007 Vuistbijlen van kwartsiet, gevonden langs het Turkana-meer in het noordwesten van Kenia. De 23 cm grote, druppelvormige handbijlen dateren van ongeveer 1,76 miljoen jaar geleden. Hoewel het doel niet bekend is, zouden ze voor een reeks taken kunnen zijn gebruikt, van het open splijten van pijpbeenderen van grote zoogdieren, het hakken van hout tot het uitbenen van jachtbuit.

Gaat het over vuursteenartefacten, dan kunnen we niet voorbij aan het ‘Zwitsers zakmes’ van de prehistorie, de vuist- of handbijl. Het is de ultieme wens van veel archeologen en amateurs om er zelf een te vinden. Vuistbijlen spreken niet alleen aan door hun vorm en ouderdom, in ons land zijn ze onverbrekelijk verbonden met de Neanderthalermens.

De aanwezigheid van Neanderthalers in onze streken is vooral verbonden met zijn nalatenschap in de vorm van vuistbijlen. Van dit karakteristieke werktuig zijn in Nederland verschillende exemplaren gevonden.
Vuist- of handbijlen waren de vroegste en ook het langst gebruikte werktuigen. Ze zijn in een grote variatie aan vormen vanaf zo’n 1,7 miljoen jaar geleden door verschillende soorten mensachtigen gebruikt. Deze negen vuistbijlen zijn afkomstig uit een klein gebied bij Aisne, in Frankrijk. Ze zijn opgesteld in het Metropolitan Museum of Art in New York (USA).

De vuistbijl of handbijl is één van de oudste door mensen gemaakte werktuigen. Ze zijn over de hele wereld gevonden. De oudst bekende vuistbijlen zijn gevonden in Hadar bij de rivier Gona in Ethiopië. Deze handbijlen zijn gedateerd op ongeveer 2,3 miljoen jaar. Ze worden toegeschreven aan Homo habilis, een uitgestorven vroege mensachtige. Ook in de Olduvai-kloof in Tanzania zijn primitieve, zeer oude stenen voorlopers van vuistbijlen gevonden.

In dit woestijnachtige gebied bij Hadar in Ethiopië werden chopping tools uit het Vroeg-Paleolithicum gevonden.
Chopping tools zijn een doorontwikkeling van nog primitievere choppers. Geschikte stenen werden met een (klop)steen aan twee zijden bewerkt, waarbij een ruw gegolfde, maar redelijk scherpe snede verkregen werd. Chopping tools waren de voorlopers van vuistbijlen.
Behalve bij Hadar in Ethiopië, zijn ook zuidelijker langs het Turkana-meer in Kenia talrijke primitieve stenen werktuigen uit het Vroeg-Paleolithicum gevonden.

Vuistbijlen zijn karakteristiek voor het Acheuléen in het Vroeg-Paleolithicum. De oudste zijn gevonden in het Afrikaanse Kenia in West-Turkana. Deze zijn maar liefst 1.760.000 jaar oud. Ze werden gemaakt door mensen als Homo ergaster en zijn mogelijke tijdgenoot Homo erectus.

Aan de oevers van het Turkana-meer in Kenia werden behalve deze primitieve vuistbijl meer dan honderd andere werktuigen, waaronder aambeelden en schaven opgegraven.
Vuistbijlen van kwartsiet, gevonden langs het Turkana-meer in het noordwesten van Kenia. De 23 cm grote, druppelvormige handbijlen dateren van ongeveer 1,76 miljoen jaar geleden. Hoewel het doel niet bekend is, zouden ze voor een reeks taken kunnen zijn gebruikt, van het open splijten van pijpbeenderen van grote zoogdieren, het hakken van hout tot het uitbenen van jachtbuit.

De allereerste vuistbijl die in Europa werd beschreven en getekend, werd gevonden bij Hoxne in Suffolk in Engeland. Het vuurstenen werktuig werd in een publicatie in 1800 door de Engelsman John Frere afgebeeld. De Hoxne bijl werd gevonden samen met een aantal andere tijdens graafwerkzaamheden. De vuistbijlen lagen in één niveau samen met fragmenten hout en botten van grote zoogdieren. Eind 18e eeuw wist men wel van het bestaan van vuistbijlen, maar men dacht dat ze van bovennatuurlijke oorsprong waren. De bevolking noemde ze donderstenen, omdat men dacht dat ze bij stormweer uit de lucht vielen of door de bliksem in de aarde waren gevormd. Donderstenen kennen we ook in Drenthe. Ook deze hebben met bliksem te maken. Vond je er een, dan geloofde men dat daar de bliksem ingeslagen was. Echter, Drentse donderstenen zijn geen vuistbijlen, maar zo worden versteende zee-ëgels genoemd.

