043. Een serie hamerbijlen uit de vroege Trechterbekertijd. De vormvariatie wijst er op dat deze bijlen voor verschillende doeleinden zijn gebruikt.

Muur- en plafondschilderingen in veel rooms-katholieke kerken vertellen het verhaal van de bijbel. Dit deed men omdat de meeste mensen vroeger niet konden lezen of schrijven. Vergelijkbaar zijn onze oude schoolplaten over de vaderlandse geschiedenis. Velen herinneren zich die nog goed uit hun oude schoolklas. Een van die schilderingen ‘vertelde’ over het leven van de hunebedbouwers, duizenden jaren geleden.

Op de bekende schoolplaat van Isings is het dagelijkse leven in een nederzetting van de Trechterbeker cultuur in beeld gebracht. Een van de mannen heeft blijkbaar een wolf geschoten, samen met zijn zoon. Een ander draagt een ploeg op zijn schouder. Er liggen omgehakte bomen. Een vrouw in de buurt is bezig garen te spinnen, terwijl een ander versieringen aanbrengt op aardewerk.

Hunebedden en hunebedbouwers zijn voor de meesten van ons bekende begrippen. Hoewel sommige details op de schoolplaat van Isings (1884-1977) tegenwoordig anders geschilderd zouden worden, is zijn weergave van het leven in de hunebedtijd nog altijd interessant om naar te kijken. Waarom? Het is ten eerste duizenden jaren lang geleden en ten tweede omdat over deze mensen nog altijd zo weinig bekend is. Behalve hunebedden, aardewerk en stenen voorwerpen is er van bouwers en parafernalia bitter weinig overgebleven. Laat staan dat we weten hoe ze leefden en dachten.

De Trechterbekertijd of Trechterbeker cultuur, zoals de hunebeddentijd meestal genoemd wordt, is een verzamelnaam voor een aantal verwante boerengemeenschappen, die ongeveer tussen 6350 en 4750 jaar geleden in een groot deel van Noordwest- en Midden-Europa voorkwamen. Sporen van deze cultuur zijn gevonden in de noordelijke helft van ons land, in Duitsland, Denemarken, Zuid-Zweden, Polen, Tsjechië tot in de Oekraïne. De Nederlandse tak van de Trechterbeker cultuur vormt, samen met die in Nedersaksen in Duitsland, de zogenaamde WestgroepDe Trechterbeker cultuur in ons land heeft zich in een periode van ongeveer 1500 jaar heel geleidelijk uit de Swifterbant cultuur ontwikkeld.

Verbreiding van de Trechterbeker cultuur in Europa. Het gebied in Noord-Nederland en het aangrenzend deel in Duitsland behoort tot de zogenoemde ‘Westgroep’ binnen de trechterbeker cultuur.

De naam dankt deze cultuur aan het destijds veel gebruikte aardewerk, dat vaak trechtervormig was. Andere overblijfselen uit deze tijd zijn spaarzaam. Ze bestaan voornamelijk uit scherven, asresten, stenen werktuigen, een paar barnstenen kralen en enkel koperen plaatje en wat sporen van palissaden, en sinds kort een huisplattegrond.

Het aardewerk dat men in de Trechterbekertijd maakte is naamgevend voor deze eerste boerencultuur in Noord-Nederland. De boveneinden van potten en bekers zijn trechtervormig verwijd.

De ontdekking in 2015 van een groot grafveld in Dalfsen (Ov.) was voor onze kennis over deze tijd van grote betekenis. Over een oppervlak van 120 bij 20 meter trof men maar liefst 142 graven aan. Van organische resten was in de zandbodem niets overgebleven, maar uit de verkleuringen in de graven kon men heel wat opmaken. In ieder graf was een persoon begraven en ook hoe deze bijgezet was. Verder zijn meer dan tweehonderd grafgiften als trechterbekers, stenen bijlen en ook kralen gevonden. De vondsten heeft men kunnen dateren op de periode 5000-4800 jaar geleden.

Waar hunebedden in Drenthe de aanwezigheid van de Trechterbeker cultuur illustreren, zijn hiervan in Dalfsen geen sporen gevonden. Zwerfstenen ontbreken in dit deel van Noord-Nederland. Dit laatste is ook het geval in het Groningse Westerwolde. Ook daar allerlei vondsten uit de Hunebedtijd gedaan, maar hunebedden ontbreken. De afwezigheid van hunebedden wil niet zeggen dat die gebieden in de Trechterbekertijd onbewoond waren.

De opgraving van een groot grafveld bij Dalfsen in Overijssel bracht 142 graven aan het licht. Deze locatie heeft veel bijgedragen aan de nog steeds gebrekkige kennis die we hebben van de Trechterbeker cultuur.

Hunebedden

Hunebedden zijn de bekendste overblijfselen van de boerenbevolking uit de Trechterbekertijd. Het zijn ook de oudste archeologische monumenten in ons land. Ondanks hun imponerende verschijning hebben de meeste geen naam. Wel dragen ze een nummer. Die kregen ze van Nederlands beroemdste archeoloog Albert Egges van Giffen (1884-1973). Bij zijn onderzoek aan hunebedden, nummerde hij deze per provincie. In Drenthe worden ze aangeduid met de letter ‘D’. De onderzoeksresultaten van Van Giffen werden in 1925 in drie lijvige boeken gepubliceerd.

Over hunebedden is bijzonder veel geschreven. De winkel in het Hunebedcentrum ligt er vol mee. Logisch ook, de indrukwekkende steenhopen zijn de meest in het oog vallende erfenissen van een mistig volk, duizenden jaren geleden. Komt nog bij dat hunebedden van zwerfkeien zijn gebouwd, die vaak zo groot en zo zwaar zijn dat mensen zich niet kunnen voorstellen hoe men die duizenden jaren geleden verplaatst heeft en op hun plek heeft gekregen. En dit ook nog eens met een nauwkeurigheid, die bewondering verdient.

Het hunebed D27 bij het Hunebedcentrum in Borger is het grootste steengraf in ons land uit de Trechterberkertijd. De meerderheid van de stenen in dit hunebed bestaan uit graniet.

