024 Natte plaatsen in het landschap werden vaak bezocht omdat zich hier veel vogels ophielden. Ook kon er goed worden gevist.

Na het einde van de laatste ijstijd, 11.560 jaar geleden, begon het Holoceen, de warme periode waarin we nu leven. Het Holoceen was ook het begin van het Mesolithicum. De overgang van het Laatpaleolithicum naar het Mesolithicum wordt gemarkeerd door het einde van de Weichsel-ijstijd en niet zozeer door een verandering van cultuur.

Na de kou van de Jonge Dryas (12.800-11,560 jaar geleden) brak een periode aan met hogere temperaturen. Dit was het begin van het Holoceen.

In het Holoceen overspoelde het zeewater steeds grotere delen van de droog liggende Noordzeebodem. In het Boreaal stroomden Maas en Rijn door enkele flinke geulen via het lage deel van Midden-Nederland naar de Noordzee. In Noord-Holland en in Noord-Nederland stroomden kleinere rivieren als de Overijsselse Vecht, de Boorne en de Hunze naar de Noordzee,

Het Holoceen markeert ook het begin van het Mesolithicum. Deze cultuurperiode wordt ook wel de Middensteentijd genoemd. Ons land en de rest van Noord- en Noordwest-Europa was in die tijd dun bevolkt door nazaten van de bevolking uit het Laatpaleolithicum. Door de opwarming volgden de meeste jagers/verzamelaars van de Ahrensburg-traditie de wegtrekkende rendierkudden naar het noorden en het oosten, naar de steppen in Azië. Een deel van de bevolking uit de Ahrensburg-tijd paste zich aan de veranderende omstandigheden aan en bleef in het gebied wonen.

Na de kou van de Jonge Dryas paste een deel van de rendierjagers uit de Ahrensburg-cultuur zich aan en bleef in ons land wonen. Aanvankelijk trokken ze eerst nog als nomaden in kleine groepjes door het landschap, zonder vaste woon- of verblijfplaats. Iets later in het Mesolithicum verbleef men voor langere tijd in basiskampen, waarschijnlijk met meerdere families, van waaruit men in de omgeving op voedseltochten ging.

Aanvankelijk leken leefwijze en het sortiment werktuigen in het Mesolithicum nog sterk op die van de jagers/verzamelaars uit het Laatpaleolithicum. Na enige tijd kregen werktuigen specifieke, eigen kenmerken. Vooral de kleine werktuigen van vuursteen zijn door hun vormen karakteristiek voor deze cultuurperiode. Ze staan bekend als microlieten. Microlieten kunnen globaal in twee groepen worden onderverdeeld: zeer kleine microklingen en microlieten met een geometrische vorm. Deze laatste ontstonden door deze doelbewust van grotere vuurstenen klingen af te breken, en vervolgens te retoucheren.

Microlieten van vuursteen uit het Mesolithicum. Uit de vorm is makkelijk vast te stellen dat het hier om pijlpunten gaat. Er bestaat een grote vormvariatie. Voor een deel zal dit doelbewust zijn geweest. Bij het jagen op zoogdieren, waarbij bloedverlies uit de schotwonden van groot belang was, hadden pijlpunten een andere, vaak meer geometrische, trapezoïde vorm. Het jagen op vogels en vissen vereiste andere pijlpuntvormen.
Om hout te hakken, beschikte men over vuurstenen bijlen. De bijl op de foto is een zogenoemde kernbijl. Deze is gemaakt van een troebel, meer poreus type vuursteen. Deze bijlen werden aan houten stelen bevestigd.

De kleine werktuigen dienden vooral als pijlpunten, maar de nog kleinere vuursteenpuntjes hadden waarschijnlijk een andere functie. Deze werden gebruikt om harpoenpijlen te maken. Verder bleef men vuursteen werktuigen als messen, schrabbers, boortjes en stekers gebruiken. Voor het hakken van hout en takken gebruikte men relatief kleine, ongeslepen bijlen, die aan een houten steel bevestigd werden. Het geringe formaat van de werktuigen zal niet alleen aan de kwaliteit van vuursteen gelegen hebben, de leefwijze van de Mesolithische jagers/verzamelaars was bepalend.  