Dit is de allereerst vuistbijl van Hoxne in Suffolk in Engeland, die door John Frere in 1800 getekend en beschreven is. Zijn vondstbeschrijving werd pas zestig jaar na zijn dood als correct beschouwd.

Hoewel in alle publicaties gesproken wordt van vuistbijlen, waren het geen echte bijlen. Het waren handwerktuigen die niet aan een steel geschacht waren, zoals wel het geval was met bijlen uit het Mesolithicum en latere cultuurperioden. Bovendien is de vuistbijl een ruim begrip voor een breed scala aan stenen werktuigen met een lange geschiedenis, waarvan de precieze betekenis en gebruik niet goed bekend zijn.

Van choppers tot vuistbijl

De vuistbijl is het resultaat van een lange ontwikkeling. In het Vroeg-Paleolithicum maakten mensachtigen op een eenvoudige manier gereedschap. Hiervoor gebruikten zij rolstenen van kwartsiet, hoornsteen, rhyoliet, fonoliet en ook wel kwarts. Met een andere steen sloeg men daar een of meer stukken van af. Zo ontstond een chopper met een ruwe, vrij scherpe rand. Met dit gereedschap konden eenvoudige snij- en schraaphandelingen verricht worden. Deze gereedschappen waren een grote vooruitgang. Mensachtigen konden nu ook vlees eten, door stukken van de jachtbuit af te snijden. Voor die tijd aten ze naast veel plantaardig voedsel waarschijnlijk alleen aas, omdat hun gebit niet sterk genoeg was om vers vlees te eten. Wellicht waren choppers ook geschikt om botten te splijten. Merg in dierenbotten is erg voedselrijk.

Oldowan chopper uit de riftvalley in het oosten van Afrika. Een chopper maakte men van een rolsteen, door er met een klopsteen stukken van af te slaan. Met de scherpe breukrand kon men vlees en pezen van een karkas snijden.
Een in de hand gehouden chopping tool van het Oldowan-type. Gevonden aan de monding van de Bytham rivier aan de kust in Norfolk, Engeland.
Een ca. 100.000 jaar oude Acheuléen vuistbijl van West Tofts in Engeland. In de cortex van het artefact is een afdruk zichtbaar van een mollusk. Deze decoratie is waarschijnlijk puur toeval, maar als je decoratie als kunst beschouwd, dan is deze vuistbijl een goede kandidaat.

Chopping tools vormden een verdere ontwikkeling. Hierbij werden van rolstenen aan twee zijden afslagen verwijderd. Zo verkreeg men een ruwe, grof golvend verlopende snede. Deze werktuigen waren functioneler dan de eenvoudige choppers. Chopping tools ontwikkelden zich in de loop van de tijd tot een werktuig dat wij een vuistbijl zouden noemen. In het Acheuléen ontstonden hieruit de vuistbijlvormen zoals wij die kennen. Hoewel de vorm erg varieerde, hadden vuistbijlen door een tweezijdige bewerking een betere vorm en ook scherpere snijranden. In Frankrijk, waar de meeste vuistbijlen zijn gevonden noemt men ze bifaces.

Biface ofwel een vuistbijl van vuursteen uit het eerste deel van de Saale-ijstijd. Het artefact is gevonden in gestuwde afzettingen in een groeve tussen Rhenen en Veenendaal.
Bij Aisne in de Garonne in Frankrijk zijn in de loop van de tijd een groot aantal prachtige Acheuléen vuistbijlen gevonden. De bijlen tonen een fraaie kleur- en glanspatina. De eerste is veroorzaakt door ijzerverbindingen. Glanspatina ontstaat door oplossing en afzetting van een uiterst dun laagje silica.

Wat was het praktische nut van een vuistbijl?

In de vroege prehistorie was de vuistbijl een veelzijdig type gereedschap. Men kon er veel mee. Met een moderne term zouden wij een vuistbijl een multitool noemen. In Noordwest-Europa bestonden veruit de meeste vuistbijlen uit vuursteen, hoewel in principe elke steensoort met schelpvormige breukvlakken voor het maken van een vuistbijl in aanmerking kwam. Dit laatste kan een verklaring zijn voor het grote succes en het lange gebruik van deze werktuigen, wereldwijd.