Trechterbekermensen hebben ongetwijfeld een godencultus en bijbehorende rituelen gekend. Hun leefwereld kende zoveel onbegrepen zaken en verschijnselen, dat goden, geesten en demonen een belangrijke rol gespeeld zullen hebben. Ook de voorouderverering zal belangrijk zijn geweest. Toch is van al deze zaken niets bekend, net zomin hoe men dacht over het hiernamaals. Wat we hierover schrijven, blijven veronderstellingen. Hunebedbouwers kenden ook geen schrift. Alles zal mondeling zijn doorgegeven. Verwacht mag worden dat dit vooral het werk van sjamanen was. Ook is niet duidelijk wat men met de doden deed. Bij afwezigheid van een hunebed heeft men de doden in afzonderlijke graven bijgezet. Dit bleek uit de opgraving bij Dalfsen (Oosterdalfsen). De lijkschaduwen in het zand wijzen er op dat de overledenen in zijligging werden begraven. In het Hondsruggebied deed men het wellicht anders. Het lijkt er op dat men skeletdelen van de doden pas enige tijd na hun overlijden in de grafkamer van het hunebed heeft bijgezet. Zeker weten doen we dit niet. Evenmin of dit ‘voorrecht’ voor iedereen gold of alleen voorbehouden was aan leden van de elite. Het is niet onmogelijk dat de doden op bepaalde plaatsen in het landschap neergelegd werden tot ze vergaan waren. Daarna zou men de skeletresten of delen ervan in het hunebed hebben geplaatst. Ook heeft men crematieresten in hunebedden gevonden. Dit laatste hoeft niet te verbazen. De gebruiken en hoe men met doden omging zullen in de loop van de honderden jaren dat hunebedden in gebruik waren, aan veranderingen onderhevig zijn geweest. 

In Oosterdalfsen is het grootste grafveld van Europa uit de Trechterbekertijd opgegraven. Behalve 147 graven werd voor het eerst in Nederland ook een huisplattegrond van een trechterbekerboerderij ontdekt.
Net als op andere plaatsen in Noord-Nederland zijn de doden in de graven in Oosterdalfsen, op wat resten van email van kiezen en tanden na, volledig vergaan. In een tiental graven was nog een lijksilhouet in hurkhouding te herkennen. Bij de opgraving zijn veel grafgiften gevonden, waaronder veel aardewerk met aan de buitenzijde de karakteristieke trechterbeker-versieringen.
Deze stenen bijl was een van de vondsten. Het is een fraai vormgegeven knophamerbijl. De bijl werd samen met een aantal aardewerken potten als bijgift in een graf gevonden.
009. Dit is een ietwat iconische foto van een volkomen gave trechterbekerpot, die in Oosterdalfsen uit het dekzand te voorschijn kwam. De inbedding en de opvulling van het aardewerk door dekzand en het ontbreken van een onderliggende laag keileem is waarschijnlijk de reden dat compactie geen of slechts een heel geringe rol heeft gespeeld. Veel aardewerkvondsten waren niet gebroken.

Dat bij het overlijden van (belangrijke) personen uit de gemeenschap rituelen hebben plaatsgevonden, is wel zeker. De enorme hoeveelheden potscherven die in hunebedden zijn aangetroffen doen denken aan het offeren van voedsel of aan het moedwillig kapot gooien van vaatwerk. Dit, nadat voor de dorpsgenoten en wellicht ook anderen een feestmaal was aangericht ter nagedachtenis aan de overledene. Dergelijke gebruiken zijn ook nu nog bekend. Jammer is dat na een verblijf van duizenden jaren in zure zandbodems van organische resten niets bewaard is gebleven. Veel van de cultuur van de Trechterbekerboeren blijft in nevelen gehuld.  

Potscherven zijn bij opgravingen in en rond hunebedden in grote hoeveelheden gevonden. Het suggereert een gebruik waarbij het aardewerk na een genoten maaltijd in stukken werd gegooid, ter ere en nagedachtenis aan de overledene.

Bergen, rotsen en hunebedkeien

Hoe men in de Trechterbekertijd in staat was enorme zwerfstenen te verplaatsen en daarvan hunebedden te bouwen, is nog steeds niet opgehelderd. Er bestaan hierover talrijke theorieën. In dit verhaal zal hieraan verder geen aandacht aan worden besteed. Het skelet van hunebedden bestaat vrijwel uitsluitend uit grote zwerfblokken van graniet en minder vaak van gneis. Dit heeft te maken met bepaalde eigenschappen die deze gesteenten bezitten. Opmerkelijk is wel dat andere gesteentesoorten nagenoeg ontbreken. Iedereen die zich met zwerfstenen bezig houdt weet dat het sortiment gesteenten onder noordelijke zwerfstenen bijzonder groot is.

Overal in Europa bestaan hunebedden vrijwel uitsluitend uit grote blokken graniet en in mindere mate uit die van gneis en migmatiet. Dat is niet toevallig. In de voorlaatste ijstijd zijn door het landijs naast een enorme massa aan kleiner gletsjerpuin opmerkelijk veel grote steenblokken van graniet naar ons land vervoerd.

Dat het bouwmateriaal van hunebedden vooral uit granieten en gneizen bestaat, heeft een oorzaak. Grote zwerfstenen bestaan hoofdzakelijk uit graniet en minder vaak uit gneis. Bergmassieven en rotswanden van deze gesteenten zien er van enige afstand ongenaakbaar uit. Toch is dit maar schijn. Rotsgesteenten, maakt niet uit welke, zijn doortrokken van een systeem van scheuren en spleten.

Een hoop zwerfblokken van Zuidlaren(Dr.). Ze kwamen bij rioleringswerkzaamheden uit de grond. Grote zwerfstenen worden zwerfblokken genoemd. De meeste zijn van graniet. Een minderheid bestaat uit gneis of migmatiet.
Granietrotsen zijn doortrokken van horizontale en verticale ontspanningsscheuren. Samen vormen deze een systeem van breuken die vaak haaks op elkaar staan. Deze scheuren noemt men in de geologie diaklazen. Graniet en ook gneis breken makkelijk langs deze diaklaasvlakken. Granietrotsen verweren daardoor heel karakteristiek. Men noemt dit wolkzakverwering. De meer of minder losse blokken lijken sterk op de samengeperste wolbalen die in de 19e eeuw uit Australië en Nieuw-Zeeland werden geïmporteerd. Op de foto is wolzakverwering van granietrotsen in Bretagne te zien. Foto: Henk Jan Fokkens

De blokken graniet en gneis in onze hunebedden komen uit Scandinavië.

