029 Door de teruggekeerde ijstijdkou verschenen in de Jonge Dryas weer kudden met rondtrekkende rendieren in ons land.

Zo’n 15.000 jaar geleden liep de ijstijd op zijn eind. Felle kou maakte geleidelijk plaats voor iets mildere omstandigheden, maar warm werd het niet. West-Europa was in die tijd een toendra met uitgestrekte grasvlakten en hier en daar wat struiken en bomen. De zuidelijke Noordzee lag droog en behoorde ook tot het toendragebied. Het was een kaal en bij tijden onherbergzaam gebied. ’s Winters was alles bevroren en overdekt met sneeuw. Alleen ’s zomers trokken groepjes mensen door het landschap. Wie dat waren? Rendierjagers.

Rendierjagers waren nomaden. Ze hadden geen vaste woon- of verblijfplaats. Ze trokken regelmatig van het ene gebied naar het andere. De reden hiervan was dat ze afhankelijk waren van rendieren. Deze dieren waren een van hun belangrijkste voedselbronnen. Op nadering van de winter trokken de rendierkudden naar het zuiden, om in het voorjaar weer naar het noorden te trekken. Rendierjagers volgden deze trekbewegingen. Het waren niet alleen rendieren waardoor mensen in het uitgestrekte gebied rondtrokken. Andere voedselbronnen waren schaars. Daar moest naar gezocht worden. Dit gold ook voor kwalitatief goede vuursteen.

Rendierjagers waren afhankelijk van rendieren. Deze dieren waren hun voornaamste voedselbron, naast planten, knollen en bessen. Rendieren trokken in het voorjaar vanuit hun winterkwartieren naar hun zomergebied, de toendra, waar zij zich verspreiden. In het najaar vormden ze weer groepen en keerden ze weer terug naar hun winterverblijven in de berken/dennenbossen. Rendierjagers uit de Hamburg-cultuur volgden deze trekbewegingen.

Hoe leefden rendierjagers?

Rendierjagers leefden in kegelvormige tenten, die ze maakten van berkenstammetjes en aan elkaar genaaide rendierhuiden. Onderaan waren de tenten verzwaard met zwerfstenen. De tenten leken op de wigwams van Noord-Amerikaanse indianen. Op hun trektochten moesten ze bezittingen, tenthuiden en ander huisraad meenemen. Hierbij dienden tentstokken mogelijk als slede. Het is niet waarschijnlijk dat rendieren al gedomesticeerd waren en als trekdier dienst konden doen.

Voor hun voortbestaan moesten Hamburgjagers de rendieren op hun trektochten volgen. Het moet een hard bestaan zijn geweest, waarbij alle bezittingen gedragen en mogelijk op primitieve sleden getrokken moesten worden.

Rendierjagers vormden kleine groepjes van meestal een paar gezinnen. Het aantal mensen was waarschijnlijk niet groter dan zo’n twintig personen. Het moet een zwaar bestaan zijn geweest, waarbij muggen een niet te onderschatten probleem moeten hebben gevormd. Om van deze plaaggeesten verlost te zijn, zijn de tenten waarschijnlijk op sneeuwvelden opgezet. Van rendieren is een vergelijkbaar patroon bekend. Buiten de graasperioden rusten ze ook bij voorkeur uit op sneeuwvelden. Muggen houden daar niet van.

In voorjaar en zomer zijn er op de toendra veel muggen. Zowel dieren als mensen zullen er veel hinder van hebben ondervonden. Om hiervan verlost te zijn, zoeken rendieren sneeuwvelden op. Daar vliegen veel minder muggen. Rendierjagers zullen hetzelfde hebben gedaan.

