031 Reconstructie van een boerenhuis uit de late Swifterbant cultuur in het Archeologisch Openluchtmuseum Swifterkamp.

Voor velen is het nauwelijks voor te stellen hoe mensen leefden tijdens de Trechterbekertijd. Ja, ze bouwden hunebedden, het waren boeren en ze woonden in kleine dorpen. Maar dat mensen meer dan 99% van de tijd dat ze op aarde rondlopen, nomaden waren, zonder vaste woon- of verblijfplaats, is minder bekend. Ze jaagden op dieren en zochten vooral eetbare planten, wortels, knollen en vruchten, tot ….ze in het Midden-Oosten granen begonnen te verbouwen en vee gingen houden. Dit was het begin van de Neolithische revolutie.

Hoe de Neolithische revolutie begon

De landbouw begon niet overal op hetzelfde moment. Het verbouwen van graan en andere gewassen en het houden van dieren is, onafhankelijk van elkaar, op heel verschillende momenten en plaatsen op aarde uitgevonden. Tussen 23.000 en 4000 jaar geleden vond dit zeker in zeven verschillende gebieden plaats. Het laatst de indiaanse volken in Noord-Amerika.

Centra van landbouw en de verspreiding ervan. Tussen 23.000 en 4000 jaar geleden is de landbouw op zeker zeven plaatsen op de wereld ontwikkeld en van daaruit verspreid.

Tot voor kort meende men dat het eerste, aarzelende begin van de landbouw ongeveer 13.000 jaar geleden in het Midden-Oosten was begonnen, in een gebied dat aangeduid wordt als de vruchtbare halve maan. Dit gebied beslaat grote delen van het huidige Irak, Syrië, Israël en Egypte. Uit opgravingen door de universiteit van Haifa in Israël bleek dat het cultiveren van gewassen en het bewerken hiervan al zo’n 11.000 jaar eerder moet zijn begonnen. Op de zuidwestelijke oever van het meer van Galilea zijn bij opgravingen sporen van kampementen van jagers/verzamelaars gevonden. Hierbij kwamen resten van hutten, haarden, grasopslag, graansoorten tevoorschijn en verder gereedschappen die bij landbouwwerkzaamheden gebruikt werden. De opgravingssite dateert uit het Laatpaleolithicum en het Epipaleolithicum. Het Epipaleolithicum wordt in onze streken het Mesolithicum genoemd.

Kaart met Neolithische landbouwlocaties in het Midden-Oosten. De locatie Ohalo II aan de zuidwest-oever van het Meer van Galilea is met 23.000 jaar de oudste nederzetting waar men aan landbouw deed.

Organisch materiaal en gereedschappen zijn ruim 23.000 jaar bewaard gebleven. Dit was mogelijk dankzij bijzonder gunstige omstandigheden. De opgravingssite stond zeer lange tijd onder water en was bedekt door een laag slib. Daardoor was het materiaal afgesloten van zuurstof. Bij de opgravingen vond men resten van zes verbrande hutten, met haardplaatsen daartussen. De hutten waren tussen de vijf en dertien vierkante meter groot. Ze waren gebouwd van takken van eiken- en tamarisken en met gras afgedekt. In de hutten werden onder meer graansoorten als gerst, haver en wilde emmer bewaard. Wilde emmer is een tarwesoort. Deze graansoorten groeiden oorspronkelijk in het wild en werden door jagers/verzamelaars geplukt. Door te selecteren op graanaren, die bij rijping minder snel uiteen vielen en zo voortijdig hun zaden kwijt raakten, kon men na een lange tijd van experimenteren  en selecteren steeds meer graan oogsten en cultiveren.