Ze zijn in de voorlaatste ijstijd, tussen 176.000 en 150.000 jaar geleden door het landijs naar ons land getransporteerd. Zweden, het zuidelijke deel van Finland en tussengelegen zeegebieden hebben het merendeel van de zwerfstenen geleverd. Hoewel grote delen van Zweden en Finland uit een golvend, heuvelachtig landschap bestaan, bestaat de bodem uit keiharde rots. Graniet en gneis maken hiervan het grootste deel uit. In feite hebben we in deze landen te maken met een rotsbodem, die de wortels vormen van ooit aanwezige hooggebergten. Deze hooggebergten ontstonden op verschillende momenten tijdens het Precambrium. Het verweren en verdwijnen van de gebergten werd gecompenseerd door het omhoogkomen van gesteenten uit de diepere aardkorst. Het klinkt vreemd, maar gebergten zijn te vergelijken met ijsbergen. Het grootste deel ervan zit in de ondergrond verborgen. Ze ‘drijven’ als het ware in de zwaardere bovenmantel van de aarde.

In Haren (Gr.) staat voor de ingang van het sportpark een vlakke zwerfsteen opgesteld. De kei is in 1953 uit een naburige zandakker opgegraven. De opmerkelijk vlakke kanten van de steen zijn te danken aan diaklazen. Aan de zijkant van de steen is nog een scheur aanwezig (zie foto 015). Deze loopt niet helemaal door, zo lijkt het. Ook dit is een diaklaas. De steen is een microklien-graniet uit Zuidwest-Finland en heeft een zeer bijzondere geschiedenis. De kei is in ons land volstrekt uniek te noemen. 1) Het is bekend waar de steen vandaan komt, 2)Ook is bekend hoe de steen oorspronkelijk in de akker heeft gelegen, dus wat de onder- en bovenkant zijn. 3) Verder is aan de steen te zien naar welke windrichting de steen gekeerd lag, toen hij nog in ongestoorde grond lag. 4) Aan de zijkant van de steen is het oorspronkelijke rotsoppervlak nog aanwezig, voordat deze in de ijstijd uit de vaste rots in Zuidwest-Finland werd losgebroken.5) Of het nog niet genoeg is, aan de ruwheid van het oppervlak valt af te leiden in welke richting de steen door het ijs is afgeschuurd, toen deze in Zuidwest-Finland nog deel uitmaakte van de vaste rots. 6)Tenslotte is aan de steen ook te zien tot welke hoogte zandkorrels in de laatste ijstijd zijn opgewaaid en de steen hebben gezandstraald.

Door het langzame omhoog komen neemt de druk in gesteenten af. Hierdoor ontspannen deze zich, waarbij een systeem van scheuren ontstaat. Deze breuken worden in de geologie diaklazen genoemd. Ze zijn de oorzaak dat de vaste rotsbodem in Zweden en Finland in de ijstijd vrij gemakkelijk door gletsjerijs kon worden afgebroken. Vooral in granietgebieden braken langs diaklaasvlakken grote stukken steen los. Deze gingen vervolgens als zwerfsteen in het landijs op transport en kwamen onder meer in ons land terecht. Daarom is de soms gehoorde uitdrukking niet slecht gekozen, waarin gesteld wordt dat het landijs de grootste transportonderneming aller tijden is geweest. 

Diaklaas in graniet – Zwerfsteen van Haren (Gr.). Met beitels en wiggen zou het niet moeilijk zijn om van de grote zwerfsteenover de volle breedte een ca. 12 cm dikke plak af te splijten.

Gneisgesteenten bevatten eveneens diaklazen, maar gneis bezit daarnaast iets wat in graniet afwezig is. In gneis zijn de mineraalkorrels evenwijdig gerangschikt. Hierdoor hebben gneizen een gestreept uiterlijk. Die gestreeptheid is het gevolg van metamorfose. Op grote diepte in de aardkorst ontstaat gneis bij hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur heel geleidelijk uit andere gesteenten. In zee afgezette kleilagen kunnen door metamorfose in gneis veranderen. Ook graniet kan in gneis worden omgezet. Metamorfose is een proces dat vooral tijdens gebergtevormingen optreedt.

Biotietgneis – Zwerfsteen van Wilsum (Dld.). Gneis is een metamorf gesteente dat zijn gestreepte uiterlijk dankt aan hoge druk en een sterk verhoogde temperatuur op grote diepte in de aardkorst. Het donkere mineraal in de steen is glimmer (biotiet).

Graniet bevat glimmer, maar gneis doorgaans nog veel meer. Meestal is dit zwarte biotiet. Glimmermineralen splijten bijzonder makkelijk langs één richting. Dit is de oorzaak dat blokken gneis vaak afgeplatte vormen bezitten. Tijdens metamorfose zijn de glimmerblaadjes in gneis dakpansgewijs naast en boven elkaar gerangschikt. Het gevolg is dat veel zwerfstenen van gneis een enigszins afgeplatte vorm bezitten. Voor hunebedbouwers waren zwerfstenen van graniet en gneis gezochte keien. Voor de bouw van hunebedden kozen ze bij voorkeur stenen met minstens één vlakke zijde.

Graniet met diaklaasvlak – Zwerfsteen van Borger (Dr.). Diaklaasvlakken zijn dikwijls roodbruin of roestachtig van kleur. IJzerhoudend grondwater wordt in de diaklaasspletern capillair opgezogen. Droogt de steen uit, dan verdampt het water en oxideert het opgeloste ijzer. Dit veroorzaakt een roodachtige (=hematiet) of roestachtige (=limoniet) tint.