Om in leven te blijven beschikten rendierjagers over een goed gevulde gereedschapskist. De werktuigen maakten ze zelf. Dat gold ook voor wapens die gebruikt werden voor de jacht. Speer- en pijlpunten, mesjes, schrabbers en boortjes maakten ze van vuursteen. Vuursteen was echter lang niet overal te vinden. Rendierjagers namen vermoedelijk voorbewerkte vuursteenkernen mee, waar ze, als het nodig was, spanen vanaf sloegen. De afslagen werden verder bewerkt tot pijlpunt, schrabber en dergelijke. Van rendiergeweien en botten werden heften voor messen, naalden, priemen, vishaken en harpoenen gemaakt. Hiervoor gebruikten ze handig vormgegeven krombekstekers van vuursteen, waarmee ze bot en hoorn in de lengterichting effectief konden bewerken. Van pezen en darmen werd een soort naaigaren en touw gemaakt. Rendierhuiden en ander bont werden voor kleding en schoenen gebruikt. Om te overleven waren mensen in die tijd volledig aangewezen op rendieren. Vrijwel alles van deze dieren werd gebruikt.

Kernstuk van vuursteen uit het Laatpaleolithicum. Rendierjagers namen waarschijnlijk voorbewerkte stukken vuursteen mee waar ze naar believen spanen van af konden slaan om die verder te bewerken.
Krombekstekers van vuursteen. Hiermee werden uit stukken been of hoorn naalden en priemen gemaakt.

Rendieren en hun trekgedrag

Vaak wordt gedacht dat rendieren alleen op de toendra leefden. Uit het trekgedrag van rendierkudden in Finland en kariboe’s in Noord-Amerika blijkt toch een genuanceerder beeld. Trekbewegingen van rendieren worden bepaald door de wisseling van seizoenen. In het voorjaar trekken de dieren weg uit hun winterbiotoop naar gebieden waar ze overzomeren. ‘s Winters verblijven rendieren in open berkenbos met hier en daar verspreid voorkomende grove dennen. De trekroute voert hen ieder jaar langs rivieren en bevroren meren noordwaarts. Jonge kalveren worden in maart/april in een landschap met voornamelijk berken op vaste plaatsen geboren. Daar verblijven ze enkele weken tot de jonge dieren sterk en groot genoeg zijn om verder noordwaarts te trekken. Dit vindt halverwege juni plaats. In de zomermaanden verblijven de dieren op de open toendra, waar ze zich verspreiden. Tegen het invallen van de herfst hergroeperen de dieren zich en trekken ze naar dezelfde plaats als waar ze in het voorjaar verbleven. Daar vindt de jaarlijkse bronst plaats. In de late herfst trekken de dieren verder zuidwaarts tot de zone waar grove dennen gemengd met berken en lijsterbessen groeien. Gedurende de winter verspreiden ze zich in dit gebied.

In de winter trokken rendieren naar het berken/dennenbos, waar zij ondanks sneeuw beschutting en voldoende voedsel konden vinden.
In het vroege voorjaar werden tijdens de trek naar de toendra in het open berkenbos op vaste plaatsen kalveren geboren. Daar verbleven de dieren tot ze groot en sterk genoeg waren om de trektocht naar de toendra te ondernemen.
Rendieren brachten de zomer door op de toendra. Trekken doen ze in grote groepen, op de toendra verspreidden de dieren zich.
De toendrabegroeiing bood rendieren in de zomer voldoende gevarieerd voedsel.

Het klimaat in het Laatglaciaal

Het Laatglaciaal was een periode op het eind van de Weichsel-ijstijd met relatief snelle klimaatwisselingen. Warme fasen wisselden af met perioden waarin glaciale omstandigheden de overhand hadden. In het Bölling interstadiaal (-14.700-14.100 jaar geleden) warmde het klimaat voor het eerst flink op. Helaas was dit maar voor een vrij korte periode. Daarna werd het tijdens de Oude Dryas kortstondig weer steenkoud, voordat de warme fase van het Alleröd (-13.900-12.850) begon. De gemiddelde zomertemperatuur in dit interstadiaal was weliswaar iets minder hoog dan die in de Böllingfase, maar scheelde niet zo veel van die van tegenwoordig. Alleen waren de winters fiks kouder. Gemiddeld was het in januari -70C en in juli + 150C. Dit had gevolgen voor de vegetatie. Uit pollenonderzoek is gebleken dat het vegetatiebeeld in Noord-Nederland van oost naar west verschilde. Zowel bij ons als in delen van Noord-Duitsland veranderde het toendralandschap in een open berkenbos met zachte berken, lijsterbessen en ook jeneverbessen.

