THUIS – Hoofdstuk 29

0
314

De onbeschrijfelijke schoonheid van het moeraslandschap is zo veranderlijk als de mens zelf. De seizoenen kleuren de bomen en planten steeds weer met andere tinten. Wat vandaag een heideveldje op een zandkop is, is morgen over een jaar een veldje jonge berken. Overmorgen over tien jaar is het een kreupelbosje. Als de wind toeslaat met zijn vernietigende kracht, of de bliksem slaat in en doet een veenbrand ontstaan, is de vlakte weer even kaal als in het begin. De heide neemt al snel de zwarte vlakte over. De moerassen geven zich in droge jaren over aan planten, ja zelfs boompjes, die weer afsterven als in natte jaren de harde bovenlaag weer in een spons verandert. Er ontstaan meren, waar daarvoor een bente-landschap op de herfstwinden lag te wachten. De mens groeit mee met de veranderende moerassen. Iedere keer weer leert hij dezelfde plaatsen anders kennen. Hij oriënteert zich op vaste punten, als een grote grove den of een zandkop met een wat hoger gedeelte dan de andere. Hij zoekt, vindt en onderhoudt de paden door de moerassen. Soms moet hij ze zelf creëren, als het veen tussen de steviger delen te week is om een mens te dragen. De bewoners van deze streken hebben daar vele oplossingen voor bedacht. In het ene gebied gooit men simpelweg  kale boomstammen naast elkaar in het veen. Op andere plaatsen legt hij planken achter elkaar, met pinnen aan elkaar bevestigd, soms zelfs voorzien van een soort leuning. Eén van die veenwegen kronkelt van zandkop naar zandkop langs de ruige hoogte. Na jaren weggeweest te zijn, zoekt Eber er naar herkenningspunten. Hij vindt ze, evenals enkele nieuwe objecten. Hij zoekt zijn verleden, zichzelf, zijn toekomst en de weg naar huis.

De zon staat al laag als de voeten van vermoeide reizigers het pad betreden dat noordwaarts door de oude venen leidt. De vertrouwde geur van rottende plantendelen hebben ze al lang niet meer in hun neus gehad. De doorwaadbare plaats in de Reest hebben ze al weer achter zich. Het is nu een kwestie van nog slechts even doorbijten, dan zullen ze voor het donker thuis zijn. Thuis. Wat was dat lang geleden. De mensen sjokken tussen de beladen paarden, het jongvee wordt ook als lastdier ingezet, om de paarden niet teveel te belasten. Alles riekt naar lust om erbij neer te zakken, en een diepe slaap op te pakken, maar ze zetten door.

Hun komst ging al voor hen uit. Al voor de Reest waren er boeren die vanuit hun hoeves bodes uitzonden naar het noorden. Eber is terug! De zoon van Grieze Garm, de zoon van Wodan, de zoon van de Grote Moeder, de Vrouwe van het Veen! Velen kenden hem nog, voor anderen is hij één van de vele verhalen rond het vuur. Voor Hilde, de vrouw die al jaren op hem gewacht heeft, de vrouw die wist dat hij nog leefde, die zo blij was dat haar zoon Jonge Garm op zoektocht ging, deze Hilde, ze komt hem tegemoet rijden. Ze rijdt op een zoon van het paard, dat zowel Eber als Hilde ooit zulke goede diensten bewees. Er wordt niets gezegd, als Hilde de stoet uit het zuiden bereikt. Er wordt alleen stevig geknuffeld. Hilde drukt haar man en haar zoon tegen zich aan. Jonge Garm heeft met deze zoektocht bewezen een man te zijn. Hoe jong hij ook is, hij en de Witte Maante, hebben bewezen mannen te zijn.