Voor zover bekend zochten hunebedbouwers de keien voor hun hunebedden in hun eigen territorium. De meeste kwamen voor langs de erosieranden van keileemplateaus op de overgang naar de beekdalen. De grootste staken voor een deel boven de grond uit. Ze waren zo ook makkelijk te ontdekken. Ook moeten we niet vergeten dat in sommige delen van Drenthe de rijkdom aan zwerfstenen in de Trechterbekertijd enorm moet zijn geweest. Hoewel het Drentse landschap tegenwoordig, wat keien aangaat, volkomen uitgeruimd is, kwamen grote en kleinere zwerfstenen toen veel voor. Men had ze voor het uitzoeken. De vindplaatsen lagen doorgaans niet ver van de plaats waar het hunebed werd opgericht, maximaal zo’n drie of vier kilometer, maar meestal minder.

In het Drentse landschap komen nog maar weinig zwerfstenen voor. Verreweg de meeste zijn in de vorige eeuwen voor allerlei doeleinden verzameld en verkocht. In de laatste tientallen jaren worden door oogstwerkzaamheden in snel tempo alle zwerfstenen van aardappelformaat of groter op de akkers ‘mee geoogst’.

Voordat de stenen vervoerd konden worden, moesten ze eerst worden uitgegraven. Het moet een flinke klus geweest zijn om de zware keien uit hun kuil te krijgen. Ook het verdere transport ging niet over vlak terrein. Hoe men dit deed, is nog steeds niet duidelijk. Rolpalen en hefbomen, op getrokken sleden, in de winter over besneeuwd terrein? Niemand die het weet. Duidelijk is wel dat als het om religieuze zaken ging, men in de prehistorie niet voor een kleintje vervaard was. Dit bewijzen de duizenden megalithische bouwwerken overal ter wereld. Men beschikte wellicht over bepaalde technieken, waarover we jammer genoeg weinig tot niets weten. Er zijn in het Midden-Oosten perfect bewerkte steenblokken uit steengroeves getransporteerd, waar de zwaarste hunebedkeien bij verbleken. Hoe het ook zij, men was in de Trechterbekertijd in staat zware zwerfstenen te verplaatsen en deze met een bewonderenswaardige precisie op hun plek te plaatsen, en wel zo dat de grote bouwwerken na duizenden jaren nog steeds bestaan. Dat de meeste hunebedden in ruïnes zijn veranderd, komt doordat men ze in en na de Middeleeuwen als steengroeves ging gebruiken. Die heidense steenbergen waren namelijk niks waard, vond men.

Onvoltooide obelisk van graniet in de steengroeve bij Aswan in Egypte. Afgezien nog van het feit hoe men destijds in Egypte in staat was dergelijke grote megalieten uit keiharde graniet te maken – men had alleen stenen en koperen gereedschappen – is het een groot raadsel, hoe men deze zware zuilen van een paar honderd ton zwaar heeft kunnen verplaatsen.

Vorm- en kleurselectie van hunebedkeien

Het bouwen van hunebedden was geen zaak, die men ‘erbij’ deed. De betekenis van een hunebed was voor de boerengemeenschappen ongetwijfeld van groot belang, waar de hele dorpsgemeenschap bij betrokken moet zijn geweest. Religie en voorouderverering zullen in die tijd een grote rol hebben gespeeld. Het is bekend dat dit mensen tot grote prestaties in staat stelt. Het aantal bewoners in de Trechterbekerdorpen was destijds niet groot. Het zou niet hoeven verbazen dat men bij de bouw van hunebedden hulp had van mensen uit naburige dorpen. Een andere mogelijkheid is, dat men gebruik maakte van groepen vakmensen, die bekend waren met de techniek van het bouwen en die ‘ingehuurd’ konden worden. Maar ook dit blijft gissen.

Hunebed D19 bij Drouwen. Aan de Steenhopenweg even buiten Drouwen(Dr.) liggen twee vrij grote hunebedden vlak bij elkaar. Veel zwerfstenen in deze hunebedden bezitten een roodachtige kleur.

Wat we inmiddels wel weten, is dat men bij het zoeken naar keien, zorgvuldig te werk ging. Niet iedere kei was geschikt. De draagstenen van een hunebed zijn zo geplaatst dat deze het statische gewicht van de dekstenen konden dragen. Niet alleen voor een paar maanden, maar voor lange tijd. Dit lukt alleen als men kennis had van de krachten die daarbij een rol spelen. Om te voorkomen dat de draagstenen door de zware dekstenen naar buiten gedrukt werden, werden deze iets schuin naar binnen geplaatst. De drukkrachten worden zo gelijkmatig verdeeld en naar onderen weggeleid. Vergelijk het maar met zware natuurstenen boogconstructies in Romeinse bouwwerken en in kerken en kathedralen. De drukkrachten worden overgebracht op de pilaren, waardoor deze zware steenconstructies stabiel blijven.  

Inkijkje in de grafruimte van hunebed D27 in Borger. Het plaatsen van de zware dekstenen op de draagstenen moet een zwaar en nauwkeurig werk zijn geweest. Om de druk van de zware dekstenen te kunnen weerstaan, werden de draagstenen iets naar binnen hellend geplaatst. Latere restauraties hebben hier geen rekening mee gehouden. Ook zijn toen zwerfstenen van andere locaties gehaald en in het hunebed geplaatst. Trechterbekerboeren zouden dit beslist anders hebben gedaan.

Niet iedere zwerfkei was voor de bouw van een hunebed geschikt. Veel zwerfkeien hebben een onregelmatige, rondachtige vorm. Draagstenen daarentegen bezitten aan één zijde een meer of minder vlakke kant. Hetzelfde is het geval met dekstenen. Deze zijn met hun meest vlakke kant op de draagstenen geplaatst.

Uit de vorm van de keien blijkt dat deze met zorg en aandacht moeten zijn geselecteerd. Beslist niet iedere grote zwerfsteen die men tegen kwam was geschikt om in het hunebed te verwerken. Onregelmatige, rondachtige zwerfblokken waren minder aantrekkelijk. Dat ze hier en daar toch in hunebedden voorkomen, kan te maken hebben met restauratiewerkzaamheden uit het recente verleden. Toen aarzelde men niet om in bepaalde gevallen keien van ergens anders te gebruiken.