Tussen 18.000 en 16.000 jaar geleden bereikte het landijs in de Weichsel-ijstijd zijn maximale uitbreiding. Daarna volgde een afwisseling van warme- en koudefasen. In deze tijd migreerden nazaten van de Cro-Magnonmens naar het noorden, waar ze zich ontwikkelden tot rendierjagers.
In het Alleröd (-13.900-12.850 jaar) waren grote delen van Nederland bedekt door bos. In Noord-Nederland was dit een open berkenbos met lijsterbessen en jeneverbessen. Naar het noordwesten, richting Noordzeegebied ging het landschap over in een toendra.

In het Alleröd, toen Hamburgjagers hier nog rondtrokken, bestond de vegetatie in Overijssel, Drenthe en een deel van Friesland uit berkenbos. Grove dennen kwamen niet of in zeer geringe aantallen voor. Deze naaldbomen groeiden wel in het rivierengebied, in het noordwesten van Gelderland en in het gebied van de huidige Flevopolders. In oostelijke richting nam het aantal grove dennen in de bosvegetatie toe. In het Ems/Wesergebied in Duitsland kon je in die tijd spreken van een gemengd dennen/berkenbos, waarin dennen dominant aanwezig waren. In Twente, Drenthe en Friesland bestond het bos voornamelijk uit berken met lijsterbessen en hier en daar jeneverbesstruwelen. Westelijker en noordwestelijker in Friesland en zo verder het Noordzeegebied in, was het landschap een toendra.

Samenstelling van het bos tijdens de 2e helft van het Alleröd (naar Archeoweb, J.G.van Noort)
In het vroege Laatglaciaal trok het landijs zich geleidelijk terug. De zuidelijke Noordzee lag door de lage zeespiegel nog droog. Het landschap veranderde geleidelijk van een kale steppetoendra in een struikentoendra. Hier vonden rendieren in de zomer voldoende voedsel.
In de zuidelijke Noordzee groeiden op de toendra verspreid dennen en sparren, zachte berken, lijsterbessen en ook jeneverbessen. Daartussen kwamen plekken voor met rendiermos, veenmos en allerlei lage struiken, waaronder dwergberg en dwergwilg.

Het trekgedrag van rendierkudden in het Laatglaciaal zal niet wezenlijk verschild hebben van die van tegenwoordig. We mogen er van uit gaan dat de winterkwartieren van deze dieren en ook die van de Hamburgjagers in Duitsland tussen de rivieren de Ems en de Wezer in Duitsland lagen. In het voorjaar verbleven ze westelijker en noordelijker in het berkenbos en in de zomer leefden ze op de toendra. Het vegetatiebeeld maakt duidelijk dat in het eerste deel van het Alleröd in ons land geen noord-zuid gerichte trek van rendieren plaats vond, maar een die meer van oost naar (noord)west verliep en weer terug.

De Hamburg-cultuur

De Hamburg-cultuur bestaat uit enkele verwante culturen in het Laatpaleolithicum (15.000-12.000 jaar geleden). Sporen ervan zijn behalve in Noord-Nederland ook gevonden in Noord-Duitsland, Denemarken en in het noorden van Polen. Deze cultuur dankt zijn naam aan vindplaatsen bij Ahrensburg, oostelijk van Hamburg, die in de jaren 20-30 van de vorige eeuw ontdekt zijn door de hobbyarcheoloog Alfred Rust.

Hamburgjagers beslopen in het Laatglaciaal groepen rendieren om ze zo dicht mogelijk te benaderen. Met werpsperen die een grotere afstand effectief konden overbruggen probeerde men dieren te verschalken. Tot 20 meter afstand waren deze speren dodelijk.