In het Mesolithicum leefden groepen jagers/verzamelaars als half-nomaden. Verwante familiegroepen richtten kampen in waar men langere tijd verbleef. Van daaruit trokken mannen voor enkele dagen/weken naar tijdelijke jachtkampen. Hetzelfde deed men in het najaar met meer mensen om hazelnoten te verzamelen. Het basiskamp fungeerde als hoofdkamp, waar doorgaans vrouwen, kinderen en ouderen verbleven.

Stijging zeespiegel

Aan het begin van het Holoceen, in het Preboreaal (11.650-10.640 jaar geleden), stond de zeespiegel nog zo’n 50 meter onder het huidige niveau. De zuidelijke Noordzee lag nog droog. Mensen konden toen nog met droge voeten Engeland bereiken. Het landijs had zich in het Laatglaciaal al tot in Zuid-Zweden teruggetrokken, maar smolt in snel tempo verder af. Hetzelfde gebeurde met de landijskappen in Noord-Amerika. Ook de kleinere ijskappen die hogere berggebieden bedekten, smolten weg. Onder het ijs kwamen uitgestrekte morenelandschappen te voorschijn.

In het Laatglaciaal was de zuidelijke Noordzee nog een grassteppe. Bij de overgang naar het Holoceen smolten de ijskappen in snel tempo weg, waardoor steeds meer delen van de zuidelijke Noordzee overstroomden.

De enorme hoeveelheden smeltwater die door het verdwijnen van gletsjers en ijskappen vrij kwamen, hadden tot gevolg dat de zeespiegel snel steeg. Vanaf het Preboreaal nam de zee steeds grotere delen van de droge Noordzeebodem in bezit. Gebieden waar eerder nog kudden met rendieren en groepjes nomadische jagers rondtrokken, overstroomden. De kustlijn schoof steeds verder op naar het zuiden en het oosten. Alleen hoger gelegen gebieden bleven voorlopig nog vrij van overstromingen. Dit laatste was het geval met het stuwheuvellandschap van de Doggersbank. Dit veranderde in een groot eiland.

Het landoppervlak van ons land en aangrenzende Noordzeebodem bezat een zacht glooiend karakter met op veel plaatsen brede dekzandruggen. Deze bepaalden vooral ten westen en ten noorden van ons land de richting waarin het Noordzeewater naar het oosten opdrong. Omstreeks 8000 jaar geleden naderde het Noordzeewater de huidige kustlijn. Ook het sterk vertakte riviersysteem op de Noordzeebodem verdween onder water. Bekende rivieren als Schelde, Rijn Maas, Wezer en Elbe hadden in de Weichsel-ijstijd nog een verwilderd karakter. Ze vormden toen brede, ondiepe stroomdalen, die gescheiden door zand- en grindbanken doorsneden waren door talloze stroomtakken. Door het stijgende zeewater en het warmere klimaat veranderde het stroomkarakter van deze rivieren. In het Preboreaal gingen ze meer meanderen.

Ongeveer 9000 jaar geleden was de zeespiegel in de Noordzee al zo ver gestegen dat de huidige Doggersbank toen een eiland vormde. De hoogte en het geaccidenteerde oppervlak van Dogger-eiland is te danken aan glaciale stuwing uit de Weichsel-IJstijd.

Flora en fauna in het Mesolithicum

Het mildere klimaat in het Preboreaal had gevolgen voor het landschap. De vegetatie begon na de kou in het Jonge Dryas te herstellen en te veranderen. De toendra maakte plaats voor een gevarieerder landschap met open, kruidenrijke gras/heideplekken, jeneverbessen en bomen als berken, lijsterbessen en ratelpopulieren. Deze boomsoorten vormden groepen en vooral later ook open bossen. Later in het Preboreaal verscheen de grove den in onze streken. Opvallend is dat de eerst zo talrijke jeneverbessen sterk in aantal achteruit gingen. Dit zal het gevolg geweest zijn van de bosontwikkeling. Jeneverbessen zijn vollichtstruiken, die slecht schaduw verdragen. Bovendien hebben ze voor het kiemen een dynamische bodem nodig. Door de bosontwikkeling in het Preboreaal verdwenen dit goeddeels.