Het meer van Galilea in Israël. Het meer wordt ook wel het Meer van Tiberias genoemd. Bij lage waterstand kwamen langs de oever resten van een nederzetting uit de prehistorie tevoorschijn die wijzen op een zeer vroege vorm van landbouw (Foto: Zoom Bloemke, 2015).
Opgravingslocatie Ohalo II aan de zuidwestelijke oever van het Meer van Galilea, in Israël. Hier werd 23.000 jaar geleden al aan akkerbouw en veeteelt gedaan.
Opgraving van een hutvloer op de locatie Ohalo II aan het Meer van Galilea

Bij de opgravingen zijn ook bewerkte vuurstenen, maalstenen, overblijfselen van een oven, een sikkel en een slijpsteen gevonden. Verder vonden onderzoekers verspreid over de opgravingssite resten van maar liefst 140 soorten planten, graten en botten van vissen, watervogels en andere dieren. Op maalstenen heeft men graan tot bloem gemalen. Dit wijst er op dat akkerbouw al veel eerder in de geschiedenis werd bedreven dan aanvankelijk werd aangenomen. De vondst van opgeslagen gras duidt bovendien op de aanwezigheid van dieren, die hiermee gevoed werden. Hieruit blijkt dat de domesticatie van dieren in die tijd ook al zijn beslag had gekregen. Het Neolithicum begon aan het meer van Galilea in Israël al zo’n 23.000 jaar geleden, ruim 17.000 jaar eerder dan in ons land.

Eenkoorn (Tricitum monococcum) is een van de vroegst gecultiveerde wilde tarwesoorten. Het is de voorloper van emmertarwe. Eenkoorn wordt nog maar zelden geteeld, onder meer bij Breccia in Italië, waar men er brood van bakt. Ook het bekende Turkse ‘bulgur’ is van eenkoorn.

Het Neolithicum in Europa

Door contacten, handelsverkeer en kennisuitwisseling verspreidde de landbouwcultuur zich in duizenden jaren tijds geleidelijk vanuit het Midden-Oosten naar Zuidoost-Europa. Van hieruit drongen landbouwgebruiken binnen een paar duizend jaar door in andere delen van Europa. Zo’n 7000 jaar geleden verscheen de landbouw in ons land.

Hunebedbouwers waren niet de eerste boeren in ons land

De Bandkeramische cultuur

Verbreiding van de Bandkeramische cultuur in Europa. De Bandkeramiek vormde in het Vroeg-Neolithicum de landbouwcultuur in Europa

Het Neolithicum in ons land begon rond 7250 jaar geleden met de Bandkeramische cultuur. Boerengemeenschappen van dit volk vestigden zich op de vruchtbare lössgronden in de buurt van de Graetheide in Zuid-Limburg. Dit is de regio waar tegenwoordig plaatsen als Sittard, Geleen, Stein, Elsloo, Beek en Maastricht liggen. Bij Elsloo is in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw een grafveld met zo’n 113 graven uit die tijd opgegraven. Verder ontdekte men verspreid in het gebied talrijke huisplattegronden. Hieruit kon men reconstrueren dat een nederzetting in die tijd uit drie tot vier boerderijen bestond, elk met een ruim erf van ongeveer 1 hectare. Eerder was men in de archeologie van mening dat de nederzettingen uit meer boerderijen  bestonden. Dit bleek een misvatting. De talrijke paalgaten duiden op herbouw/nieuwbouw, doordat de staanders van de boerderijen, die in de grond waren ingegraven, weggerot waren. De ‘dorpen’ lagen doorgaans in de buurt van beken en rivieren. Naast akkerbouw hield men ook dieren als schapen, geiten, runderen en varkens. Vee hield men niet voor de vleesconsumptie alleen, van melk maakte men ook kaas. De Bandkeramische boerenbevolking zou tot ongeveer 4950 v.Chr. in Zuid-Limburg blijven.

Reconstructie van een Bandkeramische nederzetting in Zuid-Limburg. De bandkeramieker boeren vestigden zich in Zuid-Limburg op de vruchtbare lössgronden. In het zware opgaande bos dat hierop groeide kapten zij open plekken, waarop akkers en graasplaatsen werden aangelegd (tekening: Mieko Kriek).

De Bandkeramiekers danken hun naam aan het aardewerk dat ze maakten. De buitenkant van hun potten is op een herkenbare manier met doorgaande band- en lijnvormige motieven versierd. Het is het oudste keramische vaatwerk dat in ons land is gevonden. Bandkeramiekers waren ook de eerste boeren die zich zo’n 8000-7000 jaar geleden vanuit Roemenië aan de Zwarte Zee via het huidige Hongarije over centraal en West-Europa hebben verspreid, en ook in een uithoek als Zuid-Limburg terecht kwamen. De Bandkeramiek vormt het grootste cultuurgebied in het Neolithicum. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat deze boerenbevolking immigranten waren. Ze behoorden tot een ander volk, dan de jagers/verzamelaars die hier al woonden. Of er in dit geval sprake was van één volk, hierover verschilt men van mening. Gebruiken en gewoonten in de bandkeramiek zouden door meerdere stammen gedeeld kunnen zijn.