In Nederland zijn van de Hamburg-cultuur meer dan honderd vindplaatsen ontdekt, waarvan alleen al vele tientallen in Drenthe en Friesland. De belangrijkste zijn die van Havelte, Vledder, Diever en Oosterhesselen. In Friesland zijn vooral bij Oldeholtwolde, Ureterp en Makkinga belangrijke ontdekkingen gedaan. In de opgraving bij Vledder zijn naast talrijke vuurstenen artefacten ook een paar stukken barnsteen en oker gevonden.

Binnen de Hamburg-cultuur onderscheidt men vier cultuurgroepen die tradities genoemd worden.

a)  Hamburg-traditie

b)  Creswell-traditie

c)  Federmesser-traditie

d)  Ahrensburg-traditie

Al deze tradities zijn gebaseerd op een vorm van vuursteenbewerking die een patroon oplevert van gelijksoortige artefacten.

In de jaren dertig van de vorige eeuw vond de Friese hobbyarcheoloog Popping in het gebied van de Tjonger, bij het Lochtenrek tussen Oosterwolde en Makkinga, een groot aantal Laatpaleolithische vuurstenen artefacten uit de Hamburg-cultuur. Een deel van het terrein is thans een archeologisch monument.

Hamburg-traditie

De Hamburg-traditie (ca. 12.700-11.900 v.Chr.) is de eerste Laatpaleolithische cultuur in onze streken na een lange periode van extreme kou tijdens het Pleniglaciaal. Mensen van de Hamburg-traditie kwamen voor in Schotland, Zuid-Denemarken, Polen, Duitsland en in ons land. In die tijd lag de Noordzeebodem nog droog. Rendieren trokken ook door het Noordzeegebied en konden zo Engeland en Schotland bereiken. Het landschap waarin de rendierjagers zich bewogen, was in het wisselende klimaat van het Laatglaciaal voornamelijk een uitgestrekte toendra, afgewisseld met deels open berkenbossen en jeneverbessen.

De jagers volgden de seizoensmatige trekbewegingen van de rendieren. Vermoedelijk zijn de opgegraven kampementen bij Hamburg te beschouwen als zomerverblijven. In het koude jaargetijde trokken ze naar het zuiden, naar plaatsen waar het klimaat iets milder was en berken/dennenbossen beschutting gaven. 

Krombekstekers werden gebruikt bij het bewerken van bot en hoorn, Hamburg-traditie.
Boortje om gaatjes in huiden te maken, Hamburg-traditie.
Een pijlpunt, Hamburg-traditie.

Op vindplaatsen bij Hamburg in Duitsland werden behalve veel vuurstenen werktuigen als kerfspitsen, stekers, krombekstekers, boren, schrabbers en geretoucheerde klingen, ook werktuigen van gewei en been gevonden, zoals harpoenpunten, naalden en pijlpunten. Deze werktuigen zullen voor verschillende doeleinden gebruikt zijn, waaronder het prepareren en het aan elkaar naaien van rendierhuiden. Met vuurstenen priemen, boren, stekers en schrabbers werd huiden, been en gewei bewerkt.

Bij Oldeholtwolde in Friesland kwamen bij de opgraving van een kampement van rendierjagers van de Hamburg-traditie platte zwerfstenen van zandsteen te voorschijn. Het vermoeden is dat dit haardstenen zijn, die heet gestookt gebruikt werden om stukken vlees op te garen.

De bekendste vindplaats van de Hamburg-traditie ligt bij Oldeholtwolde in Friesland. Naast een grote hoeveelheid afslagen zijn binnen het ongeveer zes meter grote kampement veel vuurstenen werktuigen gevonden, die nodig waren om rendierhuiden te bewerken. Ook vond men een vuurhaard met zwerfstenen, waaronder een relatief groot aantal platte zandstenen. Experimenten hebben aannemelijk gemaakt dat de platte stenen mogelijk gebruikt zijn voor het grillen van vlees.