Vuistbijlen worden beschouwd als werktuigen waar veel werkzaamheden mee verricht werden. De moeilijkheid is dat men simpelweg niet weet welke werkzaamheden. Voor een deel komt dit door talrijke vondsten van vuistbijlen die geen spoor van gebruik tonen. De foto toont een grote vuistbijl met zijn scherpe snijrand. De vuistbijl is gevonden bij Jaure, Bergerac in Frankrijk.

Vuistbijlen werden voor tal van werkzaamheden gebruikt. Hierbij moeten we denken aan het villen van dierhuiden, het uitbenen en snijden van vlees, het uitsnijden van pezen en het open splijten van botten om bij het voedselrijke merg te komen. Bij het slachten van jachtbuit konden er gewrichten mee losgewrikt worden. Ook kon men er plantenwortels en andere eetbare producten mee opgraven en hout mee kappen. Met pyriet (markasiet) wist men met een vuistbijl zelfs vuur te maken. Ook gebruikte men de punt van sommige vuistbijlen als boor om huiden te perforeren.

Een vuistbijl van vuursteen van Saint Acheul, Somme, Frankrijk. Vuistbijlen zijn er in allerlei vorm en grootte. De verschillen duiden op een verschil in gebruik. Deze slanke vuistbijl met zijn scherpe punt zou geschikt zijn geweest om gaatjes in dierhuiden te maken. Van huiden maakten Neanderthalers onder meer kleding.

Vuistbijlen waren relatief makkelijk te maken. Ook het onderhoud vergde weinig inspanning. Beschadigingen konden makkelijk hersteld worden. Ook een afgebroken punt was niet moeilijk te repareren. Werd een vuistbijl stomp, dan kon men deze aanscherpen door de snijranden opnieuw te retoucheren. Hierbij werden gericht kleine scherfjes van de stomp geraakte snijrand afgeslagen. Brak een bijl of was deze door slijtage echt ‘op’ dan wierp men deze eenvoudig weg. Een nieuwe was zo gemaakt.

Vuistbijlen hadden van bepaalde werkzaamheden nogal te lijden. Bij het loswrikken van gewrichten kwam er veel spanning op de punt van de bijl te staan. Het gebeurde nogal eens dat deze brak. Soms kon de beschadiging gerepareerd worden, zo niet, dan was een nieuwe binnen een paar minuten gemaakt.

De techniek om vuistbijlen te maken verspreidde zich vanuit Afrika geleidelijk naar Azië en Europa. Dit vond omstreeks 1.000.000 jaar geleden plaats. Pas 750.000 jaar geleden maakte Homo erectus/heidelbergensis de eerste vuistbijlen van het Acheuléen-type, met name in Frankrijk en Engeland.Dit was tijdens het het Cromerien. Het Cromerien was een complexe koudeperiode tijdens het Pleistoceen. Het bestaat uit een drietal koudeperioden, Cromerien A, B en C, die van elkaar gescheiden worden door betrekkelijk kortstondige perioden waarin het klimaat warmer was. In de geologie beschouwt men de koudeperioden als afzonderlijke ijstijden, de warmere intervallen als interglacialen. Tijdens het Cromerien C reikte de Scandinavische ijskap zo ver zuidelijk dat de landijsrand toen dichtbij of wellicht zelfs over het uiterste noorden van ons land lag.

Afzettingen van Krijtkalksteen uit het Turoon bij Le Grand Pressigny bevatten lenzen en doorlopende lagen met vuursteen. Ook in de verdere omgeving komen vuursteenbanken vrij veel voor. De vuursteen bij Grand Pressigny was zo goed van kwaliteit dat hier in de steentijd een grote vuursteenindustrie is ontstaan. Producten hiervan uit het Neolithicum zijn ook in Drenthe gevonden.
Detail van een vuursteenbank in kalksteen bij Le Grand Pressigny in Noord-Frankrijk.

Het Acheuléen was vuistbijltijd

Het hoogtepunt in het gebruik van vuistbijlen was tijdens het Acheuléen. Deze cultuurperiode is kenmerkend voor fraai afgewerkte vuistbijlen. In de vuursteengebieden in Noord-Frankrijk zijn er vele duizenden van gevonden. In het Loire-gebied bestaat de ondergrond uit kalksteen uit de Krijt-periode. De kalksteenlagen bevatten veel vuursteen, soms in doorlopende platen. De kwaliteit hiervan was bijzonder geschikt voor het maken van allerlei werktuigen. Men maakte gebruik van los gevonden stukken vuursteen, maar het werd ook in situ uit de kalksteen losgehakt. Geschikte brokken werden vervolgens zo bewerkt dat van de lange zijden van een stuk vuursteen telkens scherven en spanen afgeslagen werden. Tenslotte ontstond zo een afgeplatte, driehoekige of ovaal symmetrische vorm, waarvan de ene kant in een punt eindigde en de andere zijde afgerond was. Deze tweezijdig symmetrische bewerking is de feitelijke reden dat vuistbijlen wel bifaces genoemd worden.