Door de hevige koude in de Jonge Dryas stelde plantengroei weinig voor. Hooguit groeiden er verspreid een paar bomen die geteisterd werden door het barre klimaat. Hoewel het in die tijd relatief droog was, traden regelmatig (sneeuw)stormen op.
In het Preboreaal steeg de gemiddelde temperatuur met vele graden. In deze tijd maakte de toendra plaats voor een afwisselender begroeiing met berken, ratelpopulieren, lijsterbessen en jeneverbessen.

Na het Preboreaal volgde het Boreaal (10.200-9220 jaar geleden). De grove den drukte in deze periode een steeds grotere stempel op het bos in ons land. Het vergt tijd voordat boomsoorten een gebied bereiken en koloniseren. De ene boomsoort doet dit sneller dan de ander. Het hangt vooral af van de wijze waarop boomzaden verspreid worden. Met de grove den gaat dit gemakkelijk. De gevleugelde zaden worden door de wind over flinke afstanden verspreid. In het Boreaal raakten grote delen van ons land bedekt met bossen van grove dennen en hazelaars, onderbroken door heidevelden.

Aan het eind van het Preboreaal en vooral in het Boreaal vormden grove dennen uitgestrekte bossen. Op plaatsen waar het bos minder gesloten was en op open plaatsen groeiden toen veel hazelaars.

Voor de Mesolithische jagers/verzamelaars waren de hazelaars van levensbelang. In de vroege herfst verzamelden ze hazelnoten en legden er wintervoorraden van aan. Er zijn aanwijzingen dat in het Mesolithicum stukken bos en struikgewas gecontroleerd werden afgebrand om zo open gebieden te verkrijgen. Ook wordt vermoed dat de enorme toename van hazelaars misschien wel door mensen gestuurd is. Later in het Boreaal veranderde het bosbeeld. Er verschenen steeds meer loofboomsoorten als eiken, iepen, lindes en elzen. Het aantal grove dennen, berken en ook hazelaars nam hierdoor sterk af.

Op het laatst van het Boreaal bedekten gemengde bossen van grove den, eik, linde, iep en els grote delen van ons land. Op kalkrijkere delen groeiden ook veel essen. De natte wereld werd vooral bepaald door elzen en wilgen.

Samen met de flora veranderde ook de fauna. Arctische diersoorten trokken weg. Hun plaats werd ingenomen door elanden, edelherten en reeën. Samen met het wild zwijn, oeros, wolf, bruine beer, lynx en wilde kat en een toenemend aantal kleine knaagdieren vonden deze dieren in onze streken goede bestaansmogelijkheden.

In de lagere, meer moerassige delen van ons land kwamen vooral broekbossen voor met elzen, wilgen, met een rijke onderbegroeiing.

Mensen in het Mesolithicum

Het Mesolithicum of Middensteentijd (11.560 tot 5.300 jaar geleden) is de periode tussen het Laatpaleolithicum en het Neolithicum, de cultuurperiode waarin de landbouw in ons land op kwam. Dit laatste vond niet overal op hetzelfde moment plaats. In Zuidoost-Europa en in het Midden-Oosten ging de bevolking aan het einde van de Weichsel-ijstijd al heel snel over op de eerste vormen van landbouw. In die tijd ontstonden ook de eerste nederzettingen waar mensen zich permanent vestigden. In die gebieden ontbreekt het Mesolithicum.

Zo’n dertienduizend jaar geleden begonnen mensen in het Midden-Oosten de grootste en makkelijkst te verwerken tarwe- en gerstzaden die ze vonden te selecteren, te zaaien en te cultiveren.
De vruchtbare halvemaan in het Midden-Oosten. Zo wordt het gebied genoemd in het Midden-Oosten en Zuid-Anatolië, waar volgens veel onderzoekers zo’n 13.000 jaar geleden het cultiveren van wilde gewassen is begonnen. Er ontstonden toen kleine landbouwnederzettingen van boeren en ambachtslieden, die na verloop van tijd tot stadsstaten uitgroeiden.

Het Laatpaleolithicum ging daar over in het Neolithicum. In grote delen van Europa zou het echter nog duizenden jaren duren voordat de eerste boeren verschenen. Door deze verschillen kent het Mesolithicum geen vaste jaartallen. De Middensteentijd markeert de cultuurperiode na de laatste ijstijd tot de introductie van de landbouw. En dit verschilt per regio. Pas tussen 6800-6500 jaar geleden gingen jagers-verzamelaars in ons land er geleidelijk toe over om veeteelt te bedrijven, later gevolgd door akkerbouw. Boeren en jagers/verzamelaars zullen aanvankelijk nog naast elkaar geleefd hebben. Er was voor deze laatsten in hun leefomgeving nog zoveel voedsel te bemachtigen, dat de noodzaak om tot een boerenbestaan over te gaan, niet gevoeld werd. Sterker nog, de eerste boeren hadden het heel wat moeilijker dan jagers/verzamelaars. Ook in gezondheid bleven ze achter.