Het aardewerk dat men in de Bandkeramiek maakte is aan de buitenzijde op een karakteristieke manier versierd met lijnen en banden. De versieringen op de potten, waaronder talrijke puntvormige indrukken, werden in de klei met stokjes aangebracht  

Dat de bandkeramiekcultuur zich zo snel over Europa heeft kunnen verspreiden zou geholpen kunnen zijn door het klimaat. In de periode van 10.000 tot 6000 jaar geleden beleefde het Holoceen een klimaat-optimum. Het was tijdens het Atlanticum niet alleen nat, ook wat temperatuur betreft beschouwt men deze periode als de warmste van de laatste 75.000 jaar. Zowel ’s zomers als ’s winters was de temperatuur gemiddeld 1 tot 2 graden 0C warmer dan in de 20e eeuw. Met name de winters waren erg zacht.

Op de Cannerberg ten zuiden van Maastricht zijn talrijke resten gevonden van een nederzetting van Bandkeramiekboeren. Naar aanleiding hiervan is deze reconstructietekening gemaakt van de nederzetting op het plateau, in de buurt van de Maas (tekening Visit Zuid-Limburg).
Bij de opgravingen op de Cannerberg zijn grote aantallen vuurstenen werktuigen en heel veel afslagen gevonden.
Bandkeramiekboeren maakten dankbaar gebruik van de aanwezigheid van kwalitatief goede vuursteen in de nabijheid van hun nederzettingen. Van voorbewerkte vuursteenkernen werden met een bepaalde techniek smalle spanen afgeslagen.

Uit opgravingen bij Stein en Elsloo in Zuid-Limburg is gebleken dat de Bandkeramiekboeren doorgaans grote boerderijen bouwden, Door hun lengte- en breedteverhouding noemt men deze wel langhuizen. Uit paalgaten bleek dat de grootste boerderij zo’n 37 meter lang was en 7.5m meter breed. De dragende constructie van de boerderij bestond uit zware, door dwarsbalken met elkaar verbonden eiken staanders, die in de grond waren ingegraven. Het dak werd door in rijen geplaatste staanders gedragen. De buitenmuren van de boerderij zullen waarschijnlijk niet hoog zijn geweest. Ze bestonden uit een vlechtwerk van houten takken die met leem werden bestreken.

Reconstructie van een langhuis uit de Bandkeramiek op de Archeosite Aubechies-Beloeilin in Belgisch Henegouwen. Sommige boerderijen waren tientallen meters lang. Het skelet werd gemaakt van eikenstaanders die door liggers met elkaar verbonden waren. Het dak werd door staanders ondersteund.

Dat de Bandkeramiekboeren zich juist in Zuid-Limburg vestigden, was niet toevallig. Zij hadden een voorkeur voor vruchtbare lössgronden, en die waren in Zuid-Limburg aanwezig. Toen de bandkeramiekboeren Zuid-Limburg introkken was het lössgebied zwaar bebost. Het oer-eikenbos met veel linden en iepen vormde een gemengd soort oerwoud dat de Bandkeramiekers gunstige voorwaarden bood voor bewoning en vooral ook als bosweide. De dichte kronen van iepen en lindebomen gaven veel schaduw op de bosbodem, zodat er weinig onderbegroeiing was. De meer open boomkronen van eiken zorgden juist voor meer kruiden en gras, wat gunstig was voor het vee.

De lössgronden in Zuid-Limburg waren ten tijde van de Bandkeramiekboeren zwaar bebost met eiken, linden, essen en iepen.