Creswell-traditie

Deze traditie in het Laatglaciaal zal hier verder niet worden besproken. Veel is nog onduidelijk. Door sommige archeologen wordt zelfs betwijfeld of deze kortdurende traditie wel recht van bestaan heeft.

Federmesser-traditie

In het betrekkelijk warme Alleröd (-13.900-12.850 jaar) verbleven behalve Hamburgjagers op een later tijdstip hier ook mensen die tot de Federmesser-traditie behoorden. Deze cultuur komen we in Europa tegen van Engeland tot in Oost-Europa en van Denemarken tot de Alpen en Zuid-Frankrijk. De Federmesser-traditie duurde van 11.600 tot 10.700 v.Chr. Eerder stond deze cultuur bekend als Tjonger-cultuur. De gemeenschap bestond uit kleine groepjes jagers/verzamelaars. Ze jaagden echter niet op rendieren zoals mensen uit de Hamburg-traditie. Het heeft er alle schijn van dat door de stijgende temperatuur in het Alleröd rendierjagers van de Hamburg-traditie verder naar het noorden zijn getrokken. De rendieren achterna. Het open gevallen leefgebied in onze streken zou daarna bevolkt zijn geraakt door mensen van de Federmesser-traditie.

Federmessermensen kenden pijl en boog. Hun wijze van jagen was anders dan Hamburgjagers. Deze beslopen hun prooi. In enkele gevallen droegen zij een rendiergewei op hun hoofd om de rendieren te misleiden. Federmesserjagers dreven de rendieren op, waarna zij met pijl-en-boog meer dieren konden bemachtigen dan met een werpspeer mogelijk was.

De Federmessermensen jaagden vooral op edelherten, elanden, oeros, wild zwijn en kleinwild. Ook werd op vogels, waaronder watervogels, gejaagd. Met het vangen van zoetwatervis vulden ze hun menu aan. Op plantaardig gebied zullen ze zeker bepaalde planten, knollen, zaden en bessen gegeten hebben.

De Federmesser-traditie wordt in bijna heel Nederland aangetroffen. Er zijn vele honderden vindplaatsen bekend, waaronder talrijke in de Veenkoloniën van Groningen en Drenthe. De vuurstenen werktuigen die deze mensen nalieten zijn karakteristiek van vorm. Deze Tjonger-spitsen zijn pijlspitsen van goede vuursteen. Ze hebben een gebogen, fijn geretoucheerde rand. Als het gaat om de vorm dan doen de spitsen denken aan een pennenmesje (=Federmesser). Verder maakte men allerlei schrabbers van vuursteen, pijlschachtpolijsters, boortjes en stekers. Vuursteen werd onder meer bewerkt met klopstenen. Deze worden ook vaak tussen de vuursteenafslagen gevonden.

Federmesser pijlpunten.

Federmesser schrabber.
Federmesser schrabber van rode Helgolandvuursteen.
Federmesser vuurstenen mes.

Opmerkelijk is de goede kwaliteit van de vuursteen. Dit geldt ook voor die uit de eerdere tradities. Vermoedelijk is een deel van de vuursteen afkomstig uit het Noordzeegebied dat in die tijd nog grotendeels droog lag. Op de hogere zandgronden was vuursteen door verwering vaak van slechte kwaliteit. Een mogelijkheid is dat doelbewust vuursteen verzameld werd in keileemafzettingen die aan de oppervlakte lagen. Een andere mogelijkheid is dat men zwerfstenen van vuursteen langs de oevers van rivieren in het Noordzeegebied verzamelde, die door het rivierwater uit steiloevers en kliffen gespoeld waren.

Stootoevers langs buitenbochten van rivieren in het Noordzeegebied zouden op sommige plaatsen een bron kunnen zijn geweest van vuursteen. Het is opmerkelijk dat vuurstenen artefacten uit het Laatpaleolithicum van een kwalitatief goed en glazig type vuursteen zijn gemaakt. Vuursteen dat in de hoger gelegen zandgebieden aan of nabij het oppervlak gevonden wordt, toont heel vaak vorstschade.