In het Mesolithicum woonde men niet in vaste nederzettingen. Wel werden op geschikte plaatsen basiskampen ingericht waar men langere tijd verbleef. Van hieruit trok men naar plaatsen waar afhankelijk van het seizoen gejaagd werd, eieren verzameld of vruchten konden worden verzameld.

Hoe leefde men?

Hoe mensen in het Mesolithicum geleefd hebben, is niet in detail bekend. Hoewel ze niet langer aangewezen waren op rendieren, waren het jagers/verzamelaars, die afhankelijk van het seizoen voor hun voedselbehoeften door hun leefgebied trokken. Ze trokken in kleine familiaire groepjes door het landschap en bleven nooit lang op dezelfde plaats. Er zijnaanwijzingen dat  men basiskampen inrichtte waar ze voor iets langere tijd verbleven. De voedselrijkdom in het woongebied was zo groot en gevariëerd, dat de noodzaak om steeds naar nieuwe gebieden te trekken minder werd.  Vanuit het basiskamp ging men in de omgeving op jacht of om te vissen. Jagen zal voornamelijk mannenwerk zijn geweest. Vrouwen, kinderen en ouderen bleven doorgaans in het basiskamp. Door de seizoenen heen verzamelden zij in het omringende landschap eetbare planten, knollen, bessen, paddenstoelen, vruchten en zaden.

Bij het jagen zal men hulp gehad hebben van honden. Honden waren in die tijd al gedomesticeerd. Vissen ving men op verschillende manieren. Bijzonder is dat men bij het vissen ook gebruik maakte van fuiken.

Ook vogeleieren zullen als eiwit- en vetbron een belangrijke aanvulling op het menu zijn geweest. Zaden en noten werden in de herfst verzameld om als wintervoorraad te dienen. Noten dekten een belangrijk deel van hun energiebehoefte. Daarnaast zal het maken van kleren ook werk zijn geweest dat voornamelijk door vrouwen werd gedaan.

Op het eind van het Preboreaal en in het Boreaal groeiden in de beboste streken in ons land naast grove dennen bijzonder veel hazelaars.

Hazelnoten

Al vanaf het Vroeg Mesolithicum waren hazelnoten een belangrijk onderdeel van het menu. Niet alleen in ons land, maar op talrijke plaatsen in Europa werden ze in de Middensteentijd gegeten. Het was ook de enige noot die gegeten kon worden. Tamme kastanje en walnoot kwamen pas vele duizenden jaren later met de Romeinen vanuit het Middellandse Zeegebied naar ons land.

Op het eind van het Preboreaal en in het daarop volgende Boreaal kwamen hazelaars, samen met grove dennen bijzonder veel voor. Beide vormden lange tijd de belangrijkste struiken en bomen in het landschap. De harde noten die de hazelaar produceert, zijn in tegenstelling tot die van de grove den te zwaar om door de wind verspreid te worden.

Hazelnoten rijpen in de vroege herfst. Ze vallen spontaan uit hun bolster en zijn makkelijk te verzamelen. Hazelnoten die wij in de winkel kopen, worden uit zuidelijke landen geïmporteerd. Vooral Turkije is een grote leverancier. Deze hazelnoten zijn afkomstig van rassen die grotere noten produceren, dan die welke van nature in ons land groeien.

Het verslepen van hazelnoten wordt gedaan door kleine knaagdieren en vooral door vogels als de Vlaamse gaai.  Deze dieren legden in de herfst op tientallen plaatsen voorraden aan van hazelnoten. Vooral de Vlaamse gaai staat er om bekend om in de grond een wintervooraad van noten aan te leggen. Omdat het dier de noten met zijn snavel in de bodem drukt en de plaats waar dit gebeurde wel eens vergat, deed hij tegelijk dienst als ‘bosbouwer’. Vergeten noten gaan kiemen en groeien uit tot nieuwe struiken. Deze manier van ‘zaaien’ in de vroege herfst heeft veel aan de verspreiding van hazelaars bijgedragen.

