EPILOOG – Hoofdstuk 31

0
323

Het ritueel is ouder dan de herinneringen, de plaats van iedere familie in het ongeschreven prothocol is zo vastgeroest in de traditie, dat de ouderen precies weten hoe alles hoort te gaan en waar je meeloopt, terwijl ze het tussentijds doorfluisteren aan de jongeren, dat je het gevoel kunt krijgen helemaal geleefd te worden door het moment. Hilde trommelt en neuriet haar zang, loopt voorop, anderen volgen met hoorns, dan komen mensen met de offergaven, kinderen plukken en strooien met bloemen, Irmin en Ebers dochter Akke voorop, en zo gaat het verder, stap voor stap, zwijgend naar de ruige hoogte. Naar het gebouwtje, dat herinnert aan de helden van de ruige hoogte. Naar de plaats waar de hoofden van de verslagen plunderaards nog steeds als in de zon blinkende schedels op palen staan.

Eber volgt hoog te paard, in zijn volle bewapening. In het veen aangekomen stijgt hij af. Hij gooit de kop van Gert naar enkele onvrijen. “Zet hem op een paal bij de anderen!”. “Wie was dat?”, hoort hij mensen zeggen. “Dat was Gert van Taarlo, die jullie niet durfden berechten op een wijze dat hij onschadelijk gemaakt werd, omdat jullie er onderling niet uit kwamen. Dat was de moordenaar van Adal, de held van de Ruige Hoogte. Dat was de verrader. Ik heb hem persoonlijk berecht. Zo vergaat het verraders! Moge zijn schalp altoos herinneren aan hoe het verraders vergaat!” Bij de laatste woorden houdt Eber de haardos met de gedroogde en gerookte huid van Gert omhoog. Hij is even weer de oorlogsleider, de man die kookt van woede bij de gedachte wat er allemaal door één man is mis gegaan. Als het al door één man was gebeurd, maar verder dan dat komt Eber niet op dit moment.

Er worden offers in het veen achtergelaten. Inmiddels is de oorlogsheld in Eber verdwenen. Even was die weer opgevlamd. Toen kwam de rustige man, die vredig wil leven, die zijn oude dag wil rekken op een hoeve in het veen, met genieten van het leven van alledag. De man die daar weer geboren werd, in het veld tussen de dieren, bij de kinderen. Een kinderleven zoals hij zelf ook had geleefd. Op het eind van de ceremonie trekt Eber zijn zwaard. Het oude zwaard, dat hij als Auxillairy al heeft gebruikt. “Moge dit zwaard nooit weer nodig zijn! Moge er vrede zijn voor onze stam tot het einde der dagen!” Bij de laatste woorden slingert Eber het zwaard zover mogelijk het veen in. Het draait door de lucht, het zoeft en zwiept, en lijkt in het oneindige te verdwijnen, want er heeft zich mist boven het veen gevormd. Als opgevangen door een onzichtbare hand blijft het staan, in een dichte alles verhullende witte damp. Dan wordt het teruggegooid. Trefzeker boort het zwaard zich in een boom naast hem. “Een leider draagt het zwaard niet tevergeefs. Leidt je volk!”, klinkt het dan, als van een stem uit het niets.

“De Vrouwe van het Ven heeft gesproken”, zegt Hilde, terwijl ze het zwaard uit de boom trekt. Ze stopt hem in de schede aan Ebers zijde. “Kom”, zegt Hilde, “we gaan naar huis.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.