akkers staan er mooi bij. De wijndruiven zijn rijp. Het gaat er goed. Met iedereen. Ebers komst wordt aangekondigd door enkele slaven, die hem herkennen als hij aan komt rijden. “Eber is terug! Eber is terug!” Gungerius loopt hem wat onwennig tegemoet. “Wat kan ik voor je doen, Eber?” “Waar is je vrouw Gungerius?” “Als jij zaken wilt doen, dan moet je dat met mij doen, Eber”, zegt Gungerius, die al aanvoelt wat er komen gaat. “Is jouw bekend dat jouw vrouw mij heeft verkocht aan mijn eigen zoon, terwijl ik al lang vrij was? Is jouw bekend dat dit een ernstig misdrijf is, een vrij man verkopen als een slaaf? En waar is de prijs? Waar is de slaaf die hier achterbleef?”

Even later staat Gert van Taarlo voor Eber. Wat zijn ze beiden oud geworden, al lijken ze nog sterk en gezond als jonge kerels. Hun beider haren zijn wit, maar ze hebben nog hun tanden, en ogen gezond. “Eber….”, stamelt Gert. “Geen woord, geen woord wil ik van je horen. Je bent al veroordeeld in het noorden, ik hoef hier en nu en nooit weer wat van je te horen. Is dit de prijs die voor mij is betaald?” Bij de laatste woorden kijkt hij Gungerius aan. Die knikt. “Dan is hij ten onrechte hier bij jullie aan het werk geweest. Hij was onze slaaf en hij is nog en weer onze slaaf. Ik eis betaling voor alle dagen dat hij voor jullie gewerkt heeft, en ik neem hem mee.” Gungerius loopt even weg en komt terug met een zilveren muntje voor iedere dag dat Gert voor hem heeft gewerkt. “Mag ik weer naar huis?”, vraagt Gert dan stomverbaasd. “Ja en nee”, zegt Eber. “Wat bedoel je?” “Je denkt toch niet dat ik jouw wil voeden, dat ik wekenlang op je wil passen, en je denkt toch niet dat jij je straf kunt ontlopen?” “Maar ik ben toch al gestraft?” “Je bent schuldig bevonden, en ik bepaal wat je straf is, als de lafbekken thuis dat niet durven.”

Bij de laatste woorden trekt Eber zijn spatha. Hij haalt uit en met een vloeiende beweging en een welgemikte slag, onthoofd hij Gert van Taarlo in één keer, zodat het bloed uit zijn hals omhoog spuit, en zijn lichaam levenloos door de knieën zakt. Zijn hoofd valt voor de voeten van Gungerius. “Stop zijn kop in een leren zak en hang hem aan mijn paard!”, barst Eber. “Ik wil die kop nooit weer zien, maar zal thuis aantonen dat er wat volbracht is. De slag om de ruige hoogte is achter de rug en de verrader is gestraft. Het hoofd van Gert van Taarlo wordt ingezouden en dan in een leren zak gestopt. Het zal lang genoeg herkenbaar zijn om thuis afgeleverd te worden. Thuis, in het noorden, ver weg. De slaven van Gungerius dragen zijn lichaam uit huis. Ze zullen het begraven zoals ze gewoon zijn. Een graf dat al na enige jaren onherkenbaar is. Gert zal krijgen wat hij voor Eber verdiend heeft: totale onwetendheid van zijn bestaan.

Eber is ook nog niet klaar met Gungerius. “Ik heb je genadig behandeld, maar ben door je vrouw en jou wel even minstens 15 jaar lang als slaaf behandeld. Het wordt tijd dat je mij die jaren vergoed.” Onder bedreiging van hun wapens dwingen Eber en zijn familie de Romein zijn kostbaarheden in te leveren. Het wordt een ordinaire roof, Eber weet het, maar zijn bloed kookt. Alle boosheid komt eruit, over al die jaren van zijn leven die hij met zijn familie had kunnen delen. Het is enkel zilver en goud, dat ze meenemen, en nog wat kostbare stenen. Dat kunnen ze vervoeren. Het zal gebruikt worden om inkopen te doen, voor als ze weer naar huis gaan, naar het noorden.