Een typische vuistbijl is hartvormig (=cordiform). Het handwerktuig is aan de ene zijde afgerond en aan de andere zijde puntig. De geelbruine vuursteen van Le Grand Pressigy is homogeen, waardoor van voorbewerkte kernen grote spanen afgespleten konden worden.

Alle mensachtigen uit de groep Homo erectus en de latere Homo heidelbergensis pasten in het Acheuléen voor het maken van een vuistbijl min of meer dezelfde bewerkingstechniek toe, zij het dat de een er handiger in was dan een ander. De variatie aan vormen onder vuistbijlen is namelijk bijzonder groot. Voordat iemand vaardig genoeg was om een functionele vuistbijl te maken, ging een leerperiode vooraf, waarbij ongetwijfeld talloze mislukkingen werden gefabriceerd. Deze behoren ook tot het vondstspectrum.

Homo heidelbergensis is een uitgestorven mensensoort die leefde tussen 500.000 en 200.000 jaar geleden. De schedel is omringd door vuistbijlen en schaven, die zijn gereedschap vormden. Homo heidelbergensis wordt beschouwd als directe voorouder van zowel de vroege moderne mens als de Neanderthaler.

Het zou te ver voeren om op de typologie van vuistbijlen in te gaan. Liefhebbers zouden een kijkje kunnen nemen op onderstaande website: https://www.debelemniet.nl/itemvuistbijlen.html. Bijzonder is wel dat uit onderzoek is gebleken dat veel vuistbijlen nooit als werktuig gebruikt zijn. Er zijn vuistbijlen gevonden van meer dan 35cm! Als handwerktuig waren deze werktuigen niet functioneel en hadden waarschijnlijk geen praktisch nut. Ook bij andere vuistbijlvormen is het de vraag of het wel om werktuigen gaat. Mogelijk dienden ze een ander doel. Om een vuistbijl uit een geschikte steensoort te maken, was een flinke portie vaardigheid noodzakelijk. Maar sommige vuistbijlen zijn zo fraai symmetrisch afgewerkt, dat dit verder gaat dan eigenlijk vereist is. Het zou kunnen zijn dat dergelijk ‘perfect’ afgewerkte vuistbijlen de maker status hebben verleend, mogelijk zelfs bij partnerverwerving. De maker kon zo laten zien dat hij over vaardigheden beschikte, die uitstaken boven die van anderen. Met de indruk die dit maakte kon hij mogelijk eventuele concurrenten overtroeven.

Moustérien vuistbijl van vuursteen van Saint Armand les Eauch (Schelde-vallei), Calais in Noordwest-Frankrijk. Dit werktuig is prachtig afgewerkt en symmetrisch van vorm. Het lijkt er op dat de maker heeft willen laten zien waartoe hij in staat was.
Groot formaat Acheuléen vuistbijlen, afkomstig uit Botswana in Zuid-Afrika. Deze werktuigen hadden waarschijnlijk geen praktisch nut, want te groot. Wilde je ze toch gebruiken dan waren beide handen noodzakelijk. Waarschijnlijk waren het statussymbolen.

Niet alles was van vuursteen

Behalve werktuigen van vuursteen maakten mensen (Homo erectus/heidelbergensis) in het Paleolithicum ook gebruiksvoorwerpen van andere materialen. Wat dit betreft mag de vondst van een tiental houten werpsperen opzienbarend genoemd worden. De voor een deel complete speren werden in situ gevonden aan de rand van een bruinkoolgroeve bij Schöningen in de buurt van Helmstedt in het oosten van Duitsland.

Overzicht van de voormalige bruinkoolgroeve bij Schöningen, waar in 1994 een aantal prehistorische houten speren zijn gevonden. In het vondstniveau lagen ook veel botresten van vooral paarden, samen met een aantal vuurstenen artefacten. De locatie bevond zich aan de rand van een verland meer. De bruinkoolgroeve werd in 2016 gesloten. Het bruinkool diende als brandstof voor een elektriciteitscentrale.
Opgraving aan de rand van de bruinkoolgroeve Schöningen. In de jaren na 1994 zijn talrijke opgravingen verricht, waarbij in totaal een oppervlak van bijna 4000 m2 is blootgelegd. Hierbij zijn zo’n kleine 15.000 vondsten opgegraven. De vondsten bestonden uit zoogdierresten en vuurstenen werktuigen. De oevers van het voormalige meer moeten tijdens warme fasen in de eerste helft van de Saale-ijstijd voor mens en dier een zeer aantrekkelijke omgeving hebben gevormd.