Met bijlen en dissels van vuursteen en ander gesteente werden stukken oerbos gekapt en wellicht ook platgebrand. Hierdoor ontstonden open ruimtes, die deels als akkers en deels als graasgebied voor het vee in gebruik genomen werden. Dit gebruik zien we terug in pollendiagrammen. Na verloop van tijd nam het aandeel stuifmeel van eiken, linden en iepen af, terwijl die van hazelaars, berken en ook essen toe nam. Deze verandering was het gevolg van het open kappen van het bos. Bekend is dat het blad van de iep een belangrijke rol speelde als voedsel voor het rundvee, ook als wintervoedering. Deze boomsoort groeide vooral in de meer vochtige dalen van het lössplateau.

In de bandkeramiekcultuur maakte men van verschillende geschikte steensoorten bijlen en dissels. Op de foto kleine bijlen gemaakt van het vulkanisch gesteente fonoliet.
Dissels die bij Elsloo in Zuid-limburg zijn opgegraven die gebroken of beschadigd raakten, tonen sporen van secundaire bewerking en reparatie.

 

Bladeren van de iep hadden in de vroege geschiedenis van Europa een grote waarde als veevoer. Behalve vers, werd het ook in grote hoeveelheden geoogst om in herfst en winter als voer te dienen. In gedroogde vorm werd het ook aan geiten gevoerd.

Op de akkers werden met graafstokken voren getrokken waarin gezaaid werd. In die tijd was men nog niet bekend met het eergetouw, een primitieve ploeg die hetzij door mensen, maar vaker door ossen getrokken werd. Men verbouwde toen eenkoorn, emmertarwe, vlas, erwten en andere peulvruchten. Bemesting was destijds nog onbekend. Men maakte gebruik van de natuurlijke vruchtbaarheid van de lössgrond. Raakte de grond na een aantal jaren uitgeput, dan werd een nieuw stuk terrein ontgonnen.

Uit opgravingen en onderzoek aan hun skeletresten blijkt dat de Bandkeramiekers gezond en goed doorvoed waren. Het warm-milde zomerklimaat met zijn gunstige weerpatroon stond in West-Europa garant voor een relatief hoge productiviteit in de akkerbouw. Opeenvolgende Neolithische culturen hebben zich daardoor succesvol in onze streken kunnen vestigen en handhaven.

018. In 2006 werd zuidelijk van Kilianstädten bij Frankfurt een massagraf uit de late Bandkeramiek cultuur ontdekt. De locatie bevindt zich links boven het infobord.
In het massagraf werden 26 skeletten van personen gevonden, op twee na alle mannen.

Crisis in de Bandkeramiekcultuur

Ongeveer 6950 jaar geleden werden de nederzettingen in Zuid-Limburg kleiner om tenslotte geheel te verdwijnen. Uit opgravingen blijkt dat de bandkeramiek cultuur in een crisis was beland. De cultuur splitste zich op, waarbij nieuwe tradities ontstonden, waarbij de stijl van huizenbouw, het aardewerk en ook de gebruiken bij begravingen veranderden. De precieze oorzaak is niet bekend, maar waarschijnlijk zijn territoriale conflicten tussen aanverwante groepen de oorzaak van de ondergang geweest. Er zijn aanwijzingen voor overvallen, plunderingen en moordpartijen op dorpsgemeenschappen. Bij opgravingen zijn rond nederzettingen aanduidingen gevonden van versterkingen met palissaden en ringgrachten. Dit is ongetwijfeld gedaan om zich te kunnen verdedigen. In Duitsland zijn op een aantal plaatsen uit die tijd massagraven met tientallen personen gevonden, die met grof geweld om het leven zijn gebracht.  

De schedels toonden talrijke fracturen die door knuppels en/of hamers zijn veroorzaakt. Na de moord werden de lijken op een slordige manier in een grafkuil gegooid en daarna bedekt met afval en huisvuil.
Bij de meeste individuen waren de onderbenen opzettelijk gebroken/verbrijzeld. Dit wijst op marteling om te voorkomen dat de slachtoffers zouden vluchten. Ook bij de kinderen werden de benen verbrijzeld.