De vraag rijst of men in de Trechterbekertijd zwerfstenen ook doelbewust bewerkt heeft? Het is niet denkbeeldig dat grote keien in sommige gevallen met houten wiggen langs diaklaasvlakken gespleten zijn om een vlakke zijde te krijgen. Door ingeslagen houten wiggen nat te maken, zwellen deze, waardoor stenen splijten. Alleen, ook hier geldt weer, we weten het niet. De draagstenen werden met hun vlakke zijde naar binnen geplaatst waardoor de binnenruimte van het hunebed – de eigenlijke grafkamer – een rechthoekige vorm had. Ook over de plaatsing van de zware dekstenen bestaan nog veel vraagtekens hoe men dit precies deed. De stenen zijn met zorg geplaatst. Niet bekend is of hunebedden tijdens de bouw wel eens instortten of verzakten, waardoor men opnieuw kon beginnen. We kunnen daarom alleen maar bewondering hebben voor de wijze hoe men destijds, met in onze ogen primitieve middelen, in staat was deze megalieten te bouwen.

022. Grotschildering van Altamira in Spanje. Mensen hebben tienduizenden jaren geleden tekeningen van paarden, bizons en neushoorns in zwart en oker op muren van verborgen grotten gemaakt. Deze van Altamira dateren tussen 19.000 en 14.000 v.Chr. Ze zijn in 1979 ontdekt. De bisons zijn ingekleurd met rode oker.

Was de kleur van hunebedkeien belangrijk?

Niet zo lang geleden is gezinspeeld op de mogelijkheid dat Trechterbekermensen hunebedkeien op kleur hebben geselecteerd. Een rode tint zou de voorkeur hebben gehad. Dit is geen vreemde gedachte, want de toepassing van rode en bruine kleurpigmenten in prehistorische grotschilderingen is over de hele wereld bekend. Rode oker is een natuurlijk pigment, een ijzeroxide, dat veel voorkomt en zeer kleurbestendig is. Rode oker is echter niet rood. We moeten eerder denken aan roestachtig bruinrood. In grotten zijn vaak stukjes rode oker gevonden, soms met ingekraste patronen. Het vermoeden is dat de rode kleur in de prehistorie een vruchtbaarheidsbetekenis had. Bekend is dat skeletten van overleden personen wel ingewreven werden met rode oker, als teken van vruchtbaarheid en wedergeboorte.

In Börger in het Emsland in Duitsland ligt de bekende offersteen. Waarom offersteen? Omdat in het verleden huynen ofwel gigantische reuzen ieder jaar hier een feest hielden en op de steen beren en herten offerden. Daardoor is de steen nog steeds rood gekleurd.
Over de schuine zijkant van de granieten kei loopt een ondiepe geul. Hierlangs zou het bloed naar beneden gestroomd zijn. Rode stenen worden in het volksgeloof wel in verband gebracht met vruchtbaarheid. Het vermoeden is dat de rode kleur in de steentijd ook een betekenis had. Er is wel eens gesuggereerd dat men in de Trechterbekertijd bij de bouw van hunebedden het liefst roodachtige stenen gebruikt heeft.

De veronderstelling dat de kleur rood in de Trechterbeker cultuur een specifieke betekenis had en dat men voor de bouw van hunebedden zwerfkeien op deze kleur selecteerde, is interessant, maar dit komt uit onderzoeken niet duidelijk naar voren. Rode, bruinrode, grijsrode, oranjerode granieten en gneizen komen inderdaad veel voor in Drentse hunebedden. Of dit te danken is aan een doelbewuster keuze, is maar de vraag. De aanwezigheid van veel roodachtige granieten heeft hoogstwaarschijnlijk andere oorzaken. In tegenstelling tot andere landstreken in Europa, zijn veruit de meeste granieten en gneisgesteenten in Scandinavië van nature bruinrood, rood, oranjerood of roodgrijs, vaak in combinatie met blauwe kwarts. Deze kleurcombinatie komt vrijwel nergens in Europa verder voor.

Rode Vaxiö-graniet komt als zwerfsteen vrij veel voor. Het zijn roodachtige, bleekrode, roodgrijze kwartsrijke granieten, waarin de kwarts vaak lichtblauw is. Granieten met blauwe kwarts komen in Scandinavië relatief veel voor in vergelijking met granietgebieden in de rest van Europa.

De meeste hunebedden in Drenthe vinden we in het Hondsruggebied, met name op de oostelijke Hondsrugtak. Voor de duidelijkheid, de Hondsrug in Oost-Drenthe bestaat uit twee takken. Beide takken zijn in het midden door een laagte van elkaar gescheiden. De middenlaagte is bijna over het gehele lengteverloop van de Hondsrug aanwezig. Beide Hondsrugtakken worden door snoeren dorpen gemarkeerd. Op de westelijke tak liggen plaatsen als Erica, Zuidbarge, Emmen, Odoorn en Borger. De oostelijke tak wordt gemarkeerd door plaatsen als Klazienaveen, Emmerschans, Weerdinge, Valthe en Buinen.

Ontsluiting in rode Oost-Baltische keileem langs de N33 bij Gieten (Dr.)

In de bodem van de Hondsrug komen twee typen keileem uit de ijstijd boven elkaar voor. Op een onderliggend grijs keileemtype ligt roodbruine keileem. Beide bezitten een Oost-Baltische zwerfsteensamenstelling. Zowel in de grijze als in de rode Oost-Baltische keileem komen veel roodachtige granieten en ook gneisgesteenten voor, in de rode keileem nog het meest. Roodachtige rapakivi-granieten zijn in rode Oost-Baltische keileem uitermate talrijk, naast eveneens roodachtige Zuidwest-Finse Microklien- en Perniö-granieten. Ook de Botnische gneis-graniet is rood. Hetzelfde geldt voor de inmiddels bekende Norrland-granieten uit Noord-Zweden. Deze hebben een meer roodgrijze kleur. In rode Oost-Baltische keileem komen deze laatste zwerfsteensoorten vrij talrijk voor. Verder zijn veel gneizen en migmatieten (=menggneizen) roodachtig. Graniet en gneis zijn veldspaatrijke gesteenten. Roodachtige kaliveldspaat vormt in deze gesteenten het hoofdbestanddeel.