Ze dateren uit een warme fase of uit een interglaciaal uit de eerste helft van het Saalien. De ouderdom wordt geschat op 290.000 tot 370.000 jaar. De speren zijn de oudste houten werktuigen die tot dusver gevonden zijn. Ze werden samen met botresten van een groot aantal paarden, runderen en ook een bosolifant gevonden op ruim tien meter diepte in de bruinkool. De vondstlaag met de speren bracht ook een groot aantal vuurstenen artefacten te voorschijn, waaronder vuurstenen messen, klingen en schrapers.

Zo werden de houten speren in de bruinkool aangetroffen. Dat ze niet recht zijn komt door deformatie van het kletsnatte hout. Uit onderzoek blijkt dat de speren met zorg zijn gemaakt uit jonge, rechte stammetjes van sparren en grove dennen. De speren zijn met vuurstenen schrabbers glad gemaakt.
De speerpunten werden zorgvuldig uit het basale gedeelte van de dunne stammetjes geslepen, en wel zo dat de punt van de speer niet precies door het centrum van de stam ging. Door de aanwezigheid van het mergkanaal is het hout op die plaats het zwakst. De speerpunten zijn dus enigszins asymmetisch.

De botresten van de paarden en olifanten vertoonden snijsporen. Deze zullen zijn aangebracht met stenen gereedschap. De houten speren zelf zullen ook met vuurstenen gereedschap gemaakt zijn. Een van de speren is zorgvuldig gladgemaakt met een vuurstenen schraper. Bovendien waren de speerpunten in het vuur gehard. Ze zijn tussen 1.80 en 2.30 meter lang. Een van de opgegraven speren was duidelijk een werpspeer en had een lengte van 2,53 meter. Het hout waarvan de speren gemaakt zijn is afkomstig van de fijnspar (Picea abies) en de grove den (Pinus sylvestris). Dit duidt op een koel klimaat. Men vermoedt dat men voor het benodigde hout hoger gelegen plaatsen moest opzoeken, waar het klimaat gunstig was voor de groei van sparren en dennen.

Samen met de houten speren zijn bijzonder veel resten van paarden gevonden met daarbij ook botten van een bosolifant.
Vrijgegraven speer met daaromheen botresten van een zoogdier. Deze grote houten speer was een werpspeer, waarmee dieren op afstand dodelijk konden worden geraakt. Dergelijke speren konden met de werpstok maximaal 70 meter ver worden gegooid.
De speer is een belangrijke uitvinding van de oermens geweest. Bij het jagen hoefde men niet dicht bij in potentie gevaarlijke dieren te komen. Met een atlatl – zo wordt een werpspeer genoemd – kon je verder werpen dan met een gewone handspeer. Met behulp van een werpstok kon je de speer met grote snelheid katapulteren.

Uit de vormgeving van de speren blijkt dat deze technologisch zeer goed gebalanceerd waren. Aan de Universiteit van Heidelberg deed men testen met replica’s. Hieruit bleek dat de speren verbazingwekkende werpeigenschappen hebben gehad. Ze kunnen vergeleken worden met wedstrijdsperen in de atletiek. Het zwaartepunt lag bijvoorbeeld net als bij sportsperen op 1/3de van de lengte. Men kon er tot zo’n 70 meter ver mee werpen. Tot een afstand van 20 meter konden ze een groot dier dodelijk treffen.

Dit is de locatie bij Schöningen waar de houten speren werden gevonden. De opgravingsplaats lag aan de rand van de bruinkooldagbouw. In de bruinkoolachtige veenopvulling van een verland meer uit het Vroeg-Saalien kwamen bij proefopgravingen veelbelovende, prehistorische vondsten te voorschijn. Artefacten en botresten werden op verschillende niveaus van de verlanding gevonden.

De speren tonen aan dat Midden-Paleolithische mensen al actieve jagers waren en geen aaseters, zoals wel verondersteld is. Ook uit andere vondsten blijkt dat deze vroege mensen honderdduizenden jaren geleden met succes op grote zoogdieren jaagden, waaronder runderen, herten en zelfs bosolifanten. Dit wijst op een complexe sociale structuur, waarin planning en overleg noodzakelijk waren. Paleolithische Heidelberg-mensen waren blijkbaar al in staat via gesproken taal met elkaar te communiceren. De vondst bij Schöningen is zo bijzonder, omdat houten werktuigen van deze ouderdom alleen onder heel bijzondere omstandigheden bewaard blijven.

