Albert Metselaar

In ieder mensenleven komen ze voor: rampen. Dat zal in de prehistorie niet anders geweest zijn. Van een mislukte oogst tot een naaste die overlijdt. Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten. Een ramp kent vele verschijningsvormen. Schrijver en historicus Albert Metselaar heeft voor ons 5 verhalen geschreven over potentiële rampen en veerkracht in de prehistorie.

Titel: Veerkracht in de prehistorie: De kano en de grote tocht

Luister naar het leven van een jager-verzamelaar, 10.000 jaar geleden. Het leven van een familie waar een boomstamkano onmisbaar is.

De bedompte lucht van het veen en de rook van het vuur mengen zich in de hut, tot een voor de bewoners vertrouwd aroma. Zo ruikt het leven, hier, bij de stroom, aan de rand van het moeras. Hoe anders is het verderop, bij de bossen, in het veld achter het bos of bij het grote zoute water. De mensen kennen ze allemaal, de geuren, de winden, het wild, de wortels en de knollen die ze er vinden. Dan weer zijn ze een tijdje hier, dan weer daar. Hoe dat hier en dat daar ook maar heet, dat doet er niet toe. De wereld is één groot doortrekgebied, zolang de winter hen niet dwingt om ergens op een hogere, veilige, vaste plek te blijven.

Vier manen geleden woonden ze nog vele dagen lopen ver weg, ergens in het oosten. Aan de rand van een groot en veilig bosgebied vangen ze samen de kou op, beschermen ze zich tegen wolven, eten ze wat het bos en de bevroren venen en meren hen nog kan brengen. Daar worden de feesten gevierd. Daar worden de verbonden gesloten door een man en een vrouw bij elkaar te brengen, jonge mensen, die het voorjaar erna samen uittrekken met de rest van een familie. Daar vinden de mensen nieuwe partners – als ze dat willen – en als hun oude partner in het seizoen daarvoor is overleden. Voor de kinderen worden het nieuwe vaders en moeders.

Dan, in het voorjaar, gaan de families op weg. De sterken dragen stokken over hun schouders, die als sleden achter hen aan slepen, met daarop alles wat van belang is om mee te nemen. De andere gezonden dragen op hun rug wat nodig is. Wat je niet kunt meenemen, is niet van belang. Zo gauw je sterk genoeg bent, help je mee. Onderweg vind je de hutten van het vorige jaar of het jaar daarvoor. Daar kun je eventueel een dag of wat blijven, om uit te rusten, om voedsel te verzamelen waarmee men verder kan. Niet overal zijn hutten. Soms slapen ze gewoon bij het vuur, in de open lucht, men is eraan gewend.

Je loopt vanaf de hoogvlakte, gewoon naar waar de zon ondergaat. Dan volg je een rivier. En bij een paar oude bomen, die iedereen leert kennen die meeloopt, ga je naar het noorden. Er is een pad door het veen. Dan kom je uit in een droomwereld. Planten, kruiden, wortels, stengels, bladeren, klei om potten van te maken, vuursteen voor je messen en wapens, vezelrijke planten voor je netten, draden om mee te naaien, om mee te weven. Vis, vogels, zwijnen, meer dan te noemen is, en bomen genoeg om hutten te bouwen, of het belangrijkste wat je nodig hebt: de bogen, pijlen, lansen. En één van die grote zegeningen om mee te werken: een boomstamkano. Want die heb je wel nodig in dat gebied. Naast de grote bossen begint een drassig gebied met stroompjes, meertjes, en vooral: vissen, watervogels, eieren…….. Het riet dat overal wel langs de oevers staat, zorgt voor waterdichte daken. De gerolde pluimen van sommige lange ronde rietstengels, vaak meer dan een vinger dik, zorgen voor droog pluis, om vuur te maken.