De gaai of Vlaamse gaai zoals de vogel eerder terecht werd genoemd, is waarschijnlijk deels verantwoordelijk voor de uitbreiding van hazelaars in het Preboreaal. De vogel legt in de herfst overal in zijn leefomgeving wintervoorraden aan van eikels en hazelnoten. Eiken waren er in het Preboreaal nog niet, maar hazelaars des te meer. De vogel verbergt met zijn snavel noten in de grond. Hoewel het geheugen verrassend goed is, wordt een aantal van de begraven noten vergeten. In de herfst gezaaide hazelnoten kiemen bijzonder goed. Vandaar dat Vlaamse gaaien wel ‘bosbouwers’ genoemd worden.

De enorm snelle verbreiding van de hazelaar in de Middensteentijd was waarschijnlijk niet alleen het werk van dieren. Ook de mens wordt hiermee in verband gebracht. Dit kwam door een paar bijzonder belangrijke eigenschappen van de hazelaar. Hazelnoten hebben een hoog vet- en eiwitgehalte, met daarnaast enige vitaminen. De noten werden vooral geroosterd gegeten. Ze zijn daardoor niet alleen smakelijker, de voedende bestanddelen worden zo makkelijker door het lichaam opgenomen. Hazelnoten dekten een groot deel van de energiebehoefte van mensen in de Middensteentijd.

Hazelnoten waren in het Preboreaal en in het Boreaal de enige noten die mensen in het Mesolithicum in de herfst in grote aantallen konden verzamelen en roosteren. De noten dekten voor ongeveer 50% de energiebehoefte van de steentijdmensen.

De hazelaar verdraagt enige schaduw, maar het is een lichthoutsoort die vrij groeiend in de beschutting van soortgenoten en andere struiken het beste tot zijn recht komt. In de schaduw dragen hazelaars vrijwel geen vruchten. Het is bekend dat mensen al heel vroeg in de oudheid stukken bos en struikgewas afbrandden om zo open plekken te verkrijgen. Op de afgebrande plekken groeien vervolgens allerlei grassen, kruiden en struiken. Deze trekken dieren aan. Het is bepaald niet denkbeeldig dat men in de steentijd op brandplekken doelbewust hazelaars heeft gecultiveerd. De enorme hoeveelheden notenschalen die men bij nederzettingen uit de Middensteentijd heeft aangetroffen, doen daar aan denken.

Opgravingen in Sleeswijk-Holstein in Duitsland hebben laten zien dat de hazelnoten op speciaal ingericht kampplaatsen geroosterd en verwerkt werden. Rondom de roosterplaatsen werden dikke lagen hazelnootdoppen aangetroffen. In de late zomer en vroege herfst trok men voor een paar weken naar plaatsen waar de vetrijke noten in grote hoeveelheden konden worden verzameld. Deze werden naar de verwerkingsplaatsen vervoerd en daar gekraakt, geroosterd en verwerkt tot producten, die vervoerd en bewaard konden worden. De werkzaamheden vonden in de open lucht plaats. Om de harde noten te kraken maakte men gebruik van klop- en aambeeldstenen. Deze laatste bezaten een (natuurlijke) rondachtige holte waarin de te kraken noten werden gelegd. Op andere stenen vond men aanwijzingen dat de geroosterde noten hierop tot notenmeel werden vermalen.

Bij Duvensee ten noordoosten van Hamburg in Duitsland zijn bij opgravingen op Mesolithische sites enorme hoeveelheden hazelnootdoppen gevonden. De hazelnoten werden op roosterplaatsen in heet zand geroosterd. De hazelnoten kraakte men eerst op aambeeldstenen.

Het roosteren van de noten gebeurde op speciaal hiervoor ingerichte roosterplaatsen. De bouw hiervan en de benodigde materialen getuigen van een goede organisatie. Het feitelijke roosteren van de noten vond niet plaats boven open vuur. Men gebruikte honderden liters schoon zand, dat van ergens anders werd aangevoerd. Op een stellage van hout werd op een isolerende onderlaag van bastmatten het door vuur verhitte zand gelegd. De noten werden vervolgens in het hete zand geroosterd. De wijze van oogsten en verwerken zou je als een vroege vorm van landbouw kunnen betitelen. In ieder geval is gebleken dat de opbrengst van hazelnoten in het Mesolithicum uitsteeg boven de oogsten die boeren in het vroege Neolithicum van de akkers haalden.