Van Acheuléen naar Levallois

Zo omstreeks 300.000/250.000 jaar geleden maakte de Acheuléen-techniek plaats voor die van het Levallois. Bij deze modernere bewerkingstechniek ging het niet langer uitsluitend om vuistbijlen. Van voorbewerkte vuursteenkernen kon men lange spanen afsplijten. Deze leverden vlijmscherpe messen op. Ook het overige afslagmateriaal werd gebruikt, bijvoorbeeld om allerlei typen schrabbers te maken. Deze nieuwe techniek van vuursteen bewerking markeert het begin van het Midden-Paleolithicum, de periode van de Neanderthalermens. De Levallois-techniek maakte later in het Midden-Paleolithicum plaats voor de nog verfijndere, Mousterien-techniek (Moustérien de Tradition Acheuléenne).

Moustérien vuistbijl gevonden in de omgeving van Congy (Marne) in Noord-Frankrijk. De hartvormige vuistbijl toont over het oppervlak een fraaie witachtige patina.
Het Moustérien was een verdere verfijning in de bewerking van vuurstenen artefacten. Vuistbijlen werden gemaakt uit zorgvuldig voorbewerkte kernen.
Een Mousterien vuistbijl van beige-kleurige vuursteen uit Normandië. De glans op het werktuig noemt men glanspatina. Dit is het gevolg van zowel oplossing als de afzetting van silica op het oppervlak van de vuistbijl. Glanspatina is dus geen windlakglans.

Vuistbijlvondsten in ons land

De oudste vuistbijlen die in ons land zijn gevonden zijn, zijn minstens 300.000 jaar oud. Ze kwamen samen met andere werktuigen en botresten te voorschijn uit lössafzettingen in de groeve Belverdere bij Maastricht. Uit de vondsten blijkt dat hier sprake was van een of meer kampementen. De werktuigen van Belvedere dateren uit de eerste helft van de Saale-ijstijd. Het Saalien was een langdurige, complexe glaciale periode, waarbij koude-perioden met warmere intervallen afwisselden. Het vermoeden is dat deze koude-perioden aparte ijstijden waren. Ook in Midden-Nederland zijn in gestuwde Vroeg-Saalien afzettingen tussen Veenendaal en Rhenen talrijke Midden-Paleolithische werktuigen gevonden.

In de stuwwallen bij Kwinteloijen, tussen Veenendaal en Rhenen kwamen bij graafwerkzaamheden verschillende Midden-Paleolithische vuurstenen werktuigen te voorschijn. Ze waren gemaakt van zuidelijke vuursteen, die men in die tijd langs de oevers en in de bedding van zijtakken van de Rijn vond. Een deel van de groeve bij Kwinteloijen is nu een geologisch monument, dat door spelende kinderen in een soort zandglijbaan is veranderd.
In een nabijgelegen zandgroeve van Lucius de Ridder bij Rhenen kwamen eveneens veel Paleolithische werktuigen tevoorschijn, waaronder deze fraaie vuistbijl. De bruine kleur is kleurpatina, veroorzaakt door infiltratie van ijzerverbindingen. Op de foto is links een vuistbijl afgebeeld met midden-boven een spitsschaaf. Rechts nog een Levallois-kern.

Bij zandsuppleties aan de kust en op de 2e Maasvlakte zijn ook vuistbijlen, afslagen en schaven uit het Midden-Paleolithicum gevonden. Ze zijn afkomstig uit sedimenten die in zandzuigputten onder de Noordzeebodem aangesneden zijn. Over ouderdom en stratigrafische positie is voorlopig weinig te zeggen. Hetzelfde zagen we bij de aanleg van de Markerwadden in het Markermeer. In het opgespoten zand zijn verschillende Midden-Paleolithische werktuigen van vuursteen gevonden. Het zand is afkomstig uit diepe zandputten in het Markermeer. Over de laag/lagen waaruit deze artefacten komen en hun ouderdom valt evenmin veel te zeggen.

Peest in Noord-Drenthe

In 2007 werd in de buurt van Peest in Noord-Drenthe een vondst gemeld van een vuurstenen artefact uit het Midden-Paleolithicum. Deze ontdekking werd gevolgd door zoektochten in het kader van het project ‘Neanderthalers in Noord-Nederland’. Dit project is bedoeld om op potentieel interessante locaties gericht te gaan zoeken naar werktuigen uit het Midden-Paleolithicum.

