Albert Metselaar

In ieder mensenleven komen ze voor: rampen. Dat zal in de prehistorie niet anders geweest zijn. Van een mislukte oogst tot een naaste die overlijdt. Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten. Een ramp kent vele verschijningsvormen. Schrijver en historicus Albert Metselaar heeft voor ons 5 verhalen geschreven over potentiële rampen en veerkracht in de prehistorie.

Titel: Veerkracht in de prehistorie: DE OEROSJACHT EN DE VOLWASSEN KRIJGERS

Luister naar het leven van de eerste boeren in Drenthe. De oerosjacht was nog altijd van belang om te overleven. Het was namelijk een grote bron van voedsel, de rondtrekkende oeros… maar of de ossen ook dit jaar komen?

Op de hogere gebieden van een landschap, dat ooit Drenthe zal gaan heten, staan de hoeves van de eerste vaste bewoners. Van jagers en verzamelaars met een rondtrekkend bestaan, zijn ze boeren geworden. Boeren, die ook nog steeds jagen en verza-melen. Vruchten, wortels, kruiden, vezelrijke planten om touw en kleding van te maken, alles wat ze kunnen gebruiken wordt bij elkaar gebracht. Van de klei aan de oevers van de stroompjes maken ze grote en kleine bekers, Ze hebben een trechtervorm. Maar dat woord kennen ze nog niet. De jacht is niet altijd zo groots en spannend als wel wordt verteld. Netten uitzetten in de riviertjes, strikken in het bos, je hoeft er niet naar om te kijken, en tussentijds ben je bezig op de akkers, of met de dieren op de boerderijen. Schapen, koeien, paarden, varkens, het loopt er rond. Nee, de échte dikke verhalen, die gaan over iets veel spec-taculairders: de jacht op de oeros.

Het landschap is altijd verschillend. Sprankelende beken, die uit kunnen groeien tot riviertjes als het regenseizoen begint, en zelfs ver buiten hun oevers kunnen treden. Daar omheen de bossen. Grote, dikke bomen, met jonge uitgroei ernaast. Het gaat op de zandvlakten en stuifzanden over in grove dennen. Er zijn hele stukken grasland tussen de bossen. Het voedzame gras trekt de oerossen aan. Van ver weg komen ze. Zo ver weg, dat niemand weet waar ze vandaan komen en waarheen ze gaan. Ze komen, dat lijkt zeker. Je hoort ze al in de verte loeien als het zover is. En dan gaat het gebeuren……

Dat is iets wat altijd veel vertier met zich meebrengt, de jacht op die oeros. En het is zo nodig….. Vlees, huiden, hoorn, pezen, botten, hoeven, alles kan gebruikt worden. Er trekt zo nu en dan een kleine kudde voorbij. Soms is die kudde groter en een enkele keer komt hij zelfs tussen de gewassen. Dat is dan een ramp, want ze maken nogal wat kapot, maar meestal is het een zegen. Iedere zomer zijn er wel enkele jachtpartijen. De mannen en de sterke jonge vrouwen van de familie treffen al op tijd voorberei-dingen. Niet iedereen blaast even soepel op een roephoorn. Dat wordt voor de jongeren weer oefenen. Ja, wie in de winter, rond de kortste dag, om de geesten van de voorouders op een afstand te houden, op een hoorn heeft geblazen, die kan het al wel een beetje. Blazen op een hoorn werkt als een lokmiddel. Een stier van de oerossen denkt: daar staat een ander mannetje te loeien. Die wil naar mijn vrouwen. Waar ben je? En hij komt in je richting. Wat de koeien zelf denken, tja, zou het zijn dat ze een ander mannetje ook wel aanlokkelijk vinden? Of denken ze aan een nieuwe vriendin om lekker mee te grazen? Soms komt een hele kudde je kant op. Dus je blaast, en je blaast…..