Hazelaars groeien vooral als struiken. Boomvormig komen ze bijzonder weinig voor. Vanuit de wortelhals lopen afgezette hazelaars weer uit door de vorming van talrijke recht omhoog groeiende scheuten. In een paar jaar tijd kunnen deze gekapt worden. Hazelaartakken en twijgen zijn in de Midden-Steentijd veel gebruikt, om daarvan het skelet van hutten te bouwen. De lange twijgen konden door hun buigzaamheid zeer goed gebruikt worden om mee te vlechten.

Nog meer hazelaarvoordelen

Hazelaars die gekapt worden, lopen vanuit de wortelhals weer uit met talrijke recht omhoog groeiende scheuten. Deze ontwikkelen zich in een paar jaar tijd tot dunne, meterslange stammetjes. Hoewel het hout van de hazelaar niet erg duurzaam is, is het buigzaam en kunnen takken en twijgen goed gebruikt worden voor vlechtwerk. Voor het maken van hutten en  tijdelijke onderkomens waren ze zeer geschikt. Verder is het hout van hazelaars erg geschikt als brandhout. Het is hard, brandt langzaam, geeft veel warmte af en is volkomen harsvrij.

Naast een basiskamp waar men langere tijd verbleef, zal men afhankelijk van het seizoen voor de jacht ook tijdelijke kampen ingericht hebben, waar men een paar dagen verbleef. Vondsten van pijlpunten, waarvan sommige gebroken zijn en veel afslagsplinters van vuursteen wijzen hier op. In deze tijdelijke onderkomens werden reparaties verricht en nieuwe pijlen en visharpoenen gemaakt.

Vanuit het basiskamp gingen groepjes mannen soms dagen lang in de omgeving op jacht. Op geschikte plaatsen bouwden zij van takken, twijgen en riet tijdelijke onderkomens. Ook maakten zij gebruik van vlechtwerkschermen om ongemerkt op vogels te kunnen jagen.

Opvallend is dat in de basiskampen ten opzichte van deze tijdelijke onderkomens een veel grotere variatie aan werktuigen is gevonden. We moeten hierbij denken aan klingen die als messen dienden, stekers, boortjes, schrabbers en bijlen. Voor het bouwen van hutten moesten takken en dunne boomstammetjes gehakt worden. Dit deed men met kleine afslagbijlen.

Natte plaatsen in het landschap werden vaak bezocht omdat zich hier veel vogels ophielden. Ook kon er goed worden gevist.

Kampementen en tijdelijke verblijven werden vaak ingericht langs beken, rivieren, plassen en ook in de kuststreken. Hier konden niet alleen planten, knollen en vruchten verzameld worden, ook leefden er tal van zoogdieren. Op de vochtige en natte plekken werd op watervogels gejaagd en deed men aan visvangst. Jagen deed men vooral met pijl-en-boog. Ook speervissen deed men op die manier, hoewel ook gebruik gemaakt werd van fuiken en netten.

Bij Bergschenhoek in Zuid-Holland zijn bij opgravingen opmerkelijk goed geconserveerde visfuiken uit het Laat-Mesolithicum tevoorschijn gekomen. De vindplaats werd geïnterpreteerd als een tijdelijk kampement in een merengebied, dat wellicht enkele tientallen jaren in de winter werd gebruikt voor de jacht en visvangst. De fuiken zijn staaltjes van vakmanskunst. Ze werden van twijgen van rode kornoelje en touw van bastvezels gemaakt.

Haardkuilen, koken en roken in de Veenkoloniën

De Groninger Veenkoloniën ontstonden in het begin van de 16e eeuw in de omgeving van Hoogezand en Oude Pekela. In de onafzienbare veengebieden werden vanaf die tijd jaarlijks miljoenen turven gestoken en door heel Nederland verspreid als brandstof voor industrie en huishouden.

Door de industriële wijze waarop de vervening werd aangepakt, verdwenen in de jaren daarna de dikke veenafzettingen in hoog tempo.

