036 De Klokbeker-cultuur duurde van ca. 2400 tot 1900 v.Chr. Van deze boerencultuur in ons land weten we weinig. Van de grootte van de nederzettingen en de huizen/boerderijen zijn zeer weinig gegevens bekend. Akkerbouw en veeteelt waren de voornaamste bestaansbronnen. Daarnaast dreef men handel, en ook op metallurgisch gebied was veel kennis aanwezig.

In het vorige verhaal over de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) is lang niet alles verteld. Sommige onderwerpen en gebeurtenissen die deze cultuurperiode kenmerken bleven onbesproken. Dit geldt ook voor het Laat-Neolithicum. In deze turbulente periode werden nieuwe ontdekkingen gedaan en gebeurden er dramatische dingen.

De Bandkeramische cultuur in Zuid-Limburg en de hunebedden die kenmerkend zijn voor de Trechterbekercultuur daarna, zijn ingebed in een periode van de prehistorie waarbinnen ontdekkingen en uitvindingen van grote invloed waren op de ontwikkeling van Europa. Vanaf 3000 voor Chr. zien we dat mensen voor het eerst op grotere schaal metaal gaan toepassen. Allereerst was dit goud, dat door zijn kleur, glans en zeldzaamheid al zeer vroeg de aandacht trok. Ook metalen als koper en later brons kwamen in zwang. Er ontstonden handelsnetwerken door heel Europa waarbij ruw metaal en metalen gebruiksvoorwerpen werden verhandeld.

Goud was het allereerste metaal in de prehistorie dat de mens leerde gebruiken en dat gebruikt werd voor sieraden en bij het uitvoeren van rituelen. In pure vorm werd goud als korreltjes en kleine klompjes (nuggets) gevonden in snelstromende bergbeken en rivieren. Puur goud heeft een heldere, geelachtige kleur, die met geen ander metaal te vergelijken is. Het is zwaar maar toch makkelijk bewerkbaar. Goud behoudt kleur en glans omdat het niet in water of lucht oxideert. Kleur en uitstraling van goud werden gekoppeld aan dat van de zon. Het bezit ervan werd als erg aantrekkelijk en prestigieus beschouwd.
Bij de stad Varna aan de Zwarte Zee in Bulgarije zijn in 1972 bij graafwerkzaamheden op een industrieterrein de oudste gouden sieraden ter wereld ontdekt. Ze dateren uit de periode van 4.600 tot 4.200 voor Christus. In een van de graven werd het skelet van een man gevonden, die waarschijnlijk een belangrijke status moet hebben gehad. Het graf bevatte onder meer talrijke gouden voorwerpen. Om zijn armen droeg de man zware gouden armbanden, om zijn hals een gouden ketting en in zijn hand had hij een gouden scepter.

Ingrijpende culturele veranderingen in de Trechterbekertijd blijken ook uit opgravingen in binnen- en buitenland. Omstreeks 2750 v.Chr. kwam abrupt een einde aan deze voor Noord-Nederland zo kenmerkende cultuur. De Trechterbekercultuur werd gevolgd door een periode die we kennen als Touwbekercultuur (2900-2450 v.Chr). De Enkelgrafcultuur (2750-2400 v.Chr.) in ons land is hier onderdeel van.

De laatste jaren is duidelijk geworden dat de culturele veranderingen in de Trechterbekercultuur het gevolg waren van groepen migranten, die uit de huidige Oekraïne en Rusland westwaarts trokken, Europa in. Naast andere gebruiken en rituelen namen zij ook uitvindingen mee, zoals twee- en vierwielige wagens die door ossen en/of paarden getrokken werden. De taal die deze migranten spraken blijkt de basis te vormen voor de grootste talenfamilie ter wereld, het Indo-Europees. Deze talen worden in heel Europa gesproken tot in India aan toe. Zowel in de talen die in Europa worden gesproken, als in het DNA van Europeanen is deze duizenden jaren oude migratiegolf van steppeboeren uit Oost-Europa nog duidelijk te herkennen.