Je mag natuurlijk niet teveel opvallen en je kunt niet altijd blazen op veilige afstand, in het bos. Als ze tussen het hoge gras op een vlakte staan, dan zal je ze naar dat bos toe moeten lokken. Je zorgt dan dat je uit de wind staat, verscholen achter een groot schild. Dat schild maak je van wilgentenen en overtrekt het met een huid van een kalf of een halve huid van een heel rund. Dan heb je meteen ook de goeie geur eraan zitten. Je zit achter dat schild, blaast, blaast, klagelijk, net zoals een rund kan loeien. Dan beweeg je jezelf in de richting van het bos, zodat ze je zullen volgen. Een enkele keer gaat het mis. Dan moet je hard lopen, of je wordt gespiesd door een stier. En ook dat gebeurt een heel enkele keer. Zo is Uruz de leider van de familie geworden, om-dat de eigenlijke opvolger werd gespiesd. Maar men laat zich niet afschrikken. Jonge mannen en jonge vrouwen, die hun moed wil-len bewijzen, staan elkaar te verdringen om de runderen uit te dagen.

Willen ze niet direct met je mee komen, dan is het nodig om ze te treiteren. De familie maakt traditionele werpsperen, geleerd van de vele generaties voor hen. Speren van essenhout met een slanke ronde punt, gehard in het vuur, of met een punt gemaakt van het gewei van een hert. Als het nodig is, als ze dus niet vol-gen op de klank van de hoorn, dan probeer je achter het schild op werpafstand te komen en gooi je met je werpspies naar de stier of een koe. Alles wat maar in de buurt komt. Dat zou je na-tuurlijk ook kunnen doen met werpsperen met mooie vuurstenen punten. Maar die punten zijn zo kostbaar, als je ze ruilt voor wat anders, of zo lastig te maken, je wilt niet dat de oeros er met jouw speerpunt in zijn huid vandoor gaat. Dan ben je wat kwijt, wat je niet zomaar vervangt. Dan kan hij er beter vandoor gaan met een ouderwetse werpspies in zijn huid. Doden kun je hem toch niet op zo’n afstand. Dat doen we anders.

De bedoeling is namelijk dat de stier of een koe, of enkele koei-en, met je mee gaan naar het bos, goedschiks (vriendelijk gelokt met de klank van de hoorn) of kwaadschiks (boos omdat je hen gooit met een spies). Je lokt ze dan mee naar een stuk bos waar het wat dichter is, en zorgt ervoor dat je ze in een soort trechter van gevlochten boompjes, takken, wilgentenen en struiken lokt. Als het beest doorkrijgt dat het geen kant meer op kan, dan is het te laat. Dan komen de andere jagers achter hun schilden en ach-ter de struiken vandaan. Van korte afstand worden de speren in het dier gegooid, of je steekt met een lans naar het hart van het beest. Pas wel op, alle gaten in de huid moet je weer repareren. Steek alleen als je zeker bent, en zeker bent van een dodelijk geplaatste stoot. Ach, als er toch een gat teveel in de huid komt, we naaien het wel weer dicht. Het hele jachtgebeuren brengt ge-zonde spanning met zich mee. Vooraf zitten de mannen te zingen en grote verhalen te vertellen bij elkaar bij het vuur. Tijdens de jacht moet iedereen stil zijn, want het beest mag niet weten wat er allemaal gebeurt. Ziet het teveel mensen, dan is het weg. Je staart naar degene die blaast of werpt en lokt. En dan, dan in-eens barst alles uit in geschreeuw, gesteek en gegooi. Wat een hels kabaal en wat een plezier……

Eén of twee oerossen, dat is wat het meestal per keer oplevert. De kudde komt per jaar twee of drie keer voorbij. Zo hou je het vlees goed. Je moet ook niet teveel van die beesten slachten, want dan loop je de kans dat de kudde te klein wordt en dan heb je voor de toekomst geen vlees, huiden en de rest. De runderen worden het bos uit gesleept, bijvoorbeeld naar de zandverstuiving ernaast, zodat iedereen goed overzicht heeft, en dan ter plekke geslacht. Het vlees wordt in grote delen meegenomen, hangend aan jonge bomen, die de jagers over de schouders dragen. Thuis wordt het in kleinere stukken gesneden en begint het drogen en roken. De huiden worden gelooid en op ramen gespannen om te drogen. Dan worden ook de voorouders bedankt voor hun steun. Er worden bekers met voedsel in een hunebed gezet.

Geveld en naar een plek direct buiten het bos gesleept. Zo kan er eerlijk worden gedeeld.