Schilderij van een hoogveenontginning uit 1650 bij Wildervank in Oost-Groningen door Jacobus Sibrandi Mancadan.

Hierbij kwam de oorspronkelijke, zachtgolvende zandbodem uit de ijstijd na duizenden jaren weer tevoorschijn, met daarin de overblijfselen en sporen van bewoning door jagers/verzamelaars uit het Mesolithicum.

Het hoogtepunt van de Mesolithische bewoning in de Oost-Groninger Veenkoloniën lag tussen 9600 tot 8500  jaar geleden. Het landschap was in die tijd afwisselend, parkachtig, met open plekken en water. Hier werd op zoogdieren en watervogels gejaagd, eieren gezocht en ook viel er goed te vissen. Eetbare planten, knollen, vruchten en zaden waren voldoende te vinden. Kampementen met hutten of tenten werden bij voorkeur in de buurt van kleine riviertjes of stroompjes opgezet. Kortom, het pre-veenkoloniale landschap vormde in de Middensteentijd voor mens en dier een aantrekkelijke leefomgeving.

Het landschap in de Groninger Veenkoloniën van voor de veenvorming vormde een aantrekkelijk, afwisselend landschap voor Mesolithische jagers/verzamelaars. Aan eetbare planten, knollen en vruchten geen gebrek. Ook kon er op allerlei soorten wild gejaagd worden, eieren geraapt en kon er worden gevist.

Bij Nieuwe Pekela (Gr.) zijn op dekzandruggen en zandkopjes in de loop van de tijd honderden Mesolithische haardkuilen gevonden. Ook in de Wildervanksterdallen, oostelijk van Wildervank in Groningen, zijn er honderden aangetroffen. De kuilen tekenen zich door hun donkere houtskoolrijke vulling duidelijk af tegen het geelachtige dekzand. De haardkuilen markeren verblijfplaatsen van rondtrekkende groepjes jagers/verzamelaars. De haarden zijn in het dekzand ingegraven. Doorgaans zijn ze zo’n halve meter diep, met een doorsnede van 40 tot 80 cm. Gebieden met haardkuilen blijken lange tijd in gebruik te zijn geweest. Op dezelfde locatie werden telkens nieuwe kuilen gegraven, waarbij men er op toe zag oudere haardkuilen niet aan te snijden. Haardkuilen waren gedurende een periode van zo’n tweeduizend jaar in gebruik (7500 tot 5500 v.Chr.).

Waartoe dienden haardkuilen?

Uit experimenten bleek dat in haardkuilen op een bijzonder efficiënte manier vuurtjes konden worden gestookt en onderhouden. In sommige ervan heeft men tussen de houtskoolresten zwerfstenen en vuursteen gevonden. De meeste stenen waren gebarsten of vertoonden een typisch patroon van scheuren, dat aan craquelé doet denken. Dit wijst er op dat de stenen herhaalde malen door vuur verhit zijn. 

De stenen in de kuilen zijn waarschijnlijk gebruikt om water en misschien ook andere vloeistoffen aan de kook te brengen;  mogelijk ook om stukken vlees te roosteren. Nadat keien barsten gingen vertonen bleven ze als afval in de kuilen achter.

In sommige haardkuilen zijn zwerfstenen gevonden die een opvallend patroon van barsten vertonen. De barsten zijn het gevolg van herhaaldelijk verhitten. Het zijn kookstenen die gebruikt werden om vloeistoffen op een snelle, efficiënte manier te verwarmen.

De suggestie wordt gewekt dat de haardkuilen gebruikt zijn voor het bereiden van voedsel, waarvan de ingrediënten misschien in bepaalde seizoenen beschikbaar waren. Misschien heeft men in de haardkuilen vis gerookt, waardoor deze langer houdbaar bleef. Verder is het niet onmogelijk dat men in de kuilen dennenteer maakte. Dit gebruikte men om vuurstenen pijlpunten op pijlschachten te lijmen. Met kleine, in twee rijen op pijlschachten vastgelijmde vuursteensplinters werden vispijlen gemaakt. Verbonden met dun touw kon men hiermee grotere vissen vangen en op de wal trekken. Ook lijkt het dat dennen- en ook berkenpek gebruikt werd voor medicinale doeleinden en zelfs als kauwgum. Het pek heeft een antibacteriële werking.