Het is een koude, natte nazomerdag. De hut bij de stroom vult zich met de geur van een geroosterde vis. Een oude grijze man stopt droog gras in de huiden die zijn voeten beschermen. Het houdt hem warm. Zijn hertenleren broek is even vet als zijn handen. Het houdt beide soepel. De tuniek van vervlochten brandneteldraden is op de schouders bedekt door een flinke varkenshuid, waterdicht, en een tweede tuniek van inmiddels onherkenbaar materiaal. Het is zo oud als zijn gebruiker, lijkt het, en zo vaak versteld dat er voor iedere zomer dat hij al leeft wel een stuk in is gezet, maar functioneel als de oude jager en verzamelaar zelf.

Een muts van schapenleer bedekt zijn hoofd, zodat de grens tussen muts en haar even ongemerkt in elkaar overgaat als die van veen en land. Om zijn hals hangt een grote berentand tussen twee bruine kralen. Ze zijn gemaakt van barnsteen. Een kostbare stof, gevonden op het strand, geschenk van de geesten van de zee. De tand komt uit de beer, die hij in zijn jonge jaren met een flinke lans van gedroogd essenhout en een slanke in het vuur verharde punt wist te doden. Met de tand is de kracht van de beer op hem overgegaan. Vroeger. Was hij nog maar zo sterk. Nu heeft hij vast nog wel de slimme geest van die beer. Hij kijkt uit over de door nevels begrensde ruimte voor zich. Hij groet zijn beide kinderen en hun partners, haalt een aai over het hoofd van een van de kleinkinderen, en stapt naar buiten. Het jochie staart hem na……     

                         Een eenvoudig kampement, onderweg, en een stevige hut voor langduriger verblijf, bij het jachtgebied.

“Mag ik mee?”, vraagt een jongen, met verlangende ogen en een open, sproetige blik. Hij wil graag, maar is eigenlijk nog te jong om het veen in te trekken. Ach, wat doe je, hij moet het toch leren. Gisteren is zijn grotere zus mee geweest. Die krijgt het ook al onder de knie. Vallen en strikken maken, eieren uit nesten halen, vissen spiesen, fuiken laten verzinken en leeghalen.  Dat is wat zo’n dagelijkse tocht over water en planten op kan leveren, voor wie de kneepjes van de jacht en de visserij heeft leren kennen. Er zijn niet zoveel woorden nodig. Iedere man, iedere vrouw, doet zijn eigen route of doet het samen met een ander, en de jongen kan met zijn grootvader mee. “In de boom!” is dan de reactie, van de lachende jongen. Niet langs de oevers dus vandaag. Grootvader ziet het al voor zich. Straks gaan ze beiden het water in, kopje onder, want zo stabiel is hij ook niet meer, maar wat maakt het uit, ze weten zich wel te redden. Ook goed dus. Samen stappen ze in de uitgeholde dennenboom. Zijn dochter geeft de boot een flinke duw, opa glijdt de stroom op, zijn kleinzoon op de knieën in de boot voor zich.

Als ze thuiskomen zijn de schaduwen al flink vergleden. De koude ochtend heeft plaats gemaakt voor een stralende zon, die blinkt op de open delen van de stroom, en dampen laat opstijgen waar het moeras zijn gassen prijsgeeft. Veenpluis danst in de zachte bries. Grootvader en zijn kleinzoon brengen bij het vuur wat ze die dag hebben opgehaald. Ze hadden geluk die dag, de goden waren hen goed gezind. Hun grofmazige zakken zijn vol met wat de geesten van het veen hen die dag gunnen. Het eten wordt klaar gemaakt. Een deel zal vanavond worden opgepeuzeld. Een deel ervan gaat als dank terug naar die geesten, in het veen. Het zijn goede geesten, want ze zijn hen goed gezind. Hier krijgen ze alle dagen eten. Dit is één van de beste plekken op de wereld, vertellen ze elkaar.

Een ander deel wordt gerookt. Het is voorraad voor als ze over een paar nachten weer verder trekken. Of iets langer. Ze zijn hier maar tijdelijk. Vóór de winter moeten ze weer op de hoogvlakte zijn: vele dagen lopen naar het oosten. Hoe zal dat gaan, deze keer? De oude grootvader ziet zijn dochter met de dag groeien. Kan ze de lange tocht wel aan? Als het kindje geboren is…. Dan kan ze het dragen, dan zal ze sterker zijn. Als ze het gevaarlijke moment doorkomt. Ieder kindje is een dag van grote spanning. Eerst eten. Als grootvader met een goed gevulde maag de rand van het water opzoekt, om zijn blaasinhoud toe te voegen aan de eindeloze watermassa……. mist hij de boot.