Nomadische veeherders van de Yamnaya-cultuur trokken rond 3000 jaar v.Chr. vanuit de grassteppen in Zuid-Rusland en de Oekraïne met karren en door paarden getrokken wagens naar het westen, waar ze in korte tijd nieuwe gebieden koloniseerden en aanwezige volkeren aan zich onderwierpen.

Enkelgrafcultuur

Binnen de Touwbekercultuur in het Laat-Neolithicum worden in ons gebied een viertal subculturen onderscheiden: Enkelgrafcultuur, Klokbekercultuur, Wikkeldraadbekercultuur en de Elp-cultuur. Elders in Nederland gebruikt men weer andere benamingen. De Touwbekercultuur duurde van 2900 tot zo’n 2450 v.Chr. en komt voor in een groot deel van Europa. De aandacht in dit verhaal gaat uit naar de belangrijkste subculturen, de Enkelgraf- en de Klokbekercultuur.

Graven en grafheuvels

De Enkelgrafcultuur wordt ook wel enkelkamergrafcultuur genoemd. Het wijst op een vorm van lijkbezorging, waarbij de doden individueel in aparte graven werden begraven. Soms zijn het vlakgraven, maar vaak werd over de graven een kleinere of grotere heuvel van zand en plaggen opgeworpen. Dit gebruik zou meer dan 2500 in zwang blijven. De graven in de grafheuvels duiden waarschijnlijk op belangrijke personages. De doden liggen met opgetrokken knieën op hun zij. Er zijn aanwijzingen dat men onderscheid maakte tussen mannen en vrouwen. De mannen werden op hun rechterzij gelegd, met het gezicht naar het zuiden. De vrouwen kwamen op hun linker zij in het graf te liggen. Dit gebruik wijst op een religieus wereldbeeld, waarbij hemellichamen als zon en maan en mogelijk ook sterren een belangrijke rol speelden.

Aan het eind van de Trechterbekercultuur en tijdens de Enkelgrafcultuur werden overleden personen begraven in vlakgraven of over het graf werd een heuvel van zand en plaggen opgeworpen. De doden werden met opgetrokken knieën, in foetushouding op hun zij gelegd. De mannen op hun rechterzij, de vrouwen op hun linker zij.

In de graven worden vaak grafgiften aangetroffen van aardewerk en gereedschappen/wapens, waaronder karakteristiek vormgegeven stenen bijlen. In sommige gevallen lijken de stenen bijlen kopieën te zijn van koperen bijlen. Op de bijlen komen vormen voor die hierop duiden.  Bovendien zijn deze bijlen vaak onbeschadigd. Het vermoeden is dat het hierbij om statussymbolen gaat. De bijlen zijn gemaakt van (meta)gabbro, diabaas, amfiboliet of dioriet. Dit zijn donkere, ijzerrijke en vooral taaie gesteenten. Onder noordelijke zwerfstenen zijn ze niet zeldzaam. De Enkelgrafcultuur wordt hierom ook wel aangeduid als de strijdhamercultuur of strijdbijlcultuur. Daarnaast zullen ongetwijfeld nog tal van andere voorwerpen in de graven zijn meegegeven. Maar als deze van vergankelijk organisch materiaal waren, is hiervan in de zure zandbodem niets bewaard gebleven.