De meeste hunebedden in Drenthe komen voor op de oostelijke Hondsrugtak. Dat hier relatief veel roodachtige granieten gevonden worden, is inherent aan het rode keileemtype dat in de ondergrond voorkomt. In iets mindere mate geldt hetzelfde ook voor de grijze Oost-Baltische keileem. Deze is vooral op de westelijke Hondsrugtak aanwezig. Ook hierin overwegen roodachtige kristallijne zwerfsteentypen. Het is hierom dat het niet erg waarschijnlijk is dat roodachtige zwerfstenen bij de bouw van hunebedden geselecteerd zijn. Bij het zoeken naar geschikte keien kwam men van nature heel vaak roodachtige granieten tegen.

Aland-rapakivi – Zwerfsgteen van Gieten (Dr.).
Perniö-graniet – Zwerfsteen van Groningen.
Norrland-graniet (Avaviken-graniet) – Zwerfsteen Hoge Veld, Norg (Dr.). Onder Norrland-granieten komen een aantal goed herkenbare typen graniet voor. Deze hebben een eigen naam, zoals deze Avaviken-graniet.
Botnische gneis-graniet – Zwerfsteen van Nijbeets (Fr.).

Gereedschap en wapens

In het Mesolithicum trokken groepen jagers/verzamelaars gedurende het jaar door gebieden, dat aan niemand toebehoorden. Afhankelijk van de behoefte maakten de mensen toen gebruik van de mogelijkheden die het landschap bood. Dit veranderde toen men zich in nederzettingen ging vestigen, met daaromheen bouw- en grasland. In het Neolithicum ontstonden geleidelijk territoria, die door de gebruikers uitgelegd werden als bezit. Net als in de tijd van de Bandkeramische cultuur zullen onderlinge twisten over eigendomsrechten, bezit, vee en oogsten zo nu en dan tot lokale oorlogen, plunderingen en brandschattingen hebben geleid. Niets is mensen vreemd, ook toen niet.

In de gemeenschappen van Trechterbekerboeren ontstonden door aanzien, welvaartsverschillen en ook door territoriavergroting geleidelijk standsverschillen, waarbij elites ontstonden die het voor het zeggen hadden. Ook dit zal ongetwijfeld geleid hebben tot conflicten en strubbelingen om macht en aanzien. Een uitvloeisel hiervan is onderdrukking, uitbuiting en mogelijk zelfs slavernij.

De landbouwrevolutie in het Neolithicum bracht daarnaast een verandering teweeg in het sortiment gereedschap. Naast allerlei kleine ‘huishoudelijke’ werktuigen had men bijlen nodig om bomen te kappen, dissels om hout te bewerken en werktuigen om de bodem geschikt maken voor akkerbouw. Een probleem was dat geschikt vuursteenmateriaal vrijwel niet meer te vinden was. De meeste vuurstenen waren klein van stuk en doorgaans slecht van kwaliteit. Bijlen moesten daarom van ergens anders gehaald worden. Op talrijke plaatsen in Noord-Nederland, maar in het bijzonder in Drenthe zijn bijlen en dolken van vuursteen gevonden, die geïmporteerd zijn uit Noord-Duitsland, Denemarken of zelfs Zuid-Zweden. Ook van het Duitse Noordzee-eiland Helgoland kwamen vuursteenknollen en halfproducten naar het vasteland. Dat ging in boten over zee, waaruit blijkt dat men toen men al kennis had van navigatie op zee.

Kwalitatief goede vuursteen kwam/komt voor op de steenstranden voorlangs keileemkliffen aan de Oostzee. In de prehistorie werden hiervan grote vuurstenen bijlen, sikkels e.d. gemaakt. Deze werden als gereed product geruild/verkocht. Grote vuurstenen bijlen werden veelal als halfproduct verhandeld.

Naast landbouwgereedschap waren ook wapens van belang. De strijd om macht en aanzien was oorzaak dat er strijdwapens werden ontwikkeld. Het gebruik hiervan ging hand in hand met het beschermen van huis en haard tegen plunderingen en overvallen. Werpsperen, spiezen, pijl-en-boog, messen, dolken en bijlen van vuursteen waren al bekend. In het Neolithicum gebruikte men hiervoor ook andere zwerfsteensoorten dan vuursteen. In onze streken werden van donkere ijzerrijke zwerfstenen hamerbijlen gemaakt, ook wel strijdhamers genoemd. Deze steensoorten waren weliswaar minder hard dan vuursteen, maar ze waren taaier, waardoor ze niet snel braken.

De ‘Boerema-bijl’. Deze strijdhamerbijl met een verbrede schouder aan weerszijden van het boorgat, is gevonden in het Boerema-park in Haren (Gr.). De bijl is van een donker ijzer- en magnesiumrijk gesteente gemaakt.

Hamerbijlen verschillen van vuurstenen bijlen doordat deze doorboord zijn. Het boorgat ligt evenwijdig aan de snede van de bijl. De achterzijde van deze bijlen eindigt meestal stomp, hamervormig. Daarom ook de naam hamerbijl. De aanwezigheid van een boorgat maakte het mogelijk hamerbijlen aan een houten stelen te bevestigen. Het boorgat werd gemaakt met een massieve of holle boor, die rondgedraaid werd. Als schuurmiddel werd zand gebruikt. Zandkorrels van kwarts zijn harder dan het bijlgesteente. De boorgaten konden recht zijn of meer zandlopervormig. In het laatste geval maakte men de doorboring deels met klopstenen. Deze methode wordt ‘pecking’ genoemd.

Hamerbijl gevonden in Oosterdalfsen (Ov.). De bijl is gemaakt van een noordelijke zwerfsteen van (meta)gabbro. De vorm van de bijl zal in eerste instantie door pecking zijn gemaakt. Vervolgens is de bijl, nadat het gat geboord was, geslepen.

Er zijn verschillende typen hamerbijlen bekend. Ze werden tot in de IJzertijd gebruikt. Uit de Bronstijd zijn stenen hamerbijlen bekend die sprekend op gegoten bronzen bijlen leken, inclusief gietnaden en randen. Brons was toen erg kostbaar. Een stenen bijl die op die van brons leek zal ongetwijfeld status hebben gehad.

Hamerbijlen of strijdhamers werden gemaakt van specifieke steensoorten. Hoewel ze ook van graniet en van kwartsietische zandsteen bekend zijn, koos men in onze streken in de meeste gevallen voor gabbro, diabaas, dioriet, basalt en amfiboliet. Deze steensoorten komen als zwerfsteen veel voor.