Op een locatie bij Schöneck-Kilianstädten bij Frankfurt werden in 2016 de overblijfselen van 26 personen aangetroffen, waarvan eerst de ledematen waren gebroken en die vervolgens met speren en/of pijlen om het leven gebracht zijn. Ook ten noorden van Wenen en bij Heilbronn in Baden-Wúrttemberg heeft men massagraven gevonden met daarin grote aantallen personen die met geweld gedood zijn. In sommige van de massagraven ontbreken skeletten van vrouwelijke personen. Het vermoeden is dat die gevangen werden genomen en als slaaf werden afgevoerd. Deze conflicten zouden geleid hebben tot de ontwrichting van hele gemeenschappen. De indruk die sommigen hebben dat mensen in de prehistorie vreedzaam met elkaar omgingen, wordt door dit soort opgravingen gelogenstraft.

Kaartje met locaties van massamoorden in de late bandkeramiek. A, Schöneck-Kilianstädten B, Talheim C, Asparn-Schletz. Andere locaties D, Herxheim E, Vaihingen-Enz F, Schwetzingen G, Wiederstedt. Locaties A, B en D G bevinden zich in Duitsland

De Swifterbant cultuur

In de tijd dat de eerste boeren van de Bandkeramische cultuur zich in Zuid-Nederland vestigden, kwamen verder naar het noorden groepen jagers/verzamelaars voor. Door overname of imitatie van gebruiken ontwikkelde zich hieruit geleidelijk de Swifterbant cultuur. Deze cultuur was in een groot gebied verspreid. Het strekte zich uit van de Elbe in Duitsland, via ons land tot in het Schelde-gebied in België.

023 De verbreiding van de Swifterbant cultuur in Nederland en Noordwest-Duitsland.

De  naam Swifterbant cultuur komt van de gelijknamige plaats in de provincie Flevoland. Bij de drooglegging van noordelijk Flevoland ontdekte men tijdens grondboringen bij Swifterbant sporen van bewoning. In de jaren tussen 1962 tot 1978 leidde dit tot de ontdekking van een veertiental nederzettingen. Hiervan zijn er twee in zijn geheel opgegraven en in de jaren daarna diepgaand onderzocht. De overige nederzettingssporen zijn verkend door het graven van proefsleuven. Het  bestaande bodemarchief blijft hierdoor voor onderzoek in de toekomst intact. Ook groef men in de omgeving een paar grafveldjes op met menselijke resten uit de periode van 6300 tot 6000 jaar geleden.

In 2005 begonnen aan de Vuursteenweg in Swifterbant opgravingen naar de Swifterbant cultuur van zo’n 6000 jaar geleden. De opgravingen worden verricht op de plaats waar eerder sporen van nederzettingen gevonden waren. In die tijd was er in het gebied nog geen zee, maar stroomden er rivieren als IJssel en de Overijsselse Vecht door een moerassig gebied met rivierduinen, oeverwallen en moerassen.


Dat er in de prehistorie sprake is geweest van contacten met andere bevolkingsgroepen is duidelijk aangetoond. De Bandkeramiekers waren bekend met groepen jagers/verzamelaars in hun omgeving. Vondsten van Bandkeramiek vuurstenen pijlpunten op vindplaatsen van jagers/verzamelaars tonen dit aan. Je zou dan ook verwachten dat gebruiken van deze boeren overgenomen of geïmiteerd zouden worden. Dit was echter niet het geval. De bevolking van jagers/verzamelaars bleef  honderden jaren lang bij hun eigen gebruiken. Blijkbaar was het boerenbestaan voor hen niet aantrekkelijk. Hier kwam nog bij dat jagers/verzamelaars in hun omgeving konden putten uit een zeer breed spectrum aan voedsel. Variatie en kwaliteit van het voedselaanbod was beter dan dat van de boerenbevolking. Pas rond 7100 jaar geleden begonnen de vroege Swifterbanters aardewerk te maken. De kunst daarvan hadden zij van de boeren in Zuid-Limburg afgekeken.

Op een rivierduin in Brandwijk bij Hardingsveld-Giessendam in Zuid-Holland kwamen bij opgravingen scherven van een grote aardewerken pot uit de Swifterbant cultuur tevoorschijn. Onderzoek toonde aan dat hier zo’n 6100 jaar geleden melk in gekookt is. De melksporen in het aardewerk zijn de oudste aanwijzingen voor melk in Nederland.

Hoe leefden de Swifterbanters?