Strijdbijlen, knotsen en beitels uit de Enkelgrafcultuur van Sleeswijk-Holstein (Dld.). De bijlen zijn vrijwel zonder uitzondering gemaakt van kleinkorrelige Oeje- en Kinnediabaas. Dit zijn een goed te bewerken gesteenten, met als bijzondere eigenschap dat diabaas een taai gesteente is, dus moeilijk breekt.
Porfierische Oejediabaas – Zwerfsteen van Neuenkirchen (Dld.). Deze zwerfsteen bevat enkele grotere eerstelingkristallen van plagioklaas. Oejediabaas is een donker ijzer- en magnesiumrijk gesteente, dat verwant is aan basalt. Het bestaat uit een wirwar van kleine tafelbladvormige kristallen van plagioklaas, die onder alle mogelijke hoeken met elkaar vergroeid zijn. De overige mineralen bestaan veelal uit omgezette, in actinoliet veranderde pyroxeen, chloriet en magnetiet. Oejediabaas komt onder noordelijke zwerfstenen veel voor.
Porfierische Oejediabaas, detail grondmassa. Goed zichtbaar is de hakerige structuur van met elkaar vergroeide plagioklaaskristallen. Deze structuur verleent diabaas zijn taaiheid. De donkergroene grondmassa tussen de lijstvormige plagioklaaskristallen bestaat uit amfibool, chloriet en magnetiet. De oorspronkelijk aanwezige pyroxeen (augiet) is door wateropname omgezet in vezelige amfibool, waarschijnlijk actinoliet.

De wijze van lijkbezorging in de Enkelgrafcultuur komt vooral voor in Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland. De bijzettingen en grafgiften vormen een regionale variatie op een grotere cultuurgroep, die zich van Midden-Europa uitstrekte tot in Scandinavië. Ze getuigen van andere gebruiken en rituelen. De Enkelgrafcultuur wordt de laatste jaren in verband gebracht met de verspreiding van een nieuwe taalgroep en bijbehorende cultuur in grote delen van Europa. De nieuwkomers introduceerden nieuwe uitvindingen, gebruiken en hadden een ander religieus wereldbeeld. De bestaande bevolkingsgroepen hebben deze gebruiken en rituelen, al of niet gedwongen, zo snel overgenomen dat deze binnen een halve eeuw gemeengoed waren geworden.

Het is goed om te realiseren dat de graven en grafgiften alleen voorbehouden waren aan mensen die in de gemeenschap macht en status bezaten. De man van de straat, om het zo maar uit te drukken, kreeg als zijn tijd gekomen was, een rustplaats op een onopvallende plaats. Hiervan is maar weinig overgebleven. Deze gebruiken zijn niet iets uit het Laat-Neolithicum. In de voorafgaande Trechterbekertijd deed men het niet anders, net zomin als in de latere perioden. Het is een beeld dat we in vrijwel alle culturen op aarde tegenkomen. Alleen machthebbers, de rijken en andere mensen van aanzien werden met de nodige pracht en praal begraven, waardoor juist zij nog duizenden jaren konden ‘overleven’.

Reconstructie van de begrafenis van een hoofdman van het Yamnaya-volk. Naast een met voedsel gevulde standvoetbeker, krijgt hij wapens mee en wordt een os geofferd. Op een matje ligt rode oker. Hiermee werden de doden ingesmeerd. De Yamnaya waren immigranten, die in korte tijd over grote delen van Europa zijn uitgezwermd. Zij brachten andere gebruiken en rituelen mee, die door de plaatselijke bevolking, al of niet gedwongen, heel snel werden overgenomen.

Bijzonder en tegelijk opvallend is dat men de doden bij voorkeur begroef langs doorgaande wegen. In die tijd was namelijk al sprake van een goede infrastructuur van paden en zandwegen, waarlangs men zich lopend of met door dieren getrokken karren verplaatste, tot ver in het buitenland. De cultus van het bijzetten van de doden langs wegen had waarschijnlijk als betekenis dat de overledenen zo op een voor de hand liggende manier naar het dodenrijk konden reizen. Het is niet onwaarschijnlijk dat men de doden bij het begraven ook voorzag van eten en drinken. 

Tussen Bremen en Cloppenburg ligt zuidelijk van Wildeshausen het Pestruper grafveld. In een heidegebied met grove dennen, berken en jeneverbessen ligt het grootste grafveld uit de prehistorie. Op een oppervlak van ongeveer 30 hectare liggen 530 grotere en kleinere grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd. Het grafveld ligt langs een route tussen Oldenburg-Meppen en Osnabrück. Deze ‘Strasse der Megalithkultur’ is meer dan 300 kilometer lang.