Gungerius heeft bij Ebers komst mensen uit de buurt geallarmeerd, die op hun beurt enkele bewapende mannen op de been hebben gebracht. Ze staan voor de uitgang van de villa, als hij en zijn mensen weg willen rijden. “Waar ga je heen?”, wordt er gevraagd. “Dwars door jullie heen, en de rest gaat jullie niet aan.” Eber trekt zin nog bloederige spatha weer, de anderen van zijn gezelschap volgen. “Wie biedt zijn kop als eerste aan?” Niemand reageert. “Dus ik mag kiezen wie ik als eerste pak?” Dan gaan ze aan de kant. Ebers missie zit erop. Een paar dagen later zijn ze weer bij het dorp van de overleden Kromme Aldrik. Het dorp waar vanaf dan Lucius de stamoudste is.

“Nu kan ik met je praten”, zegt Eber, als hij in Aldriks dorp de woning van de prediker opzoekt. Het wordt een lang gesprek, waarin Eber al zijn kennis opfrist. Wat had hij vroeger ook al weer gehoord, was dat wel zo, of herinnerde hij het zich niet goed? Wat werd er ook al weer mee bedoeld. Hoe kan ik mijn leven oppakken? Terug naar huis, en dan? Ik ben al een keer teruggekeerd naar een ‘thuis’ dat niet op mij zat te wachten. Hoe zal het dit keer zijn? De prediker is vol begrip, maar ook volkomen helder. Als Eber wat wil, en hij wil een nieuwe weg inslaan met zijn oude kennis, uit de dagen dat hij zich had laten dopen, dan zal hij ook keuzes moeten maken. De eerste valt hem al tegen.

Terug in de woning van Aldrik, nu dus van diens kleindochter en Ebers zoon Julius, vertelt hij bij het vuur over zijn jaren bij Gungerius, over zijn liefde voor de moeder van zijn zoontje Julius, en zijn twijfel over wat hij moet zeggen tegen Hilde, zijn grote liefde in het noorden. Hij was onwetend van haar leven, hij dacht dat ze dood was, daarom hield hij van die andere vrouw, maar nu hij weet dat ze al die tijd heeft geleefd, is de twijfel de baas over hem. Hij had sterker moeten zijn, vindt hij zelf. Zo ook in zijn keuzes in het leven. Dan draait hij zijn hoofd naar Negus, oftewel Negia. “Jij bent vrij, Negia, jij kunt gaan en staan waar je wilt. Ik ben niet je baas, in ben niet je eigenaar. Jij mag naar huis.” “Wat verbeeld jij je wel”, zegt Negia, “dat jij mijn eigenaar en mijn baas zou zijn? Ik ben hier alleen omdat ik daar voor kies. Ik kan niet weer naar huis. Ik zoek een nieuw huis. Ik ga met je mee naar het noorden. Hier ben ik weer een slaaf, zo gauw ik in handen van Romeinen val, daar kan ik een vrij bestaan opbouwen. Ver van de Romeinse regels. Jouw oorlog is mijn oorlog, jouw vrede is mijn vrede.” Negia heeft gesproken.

De dag erop wordt gevuld met het inladen van de Romeinse schuit, Aldriks erfenis voor Lucius. De handel van Lucius gaat aan boord, de paarden van Eber, Negus, Jonge Garm en Witte Maante gaan aan boord, en de beste fokhengsten die ze konden kopen gaan aan boord. Wel wat weinig spul, denkt Eber, als hij zo langs Lucius’ handelswaar kijkt. Wat wil hij daar nou mee? Zijn eigen waren zijn ook nog niet alles. Verderop naar het noorden zal er vee worden gekocht, waar de sterkste rassen te vinden zijn, en niet te ver van waar het schip zal afmeren, om uit te laden. Dan zullen ze te paard verder gaan. Ver, ver in het noorden.

Vorig artikelBibliotheek van het Hunebedcentrum van Borger
Volgend artikelLaatste seizoens-aflevering met Fré Adolfs – podcast

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.