Als het beest al wat dagen dood is, kan men de hoorns van de hoornpitten draaien. Vaak helpt het om alvast een gaatje in de hoorn te maken, dat later als blaasgat wordt gebruikt, of om de punt er al af te halen, waardoor dan op het eind van de hoorn geblazen kan worden. Doordat de hoorn zo ook van binnenuit kan drogen, komen de vliezen rondom de hoornpit makkelijker los. Tenminste, als je ze wilt gebruiken om op te blazen. Doe je dat, dan worden ze soms ook mooi versierd. Maak de hoorn warm, in een grote schaal of in een trechterbeker, en je kunt er figuren op maken. Krassen met een scherp stuk vuursteen werkt ook. Krassen, krassen, tot er groeven zijn, maar niet te diep. Je mag geen gaten in de hoorn maken. Hoornbewerking is iets voor de lange winteravonden. Met hele mooie resultaten. Ga je er niet op blazen, dan kunt je er mooie kammen, lepels en andere din-gen van maken. Ook iets voor de winteravonden.

Dan is het feest, als het werk achter de rug is. Met stokken van gedroogd hout van verschillende diktes en uiteenlopende boom-soorten worden klanken opgeroepen door ze ritmisch tegen el-kaar te slaan. Een op een rond raam gespannen geitenvel geeft een mooie donkere drumtoon. Kleine steentjes of noten in een aardewerken beker, klinken als ruisende bomen. Enkelen hebben fluiten van been of riet. De zang, ritmisch, de woorden die over-genomen worden door andere hoorders, ze voegen er eigen woorden aan toe. Zo vertellen ze de grote daden van de krijgers, van de jongens en de meiden die nu mannen en vrouwen zijn ge-worden. De krachten van de wind, van de oeros, van de zon, van de regen, al die krachten worden benoemd, bedankt, geprezen. In deze begeesterde wereld zit overal leven, dat het nodig vindt om genoemd, bedankt en geprezen te worden, opdat het zich niet tegen je keert.

Natuurlijk hoeven ze het niet alleen te hebben van de oerosssen. In de beken staan netten, daar hoef je maar één keer per dag langs te gaan en je haalt er wat dikke vissen uit. Dan loop je ook de strikken en vallen bij langs, en kijk eens met wat voor mooi wild je weer thuis komt. De kruiden die overal vanzelf groeien worden verzameld om de spijs op smaak te maken. Het zout komt uit het noorden. Daarvoor heb je weer ruilmiddelen nodig. Maar dan heb je ook wat. Behalve zout komen ze zo ook aan heerlijk zeehondenbont. Alle leden van de familiegroep, vrijen en onvrijen, leren alle technieken om te jagen, te vissen en de vallen te zetten, want iedereen is even belangrijk. Het water loopt je al om de mond als je denkt aan het feestje op de avond aan het eind van de jacht, als enkele malse delen van de oeros worden geroosterd. Eerst maar zorgen dat er wat te slachten valt. Om de beurt lopen er vrije mannen door de bossen en op de vlaktes, bij de riviertjes en tussen de bossen om uit te zien naar de kuddes. Ja, je moet de onvrijen niet in de verleiding brengen, dus die blij-ven daarbij thuis. Het is die zomer al tweemaal heel mooi gelo-pen. De familiegroep is rijk gezegend. Als ze nog een paar oeros-sen kunnen slachten, is er ook weer vlees en extra handel om te ruilen.

Als ze nou eens niet zouden komen, de oerossen? Als er in de natte tijd een rivier wordt verlegd, waardoor er nieuwe landverbin-dingen ontstaan of oude afgesloten; als de bliksem inslaat en hele stukken droog weideland in brand staan; als een zee met verwoestend water over een landschap rolt en het zoute water dood land achterlaat, als het zich terugtrekt. Of als mensen een hele kudde klem zetten en alles doden wat ze doden kunnen. Ja, dan, dan komt de kudde niet meer. De ouden weten ervan te vertellen. Hoe ze een heel seizoen stonden te wachten, hoe hun verkenners alleen maar verhalen hoorden, maar niks van de kudde in zicht kwam. De ouden weten te vertellen, over het gemis van het vlees, de huiden, de botten, het vet, het alles…. Over de honger, omdat ze niet voldoende vingen op een andere manier, maar wel kostbaar voedsel moesten ruilen. Mensen verzwakten. Ziektes sloegen toe. Koortsziekten maakten in de winter meer slachtoffers dan ooit tevoren.