Wat maakt het aardewerk bijzonder?

De veranderingen in de Enkelgrafcultuur zien we ook terug in de vormen en versieringen van het aardewerk. Ze zijn karakteristiek voor de Touwbekercultuur in grote delen van Europa. In onze streken vatten we deze cultuurperiode en zijn subculturen wel samen met het begrip Bekercultuur.

De uitdrukking Standvoetbekercultuur is een andere naam voor Enkelgrafcultuur. De naamverwijst naar het slanke S-vormige profiel van het aardewerk. De bekervormige aardewerkvazen zijn in het midden iets ingesnoerd. Grote bekers zijn voorzien van een voetje en zijn aan de buitenzijde rijk versierd met motieven. Naast standvoetbekers waren in deze periode ook klokbekers in gebruik. Dit type aardewerk is te beschouwen als een verdere ontwikkeling van dat uit de Trechterbekertijd en is tegelijk een verzameluitdrukking voor een aantal verwante Europese Neolithische culturen. Standvoetbekers werden vaak als grafgift meegegeven. De versiering ervan is bijzonder decoratief. Het oudst is de touwbanddecoratie. Hierbij werden de aardewerkvazen voor het afbakken van de bekers met touw omwikkeld, waardoor de indrukken ervan in de klei afgedrukt werden. De decoratieve zigzag- en visgraatmotieven, afgewisseld met horizontale lijnen en steekmotieven, zijn van latere datum.

Standvoetbeker. In een grafheuvel bij Twello werd deze slanke keramieken beker aangetroffen, samen met een hamerbijl van gabbro, een vuurstenen bijl en een dito mes. Foto Archeoweb.
Standvoetbeker uit Barneveld, fraai versierd met lijnvormige motieven en steekpatronen. Foto: Museum van Oudheden.
Klokbeker. In 2014 vond men bij Hattem een kindergraf met grafgiften van een fraai versierde klokbeker, een dito schaal, vergezeld van een aantal vuurstenen schrabbers en mesjes. Foto: Voerman Museum.
Keramiekschaal uit de Klokbekertijd, gevonden bij Hattem. Foto: Voerman Museum.

Hoe leefde men in de Enkelgrafperiode?

Het leefgebied van de bevolking in de Enkelgrafcultuur beperkte zich in ons land vooral tot de hogere zandgronden in Noord- en Oost-Nederland. Ook bewoonden ze delen van de duinstreken. Bijzonder is dat over hun nederzettingen vrijwel niets bekend is. Ook niet in welk type huis ze woonden. Het kan zijn dat men toen geen onderkomens bouwde die gebaseerd waren op sterke gebinten, waarvan de stijlen in de grond waren ingegraven. Karakteristieke paalgatverkleuringen in de zandbodem zijn in Drenthe tot dusver niet aangetroffen.  

Geromantiseeerde schildering van het boerenleven tijdens de Enkelgrafcultuur. De manier waarop men vee hield en gewassen verbouwde, waren een voortzetting van hoe men dit in de late Trechterbekertijd deed.

Wat leefwijze van de mensen betreft is de Enkelgrafcultuur te vergelijken met het Trechterbekertijd. Het waren boerensamenlevingen, waarin aan akkerbouw en veeteelt gedaan werd. Akkerbouw speelde een belangrijke rol. Nieuwe akkers legde men aan op stukken ontgonnen bos. Waarschijnlijk hanteerde men dezelfde werkwijze als in de Trechterbekertijd. Eerst werden de bomen gekapt, die men tevoren waarschijnlijk geringd had. Of men de ontgonnen stukken land vervolgens in brand stak, is niet duidelijk, maar wel aannemelijk. Men verbouwde gerst, erwten, emmertarwe, eenkoorn en vlas. Gereedschappen als vuurstenen sikkels en maalstenen bevestigen dit beeld. Of men aan een vorm van bemesting deed, is niet duidelijk. Bij niet bemesten dreigde na een paar oogsten uitputting van de grond. De uitgeputte akkers werden braak gelegd. Hierop liet men waarschijnlijk vee grazen. Was na een aantal jaren de vruchtbaarheid weer op peil, dan nam men ze weer in gebruik.