In het laatste licht bereiken ze de hoeve van Rooie Bernt. De inmiddels vernieuwde hoeve, waar de leiders van de familie hebben gewoond. Het is de hoeve, naast de inmiddels afgebroken hoeve, waar Eber terugkeerde, toen hij na zijn militaire jaren vanuit het zuiden terugkwam. De hoeve van Gudrun, Ebers moeder, van Rana, zijn oude grootmoeder, de hoeve van… ja eigenlijk alle familie die hij gekend heeft. Het dak was verrot, de wanden waren zo vaak opgeknapt dat de rek eruit was. Ernaast was een nieuwe hoeve gebouwd. Alles van waarde werd er naar overgebracht, ook alle spullen van Eber die er nog waren. Zijn zwaard, zijn helm, noem maar op. Vervolgens werd de oude hoeve gesloopt. Enige gebinten waren nog wel goed genoeg om in een volgende hoeve gebruikt te worden. In de deur van de nieuwe hoeve staat Rooie Bernt zijn broer Witte Maante en de anderen op te wachten. Hoe anders is deze terugkeer, in vergelijking met de vorige, jaren geleden al weer. Als Eber naar hem toe loopt, heeft Rooie Bernt Ebers zwaard op zijn beide handen liggen. Hij biedt het aan, met de woorden: “Welkom thuis, leider van onze stam. We hebben je gemist.”

De dieren worden ontlast van alles wat ze bij zich dragen. Dan is er rust voor hen. De mensen liggen tussendoor al bij het vuur. Er zijn handen genoeg om te doen wat nodig is. Eerst slapen. De andere dag zal lang genoeg zijn voor wat er nog te doen is. En die dag komt snel.

Nu het licht is, valt op dat Negia een donkere huid heeft. Er zijn nieuwsgierige mensen, die haar aan willen raken. Anderen houden hen tegen. Komt ze uit de onderwereld? Hoort ze hier wel? Enkele boeren uit de buurt, gehoord hebbend dat Eber terug is en onmiddellijk bereid om een wit voetje bij de nieuwe oude stamleider te halen, door hun kennis van de stamregels te tonen, menen er wat van te moeten zeggen: “Hoort ze wel bij ons? Ze hoort hier niet!” Dan staat Jonge Garm op. “Is er hier iemand die onze gast meent af te moeten wijzen? Is er hier iemand die nu al tegen de wil van de stamoudste in denkt te moeten gaan?” “Laat maar”, zegt Negia, en pakt wat spullen bij elkaar. Ze lijkt te willen vertrekken. Of juist niet?

Even later staat Negus er weer. Helm op, zwaard in de hand. “Wil iemand proberen om mij dit zwaard afhandig te maken? Is er iemand moedig genoeg om een gevecht aan te gaan? Ik daag jullie uit, stelletje helden, vechters van de slag om de ruige hoogte, als jullie een beetje moed hebben, dan staan jullie open voor de gasten van de stamoudste. En als jullie minder moed hebben, pak mij dan maar aan, ontwapen mij, en zet mij buiten jullie stam! Wees een kerel en probeer eens een vrouw te pakken!” Niemand die ook maar één woord durft te zeggen. “Waar ga je wonen?”, dat is een vraag, die nog wel komt. De vraag komt van Witte Maante. Heeft die wat in gedachten? Los daarvan, waar gaat ze wonen? Ja, daar heeft Negus/Negia nog niet over nagedacht. Ebers thuis zou zijn/haar thuis worden. Toch?

“Negia woont bij mij!”, zegt Jonge Garm resoluut. “Ik heb het recht een eigen hoeve op te eisen, nu ik bewezen heb een man te zijn. En ik vraag Negia om bij mij te komen wonen.” Dit is min of meer een huwelijksaanzoek. Negia is vele jaren ouder dan Jonge Garm. Maar Eber was vele jaren ouder dan Hilde. Eber kijkt Hilde eens aan. “Als twee mensen gelukkig kunnen worden, willen wij ons er dan mee bemoeien?” Als Eber die woorden van Hilde hoort, is het helder. “Negia woont bij Jonge Garm. Als ze dat zelf wil. En anders blijft ze bij mij aan het vuur.” Voorlopig zal het nog wel het laatste worden, want de hoeve voor Jonge Garm en Negia moet nog gebouwd worden. Het is dan ook druk rondom het vuur bij Witte Maante, als daar overal mensen slapen die er nog een plekje kunnen vinden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.