Ahrensburg-traditie

In tegenstelling tot de mensen van de Federmesser-traditie, waren de Ahrensburgmensen rendierjagers. Toen het klimaat in de Jonge Dryas (12.700 – 11.560 jaar geleden) drastisch verslechterde, verdwenen ook de Federmesserjagers uit ons land. Mensen van de Ahrensburg-traditie hadden een andere cultuur en danken hun naam aan de vindplaats Ahrensburg, noordoostelijk van Hamburg in Duitsland. Men dateert deze traditie tussen 10.900 – 8900 v.Chr. Dit betekent dat deze cultuur ook nog in een deel van het Preboreaal (Holoceen) aanwezig was.

De stevige kou in de Jonge Dryas dwong de Federmesserjagers naar het zuiden, waar de omstandigheden milder waren. In hun plaats verschenen rendierjagers weer in ons land. Ze behoorden tot de Ahrensburg-traditie. Ook de rendierkudden keerden terug. Ze werden bejaagd met speer en pijl-en-boog.
Gereconstrueerd beeld van een kampement van Ahrensburgjagers.

Door de kou in de Jonge Dryas keerden de rendierkudden weer terug in onze contreien. Hierop werd jacht gemaakt. Hoewel jagers/verzamelaars van de Hamburg-traditie bij het jagen op rendieren gebruik maakten van speer en speerwerper, jaagden de Ahrensburg-mensen anders. In plaats van de langstrekkende dieren te besluipen, organiseerden ze drijfjachten, waarbij met pijl-en-boog een rijkere buit binnengehaald kon worden. Daarnaast werd waarschijnlijk ook op vossen, hazen en mogelijk ook op wolven gejaagd.

Door de teruggekeerde ijstijdkou verschenen in de Jonge Dryas weer kudden met rondtrekkende rendieren in ons land.
Verspreidingsgebied van de Ahrensburg-traditie in Noordwest-Europa.

De vuurstenen werktuigen uit de Ahrensburg-traditie worden vooral gekenmerkt door kleine gesteelde pijlspitsen, stekers en schrabbers. Ook werden van hout, bot en gewei allerlei gebruiksvoorwerpen vervaardigd.

Uit vondsten blijkt dat de Ahrensburgjagers voorkwamen in Schotland, Engeland, Noordwest-Frankrijk, België en het westen van Duitsland. In ons land zijn op zo’n tien plaatsen overblijfselen van deze traditie gevonden, onder meer in Friesland in de omgeving van Bergum en Oudehaske. Bijzonder was de ontdekking van een kampement van Ahrensburgjagers in de wijk Kloosterakker in het westen van Assen. Het is in Drenthe het eerste bewijs dat Ahrensburgjagers hier een kampement hadden. Bij het bouwrijp maken van het terrein werden klingen en pijlpunten van vuursteen gevonden. Klingen werden gebruikt als messen. Het kampement van deze rendierjagers lag vlak bij een pingoruïne.

In de wijk Kloosterveen in Assen werden vondsten gedaan van Ahrensburgjagers. Ze bewijzen dat deze rendierjagers hier een kampement hadden.
Klingen van grijze vuursteen uit de Ahrensburg-traditie, die gevonden zijn in de wijk Kloosterakker in het westen van Assen.

Opvallend zijn de grote vuurstenen klingen en steelspitsen die men heeft achtergelaten. De kou tijdens de Jonge Dryas was soms zo intens dat de mensen zich terugtrokken naar het zuiden van ons land, in België, en in Westfalen en het Rijnland in Duitsland.

De Jonge Dryas eindigde vrij plotseling, waarbij de gemiddelde temperatuur binnen enkele tientallen jaren met zo’n 11 graden steeg. Hierna begon het warmere Holoceen, de periode waarin wij nog steeds leven. In het Holoceen zien we ook een nieuwe cultuur verschijnen, die van het Mesolithicum.

Vorig artikelNieuwe route op het Hijkerveld – ‘Karrensporenpad’
Volgend artikelLezing archeoastronomie – zo boven, zo beneden, 20 november
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.