Van vuursteen werden in deze tijd nog allerhande gebruiksvoorwerpen gemaakt, zoals deze vuurstenen bijl van noordelijke vuursteen
Een vergelijkbare bijl met daaraan een steel van essenhout, werd in het Sigerslev-moeras bij Praestö in Denemarken gevonden.
Vuurstenen dolk zonder heft uit de Enkelgrafcultuur. De dolk is gemaakt van Rijckholt-vuursteen uit Zuid-Limburg.
Akkers werden geploegd met het eergetouw. Hiermee werden in de akkergrond voren getrokken, waarin gezaaid kon worden. De keerploeg zou nog even op zich laten wachten. De boer achter het eergetouw moest met zijn lichaamsgewicht de ploegpen in de akkergrond drukken, terwijl ossen de ploeg voorttrokken.

Het boerenbedrijf was van een gemengd type. Naast akkerbouw hield men ook rundvee, geiten, schapen en varkens. Daarnaast jaagde men ongetwijfeld als aanvulling op het menu op allerlei wild. Dit was in de omringende bossen en velden nog ruimschoots voorhanden. We moeten hierbij denken aan dieren als eland, edelhert, bruine beer, oeros, ree en wild zwijn. Ook zal men op vogels gejaagd hebben en vis hebben gevangen.

Uit vondsten van houten schijfwielen blijkt dat men in die tijd beschikt moet hebben over karren. Deze werden waarschijnlijk door ossen getrokken. De wielen zijn van eikenhout. Ze kwamen in Drenthe bij het graven van turf uit het veen tevoorschijn. Ook kennen we van verschillende plaatsen in Drenthe boomstamwegen, die het veen inliepen. Deze zijn vermoedelijk aangelegd om moerasgebieden over te kunnen steken. Of ze ook een ander, mogelijk religieus doel hadden, is niet bekend. Bijzonder is dat sommige wegen blind in het veen eindigen.

Immigranten uit Oost-Europa brachten gebruiken en nieuwe uitvindingen mee. Eén ervan was de vierwielige wagen. Of deze wagens steeds door ossen getrokken werden of ook door paarden, is niet duidelijk.

Van gebruiken en gewoonten in de Enkelgrafcultuur is niet veel bekend, wel dat rituelen een rol gespeeld hebben, al begrijpen we deze niet. In 1989 werd bij toeval bij Sijbekarspel in Noord-Holland een graf blootgelegd. Het graf was afgedekt door een dikke laag klei en zand dat was afgezet bij overstromingen van het gebied. In het graf werd een menselijk skelet in hurkhouding aangetroffen. Onderzoek aan het skelet maakte duidelijk dat het hier om een meisje ging, dat vrij zeker ritueel is geofferd. Een groot gat in de schedel geeft aan dat ze door geweld om het leven is gekomen. Onderzoekers dateerden het skelet op ongeveer 4800 jaar oud. Het meisje was ongeveer 1.53 lang en moet volgens de onderzoekers ziekelijk zijn geweest door gebrek aan goede voeding. Onderzoekers hebben het skelet de naam “Miesje” gegeven. In de omgeving van Sijbekarspel zijn ook sporen gevonden van bewoning uit die tijd.

‘Miesje’ van Sijbeskarspel. In 1989 werd bij toeval het skelet van het ‘Woiffie van Soibekarspel’ opgegraven. Het skelet heeft zo’n 4500 jaar onder de grond gelegen. Ze behoorde tot de Enkelgrafcultuur en was in hurkhouding begraven. De schedel vertoonde een groot gat. Men vermoedt dat het meisje, dat bij leven ziekelijk moet zijn geweest, geofferd is.