De bevolking van de Swifterbant cultuur, leefde hier op de overgang van het Mesolithicum naar het Vroeg-Neolithicum (6800–6500 jaar geleden). De bewoners hanteerden nog een Mesolithische leefwijze van jager/verzamelaars, maar deden ook aan kleinschalige landbouw. De Swifterbant cultuur is dus ouder dan die van de hunebedbouwers. In Oost-Drenthe bij Bronneger en ook in Groningen bij Sauwerd zijn ook sporen van de Swifterbant cultuur gevonden.

Uit opgravingen is duidelijk geworden dat de Swifterbanters hun verblijfplaatsen in het vochtig/natte Flevoland met riet en klei hebben opgehoogd om overstroming te voorkomen. De woongemeenschappen waren niet groot. Schattingen gaan uit van 40 tot 80 personen. Men leefde in een landschap dat uit een afwisseling van hoger liggende zandduinen, oeverwallen, moerassen, kreken en prielen bestond. Dit alles maakte onderdeel uit van de rivierdelta van de IJssel en de Overijsselse Vecht. Voor mens en dier moet het een aantrekkelijk landschap zijn geweest, met op de hoger gelegen gronden eiken, linden, essen, hazelaars en berken, afgewisseld met verspreid staande grove dennen. Op vochtig/natte plaatsen ontwikkelden zich veenmoerassen met veel elzen, wilgen en riet. Er zijn aanwijzingen dat op de zandige rivierduinen kleinschalige akkerbouw bedreven werd. Het overige gebied was in het algemeen te nat voor akkerbouw, waardoor men zich daar bezig hield met het houden van vee.

De afwisseling van een dichte vegetatie met open gebieden en de aanwezigheid van water in de lagere gebieden vormde voor mens en dier een aantrekkelijke leefomgeving.
Luchtfoto van het gebied bij Swifterband in noordelijk Flevoland. Op de kale akkers zijn de oorspronkelijke kreken en stroompjes, die destijds in het vochtig/natte landschap aanwezig waren, duidelijk aan de donkere verkleuringen te zien.

De Swifterbantbevolking vormde dus geen echte boerengemeenschap, zoals dit later in de Trechterbekertijd wel het geval was. We kunnen hen beschouwen als de nazaten van de jagers/verzamelaars uit het Mesolithicum, die geleidelijk gebruiken uit de landbouw overnamen. Op hun akkers verbouwden ze naakte gerst en tarwe. Verder verzamelde men als vanouds in de omgeving allerlei eetbare planten, waaronder wilde appels, rozenbottels en hazelnoten. Ook deden ze aan visvangst. Verder jaagden ze met speren en pijl-en-boog op edelhert, ree, oeros, bever en otter. Ook de jacht op watervogels zal niet onbelangrijk zijn geweest. Deze kwamen net als vis in de waterige, moerassige omgeving veel voor.

Door de Swifterbantmensen werd gejaagd op allerlei wild. De talrijke stroompjes boden een goede gelegenheid om vis te vangen. De vaak roerloos in het water staande grote snoeken werden waarschijnlijk met pijl-en-boog geschoten.

De invloed van de mensen op de natuurlijke omgeving was niet groot. Naast wat akker- en tuinbouw hield men ongeveer vanaf 6600 jaar geleden varkens en runderen en in mindere mate schapen en geiten. Ook is duidelijk dat men honden als huisdier hield. Of Swifterbantmensen het hele jaar door in dit dynamische deltagebied verbleven, is niet duidelijk. Het zou kunnen zijn dat ze er alleen in zomerhalfjaar verbleven en in de herfst en winter wegtrokken naar hoger gelegen gebieden.

Bij de opgravingen werden talrijke microlieten van vuursteen gevonden, verder bijlen, die door hun vorm ‘Breitkeile’ genoemd worden. Ook vond men bijlen die van geweien gemaakt waren en veel aardewerk. De potten hebben een ronde bodem en een s-vormig profiel. Het aardewerk is zowel dun- als dikwandig.

Swifterbant aardewerk bezit een s-vormig profiel. Versieringen ontbreken meestal. Deze potten werden opgegraven in het Klooster in Nieuwegein bij Utrecht.
Bij Hardinxveld-Giessendam is in 1997 het skelet ontdekt van een vrouw. Zij leefde vermoedelijk rond 7000 jaar geleden. Zij maakte waarschijnlijk deel uit van een groep rondtrekkende jagers/vissers uit de Swifterbant cultuur. Men besloot het vrouwelijke skelet de naam ‘Trijntje’ te geven. Boven het skelet een reconstructie van de overledene.