Knophamerbijl, gevonden bij Heerde in Gelderland. Dit was ongetwijfeld een slagwapen, aangezien een snede ontbreekt. Het maken van zo’n bijl getuigt van vakmanschap. De bijl is gemaakt van diabaas. Foto: Rijksmuseum van Oudheden.

Gabbro en diabaas

Deze gesteentesoorten waren het meest geschikt om hamerbijlen van te maken. Dit heeft te maken de eigenschappen van deze gesteenten. Beide steensoorten bestaan voor een belangrijk deel uit magnesium- en ijzerrijke mineralen, zoals hoornblende en augiet. Ze zijn ook verantwoordelijk voor de donkere kleur van het gesteente. Verder komt een wisselend percentage plagioklaas voor. Dit is een karakteristiek witverwerende veldspaatsoort. In sommige gabbro’s en vooral in diabaas vormt deze veldspaat platte kristallen. In diabaas zijn deze onder alle mogelijke hoeken met elkaar vergroeid. Ze verlenen diabaas een ietwat hakerig uiterlijk. Tussen de plagioklaaskristallen liggen kristallen van donkere augiet (pyroxeen) en magnetiet. Diabaas is van vulkanische oorsprong, maar heeft dezelfde samenstelling als gabbro.

Gabbro is een dieptegesteente, dat op grotere diepte in de aardkorst langzaam uit magma is gekristalliseerd. Hierbij ontstaan grote, met het blote oog zichtbare kristallen. Gabbro is daarom meestal grofkorreliger dan diabaas. De meeste zwerfstenen van gabbro en diabaas zijn van Precambrische ouderdom. Het zijn dus bijzonder oude gesteenten. De meerderheid is zelfs tussen 1700 en 2000 miljoen jaar oud! Door hun hoge leeftijd hebben zich in deze gesteenten hydrothermale veranderingen voltrokken. Onder invloed van heet, in de aardkorst circulerend poriewater, zijn kristallen van donkere augiet door wateropname omgezet in amfibool (=actinoliet). Actinoliet heeft een vezelige kristalstructuur en is groenzwart van kleur. De meeste zwerfstenen van gabbro, vooral die in het Hondsruggebied, zijn op deze wijze omgezet. De omzetting is een vorm van metamorfose, vandaar dat deze gabbro’s in de geologie meta-gabbro’s genoemd worden. De vezelige actinoliet maakt dat het gesteente weliswaar minder hard is dan vuursteen, maar onder de hamer is het zeer taai. Deze eigenschap maakte gabbro en meta-gabbro zeer geschikt als grondstof voor hamerbijlen.

Dioriet – Zwerfsteen van Groningen. Dit is een grofkorrelig wit/zwart dieptegesteente. Het witte mineraal is plagioklaas, zwart is hoornblende. Verder komt nog een piets kwarts voor en biotiet. Dioriet is door zijn hoge plagioklaasgehalte kwetsbaarder voor breuk dan gabbro of diabaas.
Gabbro – Zwerfsteen van Nijbeets (Fr.). Is een zwaar gesteente dat uit zwarte amfibool (hoornblende) en basische plagioklaas bestaat. De plagioklaas in gabbro is calciumrijker dan in dioriet. De kleur is meer grijs dan wit. Door het hoge gehalte aan hoornblende is het gesteente taai onder de hamer. Van gabbro bestaan bijzonder veel typen, ook onder zwerfstenen.
Meta-gabbro – Zwerfsteen van Borger (Dr.). Door de hoge ouderdom van Scandinavische gabbro’s zijn de meeste hydrothermaal omgezet. Hierbij is de oorspronkelijke pyroxeen (augiet0 door wateropname omgezet in zwartgroene amfibool (actinoliet). Deze amfiboolsoort verweert donkergroen tot grijsgroen. Meta-gabbro is het meest voorkomende type gabbro in het Hondsruggebied.
Meta-gabbro – Zwerfsteen van Borger (Dr.). In dit zwartgroene gesteente is de plagioklaas door verwering opgelost en verdwenen. De buitenzijde is daarom pokdalig. Het merendeel van het gesteente bestaat uitdonkergroene amfibool (=actinoliet). Het metamorfe karakter komt in deze steen tot uitdrukking door een geringe parallele rangschikking van de mineralen.

Hetzelfde geldt voor diabaas. Het meest voorkomende diabaastype wordt in de zwerfsteenkunde Oeje-diabaas genoemd. Het is een fijnkorrelig gesteente, waaraan de typisch hakerige structuur alleen aan de verweerde buitenzijde goed opvalt. Ook in deze diabaasstypen is augiet omgezet in groenzwarte actinoliet. De fijnkorreligheid, de homogene structuur van het gesteente in combinatie met de hakerige vergroeiing van plagioklaas en andere mineralen is oorzaak dat dit gesteente bij uitstek geschikt was voor strijdhamers. 

Diabaas (Asby/Ulvö-type) – Zwerfsteen van Haddorf (Dld.). Diabaas is een opvallend zwerfsteentype met een hakerig uiterlijk. Het is van vulkanische oorsprong. Het heeft de samenstelling van gabbro. Diabaas ontstond in de toevoerspleten van magma in vulkaanlichamen of in gangen en sills dieper in de aardkorst. Diabaas is niet hard maar wel buitengewoon taai. Sommige typen lijken onder de hamer wel smeedijzer.
Porfierische Oeje-diabaas – Zwerfsteen van Haddorf (Dld.). Oeje-diabaas was in de steentijd favoriet bij het maken van hamerbijlen. Het is een homogeen fijnkorrelig gesteente, met dezelfde hakerige structuur als de meer grove typen. Door deze structuur is het een makkelijk te bewerken gesteente. Hamerbijlen van dit gesteente waren in gebruik bijzonder taai. Eventuele beschadigingen konden makkelijk worden hersteld. De hardheid van het gesteente is niet erg groot. Op slijpstenen van zandsteen is het gesteente goed te slijpen.
Vier verschillende diabaas-typen die in Noord-Nederland vrij veel als zwerfsteen voorkomen. Het type rechtsboven is Kinne-diabaas uit Zuid-Zweden.