“Hé, jongen, jij zou de boot toch vastleggen?” De kleinzoon laat verbaasd een stuk gerookte vis uit zijn mond vallen. Hij kijkt zijn grootvader aan en …..de woorden vervagen in de opmerkingen van zijn moeder. “Vader, je weet toch wel dat jij baas blijft, als je met een jochie op stap gaat?” De jonge vrouw kijkt daarbij de oude man aan met een blik die niets te raden overlaat. “Dat wordt dus weer een nieuwe boom omhakken en een week uithollen”, verzucht de oude grootvader. “Ach, we gaan over een paar nachten toch verder, en we weten toch nooit zeker of de boom er een volgende keer nog wel ligt”, relativeert zijn schoonzoon. “En of ik dan nog kan hakken……”, voegt de oude grootvader er aan toe. “Onze toekomstige clanleider heeft vandaag meer geleerd dan velen in één dag hebben willen leren”, en dan schaterlacht grootvader. Zegt het hem echt zo weinig? Die boot, dat is toch een zaak van leven of dood? Daar hangt toch een flink deel van de vangst van af?

Die nacht kan grootvader niet slapen. Hij ligt te woelen onder zijn huid, bij het smeulende vuur in het midden van de grote hut. Geen kano. Dat is nu niet erg meer, we gaan toch weer weg, over een week of wat. We slepen onze huiden, ons gedroogde vlees, de gedroogde vis, we slepen alles wel weer naar de hoogvlakte in het oosten. We hebben een goede winter. Maar dan? Waar moeten ze volgend jaar naar toe? Deze droomwereld, die heeft hen dan niets meer te bieden, want ze hebben geen kano meer. Beetje bij beetje begint grootvader te snappen dat het missen van de kano hun hele wereld op de kop zet. Dit is een ramp! Volgend jaar hebben ze niks, als ze niet nu zorgen voor een boom, die volgend jaar droog genoeg is om uit te hollen. In zijn hoofd wordt een plan gemaakt. Hij denkt helemaal uit hoe het de dagen erop zal gaan…..

In de vroege ochtend klinkt een hoorn. Grootvader blaast op het gat in de zijkant van zijn jachthoorn. Hij gebruikt hem bij de oeros-jacht, en om de mensen bij elkaar te roepen, als er overleg is. De clan, de familie, ze wonen verdeeld over meerdere hutten langs de stroom. Ze komen bij elkaar, overal vandaan. Ook degenen die al bij de netten waren, ze komen op het geluid af. Ze zitten zwijgend bij elkaar, tot iedereen er is. Dan neemt de oude stamleider, de oude grootvader, het woord. “We kunnen nog niet weg. Zonder kano is er volgend jaar geen leven voor ons, want waar moeten we heen? Ik heb besloten: We wachten tot mijn dochter haar kind heeft en sterk genoeg is om mee te kunnen. In de tussentijd kappen we een geschikte boom, bewerken de buitenkant al zodanig dat de grove vorm van de kano klaar is. We verbergen hem tussen de struiken. Volgend jaar is het hout droog genoeg om verder te bewerken. Dat kost meer dagen dan ik vingers en tenen heb, maar dat geeft niet. We redden ons wel. En als de kano klaar is, dan kunnen we weer de plassen op. Ik heb gezegd!”