Na de ontdekking van de Midden-Paleolithische vindplaats bij Peest zijn in de jaren daarna verschillende zoektochten georganiseerd, waarbij men systematisch de akker afzocht naar artefacten.

Tijdens zoektochten werden door archeologen, vergezeld van amateurs en studenten archeologie bij Peest talrijke Midden-Paleolithische werktuigen en afslagen gevonden. Verder onderzoek in de jaren daarna mondde uit in de ontdekking van een kampement van Neanderthalermensen.

Op de akker bij Peest kwamen vuistbijlen, werktuigen en afslagen van vuursteen en andere gesteenten zo talrijk voor, dat besloten werd tot een kleine proefopgraving. Hierbij kwamen nog meer artefacten te voorschijn. Opzienbarend was dat in het keizand onder de bouwvoor Neanderthaler artefacten in situ werden aangetroffen. Dit was niet eerder in Noord-Nederland vastgesteld. Bij Midden-Paleolithische vondsten ging het steeds om losse objecten zonder context.

Een complete hartvormige vuistbijl van Peest (foto Frans de Vries)
Een vuistbijl van vuursteen, ook van Peest.
Een fraaie vuurstenen schaaf of schrabber van Peest.
Op de akker bij Peest werd ook deze discus-achtige vuursteenkern gevonden, gemaakt volgens de Levallois-techniek.

In de loop van enkele jaren zijn honderden afslagen, schaven, rugmessen en tientallen vuistbijlen gevonden. Deze laatste hadden doorgaans een klein formaat en waren vaak driehoekig of meer hartvormig (cordiform). De vuistbijlen bezaten snijkanten die geretoucheerd waren. Het grote aantal vuistbijlen leidde tot de conclusie dat Neanderthalers hier een tijdelijk kampement hadden, waar mogelijk jachtbuit geslacht werd. Van een paar vuistbijlen was de top afgebroken, blijkbaar als gevolg van de werkzaamheden. Van andere waren de snijranden ter plaatse door retouchering bijgewerkt. Aangetroffen afslagen bleken op de bijgewerkte handbijlen te passen. De rugmessen en schaven die men in het terrein vond, kunnen zijn gebruikt bij het prepareren van huiden.

Bij Peest hebben Neanderthalers naast vuursteen ook van ter plaatse voorkomende zwerfstenen van helleflint werktuigen gemaakt. Helleflint, in Zweeds hälleflinta, betekent rotsvuursteen, is een hard en dicht gesteente dat door metamorfose, diep in de aardkorst uit verschillende vilkanbische gesteenten is ontstaan. Helleflint komt veel voor in de Zuid-Zweedse provincie Smaland.

Het is niet aan te nemen dat Neanderthalers op hun trektochten door het landschap in hun ‘rugzak’ vuurstenen mee namen om daar, als het nodig was, werktuigen van te maken. Men wist in die tijd waarschijnlijk precies waar in het landschap vuursteen te vinden was. De akker bij Peest ligt in de nabijheid van een beekdal. Uit geologisch onderzoek blijkt dat de vindplaats gunstig gelegen was, vlak bij de samenvloeiing van twee kleine rivieren. Gunstig was ook dat in de omgeving voldoende zwerfsteenmateriaal voorkwam, waaronder een groot aantal vuurstenen. Opmerkelijk is dat op deze locatie ook werktuigen en afslagen gevonden zijn van helleflint. Helleflint is een dicht, silicarijk gesteente dat door metamorfose uit vulkanische gesteenten is ontstaan. Het gesteente is glashard en bezit een dichte structuur. Hoewel het meer inspanning vergt om van helleflint werktuigen te maken, hebben deze het voordeel dat afslagen door de fijnkorrelige structuur vlijmscherpe (zaag)randen hebben. In het zwerfsteengezelschap op de akker bij Peest komen talrijke platte stukken helleflint voor, die Neanderthalers op hun waarde konden inschatten.

Het Neanderthaler kampement bij Peest was waarschijnlijk niet eenmalig. De ligging in de nabijheid van stromend water en de beschikbaarheid van vuursteen voor het fabriceren van werktuigen, maakte dat rondtrekkende groepjes mensen hier waarschijnlijk meerdere keren kwamen.