Dennen- en berkenpek wordt onder gecontroleerde omstandigheden gemaakt van dennenhout en berkenschors, door dit afgesloten van zuurstof te verhitten. Hierbij ontstaat een zwarte, kleverige vloeistof, die bij afkoeling hard wordt. Dennenpek werd gebruikt als lijmstof om vuurstenen pijlpunten aan pijlschachten te bevestigen.

Pek kon gemaakt worden van berkenschors en vooral van hout van grove dennen. Deze laatste bevat veel hars. Bij een lage verhittingstemperatuur (ca. 200-300 0C) onder afsluiting van zuurstof ontstaat uit dennenhout en berkenschors een zwarte, stroperige vloeistof. Na afkoeling wordt het keihard. Dennen- en berkenpek is een uitstekende lijmstof. Neanderthalers waren er al mee bekend. Zwarte pek is op een aantal plaatsen in ons land in ondiepe haardkuilen aangetroffen.

De boomstamkano van Pesse

Talrijke vondsten van werktuigen van hertshoorn en been, zoals spitsen met weerhaken, harpoenpijlen, naalden en vishaken maken duidelijk dat in het Mesolithicum verschillende mogelijkheden benut werden om een gevariëerd, eiwitrijk voedselpakket samen te stellen. Men hield zich vaak op in de omgeving van beken, rivieren, plassen en kreken. Niet alleen vanwege het water, maar ook om er op vogels te jagen en om te vissen.  Dit roept de vraag op of men in die tijd al boten had.

De boomstamkano van Pesse is opgesteld in het Drents Museum in Assen.

In 1955 groef men bij de aanleg van een nieuwe weg tussen Hoogeveen en Eursinge bij Pesse in Drenthe een venige laagte uit. Bij het ontgraven kwamen stukken hout tevoorschijn, waaronder een uitgeholde boomstam. Dat dit een soort kano was, bleek pas later. Bij het afvoeren van de houtresten, rolde de uitgeholde boomstam van de wagen. Een boer die het houten voorwerp langs de kant van de weg ontdekte, meende dat het stuk hout wel eens van archeologisch belang zou kunnen zijn. Nader onderzoek wees uit dat de uitgeholde boomstam mogelijk een boot zou kunnen zijn. Onderzoek wees uit dat het om een boomstamkano ging.

De boomstamkano van Pesse is voor zover bekend het oudste vaartuig ter wereld. Inmiddels zijn op andere plaatsen meer boomstamkano’s opgegraven, maar die van Pesse is en blijft de oudste. De kano is gemaakt uit de stam van een grove den. De stam is uitgehold met vuur en vuurstenen hakken. Foto J.Beuker.

De boomstamkano van Pesse bestaat uit één stuk en is ongeveer drie meter lang. De breedte bedraagt ruim 40 cm. De boot is door het inbranden van vuur en met vuurstenen hakken uit de stam van een grove den gemaakt. De kano vertoont zowel aan de binnen- als de buitenzijde brandsporen. Uit C14-datering blijkt dat de kano tussen 10.200 en 9600 jaar geleden moet zijn gemaakt. Hiermee is de boomstamkano van Pesse het oudste vaartuig ter wereld.

Omdat er twijfels rezen of het wel om een boomstamkano ging en aan het vaarvermogen ervan, heeft men een aantal jaren geleden een replica gemaakt. Sommigen meenden in de uitgeholde boomstam een voertrog voor vee te herkennen. De datering van het hout maakte duidelijk dat het beslist om een vaartuig moest gaan. Komt nog bij dat mensen in het Mesolithicum nog geen vee hielden. Dat men er goed mee kon varen bleek uit de vaarproef in een ven bij Witten bij Assen. De kano die uit de stam van een grove den werd gemaakt bleek op het water voldoende stabiel te zijn. Met peddels kon er goed mee worden gemanoeuvreerd.

Twijfels of met de boomstamkano van Pesse kon worden gevaren, werden weggenomen nadat men van dennenhout een replica maakte, die in een ven bij Witten bij Assen op vaarvermogen werd getest. De test wees uit dat varen met een boomstamkano goed mogelijk was. Het kanoën en het manoeuvreren gaat het beste door op de knieën op de bodem van de boot te peddelen.
Vorig artikelProconsul africanus, distant ancestor of man
Volgend artikelSpanish megaliths on an avocado plantation
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.