Het kon zover komen, dat de hoeven verlaten moesten worden. Elders, ver weg, daar trokken nog wel kudden langs. De hele ge-meenschap verplaatste zich naar dat ‘elders’. Zo waren ze ook gekomen op de huidige plaats. Met het zaad van de oogst, bedoeld voor de nieuwe akkers, uit de mond gespaard van de hongerlijdenden, konden ze hier een nieuw begin maken. Het be-gon met hutten van kromgetrokken boompjes en rieten daken er-op. Het werden weer nieuwe hoeven. Bos werd gerooid of ver-brand en akkers werden ingezaaid. Veel ouderen en gehandicap-ten van de stam konden niet mee. Ze waren achtergelaten. De trekkende oerossen, ze waren een zaak van leven of dood.

“Dat is nou echt oudemannenpraat! Wat een flauwekul zeg, zover laten we het toch niet komen?” Een van de jongere vrouwen heeft het allemaal aangehoord en gooit bij wijze van spreken de knuppel in het varkenshok. “Als de oerossen niet meer komen, moeten we gewoon zorgen dat we wat meer fokken met de koei-en, er zijn varkens genoeg in het bos, we zetten meer vallen voor de grote herten, kortom, we gebruiken ons verstand en we lossen het op op een volwassen manier. Natuurlijk gaan we niet vertrek-ken! En wie zegt dat we hier ook zo gekomen zijn, omdat de oer-ossen niet meer langskwamen? Wie van ons weet nog precies hoe dat gegaan is toen?” Ze kijkt de oudere mannen aan. Ze zwijgen. Het is een pijnlijke stilte.

Dan klinkt een hoornsignaal. Drie korte stoten achter elkaar. Een teken van gevaar. Gevaarlijk zijn ze, de oerossen. De drie stoten worden gevolgd door een lange klank, net zo lang als de drie korte stoten. Dat klinkt als het loeien van een rund. Dit teken, daar hebben ze op zitten te wachten. Wie het hoort, pakt zijn eigen hoorn, en blaast het verder. Die dag begint het. De mensen komen bij elkaar op de afgesproken plaats. De vangmatten en van dun hout opgebouwde wanden in het bos zijn al lang geïn-specteerd. De rollen zijn verdeeld. De jongeren gaan het veld in. Vandaag bewijzen ze dat ze mannen en volwassen vrouwen zijn. Hun moed, hun verhalen, die worden nog eeuwenlang verteld. De oeros heeft niks meer te vertellen. Die avond liggen er drie op de rand van bos en veld. De huid wordt netjes verwijderd. De rest? Ze worden in stukken verdeeld over de hoeves. Dit is weer een goed jaar.

Een stukje oude huid wordt nat gemaakt en met vezeltouw over een grote trechterbeker gespannen. Als een vrouw wat oefent op deze aardewerken trommel, pakt een ander het op een rond raam gespannen geitenvel. We horen een heldere hoge klank en een mooie donkere drum-toon. De houtjes klappen weer op el-kaar. De eerste zang wordt ingezet. Het is een lied als dank, voor de geesten van de oerossen. Zo zullen hun geesten hen niet be-lagen, en mogen ze genieten van alles wat de dieren hen leve-ren. De krijgers van die dag, de volwassen geworden jongelin-gen, gisteren nog jongens en meisjes, ze dansen rond het vuur…

De jacht ging door. Ook in de bronstijd. Onze volgende stap.

Dit verhaal is ook te beluisteren als podcast. Als Je Wereld Lijkt In Te Storten – 2. De Oerosjacht en de Volwassen Krijgers – Hunebednieuwscafé | Podcast op Spotify

Vorig artikelVeerkracht in de prehistorie – Verhalen over rampzalige gebeurtenissen – Deel 1 De kano en de grote tocht.
Volgend artikelDe Mesolithische gereedschapskist en zwerfstenen – Deel 14

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.