Als verschraling van de klei gebruikte men zand, steengruis en ook wel organisch materiaal. Versieringen op het aardewerk beperken zich tot vinger- en nagelindrukken al of niet in combinatie met indrukken van stokjes. Het aardewerk toont in vorm en uitvoering overeenkomsten met Mesolitisch aardewerk uit Noord-Denemarken (Erteböllecultuur). Later in de Swifterbant cultuur namen de bewoners geleidelijk steeds meer gebruiken over uit de landbouw. De zorg voor akkers en vee betekende dat men er steeds meer toe over ging om zich permanent in bepaalde gebieden te vestigen. Paalgaten van eenvoudige boerderijen die men in de bodem heeft gevonden, maken dit duidelijk.

Reconstructie van een boerenhuis uit de late Swifterbant cultuur in het Archeologisch Openluchtmuseum Swifterkamp.

Uit pollenonderzoek in veenafzettingen is duidelijk geworden dat kleine groepen landbouwende mensen binnen de Swifterbant cultuur zich omstreeks 6050 v.Chr. in Drenthe en in Groningen vestigden. Door het omhakken en ringen van bomen ontgon men kleine stukken oerbos. Het platbranden van bos, zoals later wel gebeurde, vond niet of weinig plaats. Op de open gehakte plekken in het bos werden akkers aangelegd. Deze werden eenvoudig bewerkt en ingezaaid met eenkoorn, emmertarwe, gerst en vlas.

Verkoolde korrels van naakte gerst uit de Swifterbant cultuur. Deze zijn gevonden in de buurtschap Medel bij Tiel in Gelderland. Dit zijn de oudste graankorrels buiten de Bandkeramiek cultuur in Zuid-Limburg.
Bij Schokland in de Noordoostpolder zijn in 1987 pootafdrukken van Swifterbantrunderen gevonden in de klei.

Nadat veeteelt en akkerbouw binnen de Swifterbant cultuur ingang hadden gevonden, was er later ook sprake van beïnvloeding en overname van gebruiken van mensen die noordelijker in Europa woonden. Dit blijkt wel uit het feit dat mensen van de Ertebölle cultuur in Denemarken, Zuid-Zweden en Noord-Duitsland rond 6100 jaar geleden landbouwgebruiken van Swifterbantmensen overnamen. Hierdoor vond ook in deze streken de overgang naar het Neolithicum plaats. Na honderden jaren ontwikkelde zich hieruit de vroege Trechterbeker cultuur. Opmerkelijk is dat in die tijd in Denemarken en Zuid-Zweden sprake was van een cultuuruitwisseling in omgekeerde richting. Noordelijke bewonersgroepen uit de vroege Trechterbeker cultuur migreerden vanuit Zuid-Zweden en Denemarken naar Noord-Duitsland en verder westwaarts, waar deze mensen zich vermengd hebben met de Swifterbantbevolking in onze contreien. In Noord-Nederland en aangrenzend Emsland in Duitsland ontwikkelde zich hieruit de zogenoemde ‘Westgroep’ binnen de Trechterbeker cultuur, met eigen rituelen en gebruiken. Dit moet rond 5400 jaar geleden hebben plaats gevonden. De Swifterbant cultuur ging hierdoor geleidelijk op in de Trechterbeker cultuur.

Een van de opmerkelijkste bodemvondsten in ons land komt uit de Swifterbant cultuur. In 2015 ontdekte men tijdens opgravingen bij Nieuwegein bij Utrecht het graf van een jonge vrouw. In eerder gevonden graven uit deze tijd was het gebruikelijk de doden met gestrekte armen en benen te begraven. Dit skelet had een gebogen arm. Onderzoek wees uit dat de vrouw een baby van ongeveer 0 tot 6 maanden in haar rechterarm hield.
Vorig artikelHeilige stenen en miraculeuze bronnen
Volgend artikelVeerkracht in de prehistorie – Verhalen over rampzalige gebeurtenissen in de prehistorie. Deel 3- Het tempeltje en de oogst
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.