De Neolithische cultuur dramatisch op zijn kop gezet.

Het Laat-Neolithicum wordt soms aangeduid als strijdhamercultuur, vanwege de stenen hamers die toen in gebruik waren. De hamers waren niet uniek in deze periode. In de voorafgaande Trechterbekertijd had men ze al, en ook in de Bronstijd waren ze nog in gebruik. Het gebruik van deze gereedschappen/wapens strekt zich dus over een veel langere tijdspanne uit. De laatste jaren wordt het abrupte einde van de Trechterbekercultuur in onze regio en het verschijnen van de Enkelgrafcultuur uitgelegd als het gevolg van migratie door een volk uit Oost-Europa. De veronderstelling is dat deze migranten zich waarschijnlijk met geweld over Europa verspreid hebben. In het hoofdstuk verderop leest u hier meer over. De stenen bijlen zijn vaak beschadigd. Dit wijst op gebruik, mogelijk in conflicten. Door de vorm ervan worden deze ook wel hamerbijlen genoemd.

Een beschadigde knophamerbijl van 3000-2700 v.Chr.,gevonden bij Wapenveld (Heerde) in Gelderland. Strijdhamers zijn vaak door het gebruik beschadigd. Met de scherpe kant (snede) konden bomen omgehakt worden, met de stompe kant was het een geducht wapen. Uit opgegraven skeletten blijkt vaak dat schedels grote gaten bezitten. Het wijst er op dat deze mensen met geweld om het leven zijn gebracht, waarschijnlijk door een slag op het hoofd met de stompe kant van de bijl. Foto:Rijksmuseum van Oudheden.

In de vorige aflevering is al uitgebreid ingegaan op deze hamerbijlen en op de steensoorten waar ze van gemaakt werden. Hier wordt volstaan met een algemene beschrijving. Hamerbijlen verschillen van vuurstenen bijlen door hun vorm en het feit dat ze doorboord zijn. Hierdoor konden ze aan een flexibele houten steel worden bevestigd. De gaten werden waarschijnlijk met behulp van een boogboor gemaakt. Een boogboor is een primitief boorinstrument dat met de hand bediend werd. Het koord van de boog werd om de boorstaaf gewikkeld en door de boog strak gehouden. Door met de boog heen en weer gaande bewegingen te maken draaide de boor rond. Waarschijnlijk werd met behulp van kwartszand zo een rond gat uitgeschuurd. In plaats van kwartszand als schuurmiddel zou men het uiteinde van de houten boorstaaf ook voorzien kunnen hebben van een punt van vuursteen. De fijne groevenstructuur in veel boorgaten doen aan dit laatste denken.

Een boogboor is een primitief, met de hand gebruikte boor, waarmee men niet alleen vuur kon maken, maar ook gaten in strijdhamerbijlen kon boren. Hiervoor werd een massieve of holle boorstaaf van hout of bot gebruikt. Door de boog heen en weer te bewegen werd de boorstaaf rondgedraaid. Met behulp van zand als schuurmiddel werd een rond gat geboord.

Bij hamerbijlen ligt de scherpe kant van de bijl, die snede genoemd wordt, evenwijdig aan het boorgat. De achterkant van de bijlen heeft meestal een stomp, afgeplat hamervormig of knopvormig eind. De bijlen zijn doorgaans fraai symmetrisch van vorm en gladgeslepen of gepolijst.

In sommige gevallen tonen deze bijlen vormen die overeenkomen met gegoten koperen bijlen. Op sommige knophamerbijlen zijn soms imitatie gietnaden aanwezig. Vermoedelijk gaat het bij deze bijltypen om statussymbolen, die het gebrek aan het zeer kostbare koper moesten compenseren. Mogelijk dat deze bijlen alleen bij bepaalde rituelen werden gebruikt of als statussymbool dienden.