Natuurlijk heeft iedereen daarna een mening. Maar niemand kan eronder uit dat ze gewoon een nieuwe kano nodig hebben. En de oude, ach, die was toch al aan het rotten. Als het niet nu was gebeurd, dan hadden ze misschien volgend jaar een rotte kano gevonden, en hadden ze nog niets gekund. Deze slag voor de stam, het verlies van de kano, is een mooie kans om voor volgend jaar zekerheid te hebben. De mannen gaan aan de slag. De oude stamleider mag mee, maar krijgt het verbod om zich teveel met het kappen van de boom en het verwijderen van de takken te bemoeien. Als er een ongeluk gebeurt, en hij kan niet goed lo-pen, dan moet hij achterblijven, dat willen ze niet. Dat wordt zijn dood. Mannen, sterke vrouwen, alles en iedereen is bezig met de vuursteenwerktuigen om de boom te kappen, de schors te verwijderen, de voor- en achterzijde af te ronden….. en dan lopen de vrouwen opeens allemaal weg. Grootvader ziet het aan. Hij weet wat er gaat gebeuren. Mannen zijn nu even niet welkom in de grote hut.

Als de zon wat lager staat, horen ze het huilen van een kindje. De vrouwen dansen, zingen, en brengen het gewikkeld in een vachtje naar grootvader. Hij neemt het op de arm. Je ziet zijn stralende blik, het geluk in zijn ogen, en de trots als zijn dochter daarna naar buiten komt. Nog slap, maar ze heeft het goed doorstaan. Dan klinkt een naam. De naam van het kind. De naam klinkt uit de mond van de moeder. De oude grootmoeder, de leidster van de stam: ze is al jaren geleden overleden. Dochter nam haar taak over. Ze mag de naam bepalen, en ze noemt de naam. Zo zal zij heten. De stamleden juichen, daar bij de hut van omgebogen boompjes, bladeren, takken, op de rand van het stroompje en het grote moeras, in de schaduw van het bos. De mensen juichen, dansen en zingen, als ze met alle kracht van iedereen die mee kan werken, de boomstam bij het vuur buiten de hut schuiven. Hij kan verder drogen. Hij is klaar. De mensen zijn klaar. Nu moeder nog. Aansterken.

De dagen erop wordt er nog gezocht naar voedsel langs de bewandelbare randen van het water en het veen. Dan wordt er opgebroken. Enkele jonge boompjes leveren de stammetjes, die over de schouders van twee sterke mannen worden gelegd, en als sleden over de grond meeslepen. Erop ligt een deel van hun huishouden en voorraad. Anderen dragen op de rug, wat nodig is en wat mogelijk is. De kleintjes moeten ook al gedragen worden en dan pak je er niet zoveel meer bij. De jonge moeder heeft haar kind op haar rug. Ze zullen onderweg stoppen, zodat ze het kind kan voeden. En opdat grootvader even kan rusten. Het gaat niet zo hard, maar iedereen kan mee. De clan gaat op stap, letterlijk, naar de volgende rustplaats. Wie weet staan daar de hutten nog van vorig jaar. Dan kunnen ze die weer opknappen. En zo niet, dan maken ze daar, of in de buurt, gewoon nieuwe. Tot ze allemaal weer bij het grote bos in het oosten zijn, daar op de hoogvlakte. Zo gaat het leven verder. Zolang het leven verder gaat………

Later, veel en veel later, dan wordt de kano gevonden. Die ene kano, die verloren ging. Hij was zo zwaar geworden door het water dat het hout opzoog, dat hij zonk, en in een veenlaag bewaard werd. Die kano, die hebben we nog. De oudste boomstamkano ter wereld. De kano van Pesse. 10.000 jaar oud…..

Hij dreef en was goed bruikbaar, voor wie ermee had geoefend. Dat bleek ook 10.000 jaar later nog, tijdens een test met een replica in het recreatiegebied Schoonhoven.

Dit verhaal is ook te beluisteren als podcast : Als Je Wereld Lijkt In Te Storten – 1. De Kano en de Grote Tocht – Hunebednieuwscafé | Podcast op Spotify

Vorig artikelGrote zwerfsteen met oeroude fossiele sporen gevonden in keientuin – Diplocraterion
Volgend artikelVeerkracht in de prehistorie – Verhalen over rampzalige gebeurtenissen in de prehistorie. Deel 2- DE OEROSJACHT EN DE VOLWASSEN KRIJGERS

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.