Hamerbijlen zijn minder vaak van gesteenten als dioriet en amfiboliet gemaakt. Dioriet heeft een andere samenstelling dan gabbro en diabaas. Het hoofdbestanddeel is plagioklaas met daarnaast een wisselend percentage zwarte hoornblende. De korreligheid en de samenstelling maakt dat dit gesteente breukgevoeliger is. Hetzelfde geldt voor amfiboliet. In dit donkere, metamorfe gesteente zijn de mineralen in meer of mindere mate parallel aan elkaar gerangschikt. Hoewel het gesteente goed te bewerken is, is ook hier de breukgevoeligheid een dingetje. Eén ding is duidelijk, mensen in de Trechterbekertijd en latere cultuurperioden hadden een zeer goede kennis van zwerfsteensoorten. Ze konden ze in het veld, ondanks de verschillende stadia van verwering, goed herkennen en ook de gebruiksmogelijkheden waren goed bekend. Afhankelijk van de vindplaats kunnen zwerfstenen door verwering heel verschillend van uiterlijk zijn. Herkenning is niet eenvoudig. Menige zwerfsteenverzamelaar kan hierover meepraten.

Bijlen en hamerbijlen van amfiboliet komen minder vaak voor. Amfiboliet is een metamorf gesteente, waarbij de mineralen in meerdere of mindere mate parallel gericht zijn. Amfiboliet is daardoor gevoeliger voor breuk dan gabbro en diabaas. De meer gelijkkorrelige typen amfiboliet zijn megascopisch vrijwel niet van gabbro te onderscheiden.

Het gebruik van hamerbijlen

Hoewel hamerbijlen ook wel strijdhamers genoemd worden, is ook na jaren van onderzoek niet goed duidelijk waarvoor ze precies zijn gebruikt. De vorm van de bijlen en de materiaalkeuze suggereert een gebruik als wapen. Dat ze gebruikt zijn als een soort beitel om hout te splijten, om er ijzeroer mee op te graven of als een soort ploeg, zoals wel verondersteld is, is onwaarschijnlijk. De beschadigingen op de bijlen zijn hiermee niet in overeenstemming.

Een serie hamerbijlen uit de vroege Trechterbekertijd. De vormvariatie wijst er op dat deze bijlen voor verschillende doeleinden zijn gebruikt.

Behalve dat hamerbijlen een breed scala aan beschadigingen tonen, zijn ook talrijke gevonden, die volkomen gaaf zijn. Interessant is het aantal gebroken exemplaren. Vondsten bij Aartswoud in Noord-Holland hebben uitsluitend gebroken exemplaren opgeleverd. Aan de bijlen zelf ontbreken beschadigingen of deze zijn minimaal. Het heeft er alle schijn van dat er bij Aartswoud sprake is van moedwillige breuk. Het is onbekend waarom dit zo is. Het zou om grafgiften kunnen gaan die nooit gebruikt zijn en die om rituele redenen gebroken in het graf zijn achtergelaten. Bijzonder is ook dat van de gevonden bijlfragmenten er heel weinig waren die met de andere helft gefit konden worden. Deze ontbraken vaak. Duidelijk is wel dat hamerbijlen op de plaats van het boorgat het meest gevoelig waren voor breuk, reden waarom ze op deze plaatsen vaak schouderachtig verdikt zijn. Uit een inventarisatie van in Friesland gevonden hamerbijlen blijkt dat ruim een derde gebruiksschade vertoont.

Een fraai vormgegeven hamerbijl uit de Trechterbekertijd. De bijl is gemaakt uit een zwerfsteen van Oeje-diabaas. Dit is een fijn tot kleinkorrelig type diabaas. De groenachtige tint wijst op omzetting van zwarte pyroxeen in zwartgroene actinoliet. Dit is een fijnvezelige amfiboolsoort, die maakt dat deze bijlen samen met de hakerige structuur breukbestendig zijn.

Het gesteente waar hamerbijlen van gemaakt zijn breekt niet makkelijk. De vezelige structuur maakt dat de schok van inslagen beter ‘verteerd’ wordt dan bij bijlen van vuursteen. Deze relatief zware bijlen hebben in combinatie met een enigszins flexibele houten steel een grote slagkracht. Dat de verschillende modellen hamerbijlen ook bekend staan als strijdhamers, geeft het meest waarschijnlijke gebruik aan. Het stompe uiteinde van deze bijlen lijkt hiermee in overeenstemming. Dat hamerbijlen vaak in betrekkelijk ongeschonden staat worden gevonden, hoeft op zich niet vreemd te zijn. Bij conflicten zullen de hamerkoppen vooral op het lichaam van de tegenstander gericht zijn geweest. Inslagen op lichaamsdelen leveren bij de hamers in de meeste gevallen geen beschadigingen op. Bovendien mag verwacht worden dat de Trechterbekermensen zich bij gevechten met een schild of iets wat er op geleken heeft, hebben beschermd. Inslagen hierop zullen doorgaans ook weinig beschadigingen veroorzaakt hebben, of het zou moeten zijn dat bij een ongelukkige gerichte slag de hamerbijl brak.

Hamerbijl van gabbro – IIstijdenmuseum Buitenpost. De stompe kop van de bijl toont duidelijk beschadigingen. Beschadigingen als deze ontstaan alleen als er mee op een harde ondergrond of tegen een hard voorwerp wordt geslagen. Gabbro is een taai gesteente dat slagkrachten door zijn structuur goed opvangt.

Het stompe hamervormige eind van hamerbijlen, kan en zal ook een veel prozaïscher gebruik gekend hebben. Men hield vee, dat in veel gevallen ingeschaard moest worden. Dat is waarschijnlijk gedaan met vlechtschemen die aan stokken of paaltjes waren bevestigd, die in de grond geslagen werden. In veel zal hiervoor een hamer gebruikt zijn. Misschien dat hamerbijlen daar ook voor gebruikt zijn. Hoewel hamerbijlen vaak strijdhamer genoemd worden, is het gebruik ervan beslist veel gevarieerder geweest.

Vorig artikelStap terug in het verleden tijdens het Oerweekend, 22 en 23 oktober
Volgend artikelNieuw archeologisch museum geopend in Chania, Kreta
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.