Dat hamerbijlen als strijdhamers bekend staan, leidt men af uit de vorm. Met het afgeplatte of knotsvormige eind kon men zich in een eventueel conflict goed verdedigen. Daar zijn ook aanwijzingen voor gevonden. Veel bijlen zijn aan het stompe einde beschadigd. Verder heeft men in Duitsland en ook in Spanje graven met menselijke resten gevonden, waaruit bleek dat deze personen door geweld om het leven zijn gekomen. De schedels tonen dikwijls grote gaten als gevolg van de inslag met een stomp voorwerp.

Soms zijn strijdhamers zo fraai vormgegeven, dat ze sterk op gegoten koperen bijlen lijken. Deze bijlen werden waarschijnlijk niet gebruikt. Het lijken statussymbolen te zijn. De perfectie waarmee deze stenen bijlen zijn gemaakt wekt bewondering. Een andere theorie is dat de Yamnaya-mensen naar gebieden migreerden waar geen koperwinplaatsen voorkwamen. Omdat zij zelf niet aan mijnbouw deden, maar hun koper via handel betrokken, waren ze in hun nieuwe gebieden aangewezen op andere materialen. Dit kan de reden zijn dat zij tijdens de Touwbekercultuur teruggrepen op stenen hamerbijlen, die sterk op gegoten koperen bijlen leken, inclusief gietnaden en knoppen.

Behalve slaan kon met hamerbijlen ook gehakt worden. Uit de meestal tamelijk geringe doorsnede van de boorgaten valt af te leiden dat de bijlkoppen aan enigszins flexibele stelen bevestigd waren. Dit hoefde geen nadeel te betekenen. Sterker nog, de slagkracht van de bijlen nam hierdoor flink toe. Hoewel de snede van hamerbijlen niet vlijmscherp is, was dit bij het omhakken van bomen ook niet nodig. Het stamhout wordt met deze bijlen als het ware murw geslagen en versplinterd. Uit het gebruik van stenen bijlen in Papua Nieuw Guinea en op tal van andere plaatsen op de wereld blijkt dat bomen hiermee effectief en ook in korte tijd omgehakt kunnen worden. Verder zullen hamerbijlen ook gebruikt zijn als huisgereedschap.

Migranten uit het oosten brachten onheil

Een gedachte die nog steeds bij velen heerst is dat de hunebedbouwers oer-Europeanen waren, waaruit later de blanke Noord- en Noordwest-Europese volken zijn ontstaan. Deze veronderstelling kan echt op de brandstapel. Hunebedbouwers en hun cultuur verdwenen en wat ervan overbleef is zo’n 2800 jaar v.Chr. opgegaan in een ander volk. Dit waren migranten die afkomstig waren van wat nu Zuid-Rusland en de Oekraïne is. Het waren van oorsprong steppebewoners die tot de Yamnaya-cultuur behoorden. Ze worden ook wel als Jamna-mensen aangeduid. Deze immigranten hebben in genetisch opzicht een grote stempel op de bevolking van Europa gedrukt

De Yamnaya waren nomadische herders die op de grassteppen woonden in het oosten van de Oekraïne en in Zuid-Rusland. Omstreeks 4000 v.Chr. hadden zij het paard gedomesticeerd. Hoewel ze wat aan landbouw deden, waren het voornamelijk veehouders. Zij kenden al metalen als goud en koper. Door contacten met culturen die in de Kaukasus leefden kregen zij later ook kennis van het brons. De Yamnaya-mensen waren mobiel. Ze hadden de beschikking over karren en vierwielige wagens. Hiermee trokken zij in zeker drie immigratiegolven naar het westen, Europa in.

Wie waren deze Yamnaya-mensen?