De aanwezigheid van groepen Neanderthalers in dit gebied was waarschijnlijk niet eenmalig. Hoewel de locatie bij Peest aan de noordwestrand van het verspreidingsgebied lag, kan uit andere Midden-Paleolithische vondsten geconcludeerd worden dat Neanderthalers lange tijd achtereen periodiek naar het noorden trokken, als de omstandigheden dit toelieten. De datering van ongeveer 50.000/60.000 jaar geleden betekent dat zij hier in de eerste helft van de laatste Weichsel-ijstijd vertoefden, toen het klimaat nu en dan redelijk gunstig was. In deze periode van de Weichsel-ijstijd was sprake van een paar warmere interstadialen, waarin zelfs sprake was van bosgroei. In koudere perioden met toendrabegroeiing viel hier niets te halen. Neanderthalers verbleven toen waarschijnlijk een stuk zuidelijker, in België, Duitsland en Frankrijk.

De Midden-Paleolithische werktuigen bij Peest dateren uit de eerste helft van de laatste Weichsel-ijstijd. Deze vuurstenen vuistbijl in wording toont duidelijk de gevolgen van vorstwerking tijdens de zeer koude tweede helft van de laatste ijstijd. In de vuursteen is een gebogen vorstbarst zichtbaar. Het is niet onmogelijk dat van het artefact nog meer stukken zijn afgesprongen.

Hoewel er bij Peest tot dusver geen verdere opgravingen zijn uitgevoerd, is de verwachting dat onderzoek in de toekomst nog veel meer bijzonderheden aan het licht zal brengen. Ook al omdat in hetzelfde gebied aanwijzingen zijn gevonden voor een tweede kampement.

Verweringverschijnselen op Midden-Paleolithische vuistbijlen

Neanderthalers verbleven in ons land tijdens de eerste helft van de laatste Weichsel-ijstijd. Deze periode kende een afwisseling van koude en warmere perioden. De werktuigen die zij achter lieten tonen zonder uitzondering een glans en een geringe afronding van snijranden, richels en andere verhevenheden op het oppervlak. Glans en afronding zijn voor een deel te wijten aan chemische oplossing van silica, voor een ander deel aan zandstraalwerking. In de tweede helft van de laatste ijstijd (Pleniglaciaal) was het klimaat hier bar en boos. Vegetatie ontbrak, dus ook dieren en mensen kwamen niet voor. Duizenden jaren achtereen was het landschap hier een poolwoestijn. In die tijd is veel zand en stof verstoven. Stenen en ook werktuigen die aan het oppervlak lagen, werden door zandkorrels en stof gezandstraald. Vooral vuurstenen kregen daardoor een glanzend oppervlak, alsof deze gelakt is. In de geologie noemt men dit windlak.

Werktuigen van Neanderthalers bezitten naast afronding en glans ook andere beschadigingen, die aan het koude klimaat te danken zijn. Kleine drukkegels, krasjes en afgesplinterde randen zijn ontstaan door vorst- en dooiwerking waarbij oppervlakkig gelegen bodemlagen in een stenenrijke omgeving met elkaar verkneed werden. Deze vervorming van bodemlagen noemt men cryoturbatie.

Het einde van een tijdperk

Een groep Neanderthalers met jachtbuit. Neanderthalermensen waren nooit erg talrijk. Ze trokken ook niet in grote groepen rond, voor zover bekend deden ze dit in familieverband.

Waarom en hoe precies de Neanderthalers in Europa aan hun eind kwamen is ondanks vele theorieën nog steeds niet duidelijk. Met zijn uitsterven, zo rond 40.000 jaar geleden, eindigde ook het Midden-Paleolithicum. Duidelijk is wel dat de Neanderthaler met zijn vuistbijlen en andere gereedschappen beslist niet die primitieve oermens was, zoals tot voor kort nog wel gedacht werd. Ze zagen er weliswaar iets anders uit dan de moderne mens, maar hun mentale vermogens deden waarschijnlijk niet onder voor die van zijn opvolger.

Neanderthalers werden in het recente verleden vaak afgebeeld als woest uitziende, zwaar behaarde mensen. Uit onderzoek is gebleken dat ze niet veel verschilden van de huidige mens. Een modern aangeklede Neanderthaler zou waarschijnlijk in de Kalverstraat niet opvallen.

Over opvolger gesproken, tegenwoordige mensen hebben allemaal genen van Neanderthalers in hun lijf. Genetische vermenging treedt niet op als je in die tijd met een aapmens van doen had. Moderne mensen leefden een tijdlang samen met Neanderthalers en kregen samen ook nageslacht. Na het uitsterven van de Neanderthalers verdween ook de moderne mens uit het landschap van Noordwest-Europa. Maar dit was tijdelijk. Toch zou het nog tienduizenden jaren duren voordat deze voor het eerst weer in onze contreien opdook.

Vorig artikelDe Spaanse Stonehenge, oftewel Dolmen de Guadalperal
Volgend artikelGletsjermolenstenen
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.