De Yamnaya- of Kuilgrafcultuur ontstond zo’n 3600 v.Chr. in de Oekraïne en zuidelijk Rusland, in een gebied tussen de rivieren Don en Wolga. Het Yamnaya-volk was eerder door een geleidelijke integratie ontstaan uit een volk van jagers uit Siberië en landbouwers uit Anatolië (Turkije). De bewoners van de grassteppen spraken een proto Indo-Europese taal. Interessant is dat hun taal de basis zou gaan vormen voor vrijwel alle huidige gesproken Europese talen. De Yamnada waren voornamelijk nomadische veehouders die ook aan landbouw deden. Ze hielden runderen, schapen en geiten, onder meer voor de melk en ze maakten kaas, boter en andere melkproducten.

Yamnaya-mensen hadden een bijzondere eigenschap ontwikkeld. Door een mutatie waren zij lactose-tolerant. Met andere woorden, zij konden lactose in melk van dieren verteren. Mensen zonder deze mutatie verdragen geen melk. Belangrijke bestanddelen in melk als eiwit, vetten en vitamines waren nu ook onderdeel van de dagelijkse voeding. Sommige onderzoekers menen dat de Yamnaya-mensen uit Zuid-Rusland deze mutatie naar Europa gebracht hebben. Mogelijk was de genetische eigenschap om melk- en melkproducten te verteren vóór de komst van de Yamnaya-cultuur al veel langer in Europa aanwezig. Lactose-tolerantie heeft zich waarschijnlijk met de opkomst van de landbouw in het Midden-Oosten en de Balkan ontwikkeld en is met de Bandkeramische cultuur over een deel van Europa verspreid. Hoe de lactose-tolerantie zich verder over Europa verspreid heeft en op welke momenten, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Zeker is wel dat het een geleidelijk proces moet zijn geweest.

Bij de Yamnaya-mensen was een mutatie opgetreden waardoor zij lactose tolerant waren. Zij konden op volwassen leeftijd melk en melkproducten verteren. Door de vele zuivelproducten waarmee zij zich voedden, waren het grote mensen met sterke botten en tanden.

Hoe leefden zij?

De Yamnaya waren in de eerste plaats veehouders. Een innovatie van hen was dat ze een schapenras hadden gefokt met een dikke vacht. De wol ervan werd gebruikt voor het maken van kleding. Wollen kleding isoleert uitstekend en kan als geen ander materiaal vocht absorberen, zonder dat de kleding nat aanvoelt. Verder leverde hun vee mest waarmee zij hun akkers vruchtbaar hielden. Ossen werden gebruikt om de akkers te ploegen en omdat zij ook het wiel kenden, kon men deze sterke dieren ook gebruiken om karren te trekken. De veeteelt van de Yamnaya-herders legde de basis voor hun latere succes. Om de grond op hun akkers te bewerken, beschikten zij over ploegen.

De Yamnaya waren dankzij hun vee zelfvoorzienend. Mogelijk door bevolkingstoename en omdat hun veestapel groter werd, zochten zij nieuwe gebieden om zich te vestigen. Ze breidden zij hun leefgebied in westelijke richting uit door gebieden in Centraal-Europa te koloniseren. Dit vond ook plaats in oostelijke richting naar het huidige Iran en India. Zij waren hiertoe in staat omdat zij paarden hadden. Al zo’n 4000 v.Chr. hadden de Yamnaya kans gezien wilde steppenpaarden te temmen. Samen met hun door ossen getrokken karren en vierwielige wagens, die mogelijk door paarden getrokken werden, waren zij behoorlijk mobiel. Op hun wagens konden zij voldoende water en voedsel meenemen, bovendien hadden zij de beschikking over warme wollen kleding en tenten. Door hun eiwitrijke voeding, dat voor een belangrijk deel uit zuivel bestond, bezaten de Yamnaya sterke tanden en botten en waren zeker de mannen langer dan die van andere Europese volken. Daarnaast hielden zij zich bezig met metaalbewerking. Vooreerst was dit vooral koper, maar door culturele invloeden uit de Kaukasus maakten de Yamnaya zich ook vertrouwd met de techniek van het maken en bewerken van brons. De komst van de Yamnaya luidde in Europa het begin van de Bronstijd in.

Koperschat met Yamnaya bijlen , opgegraven bij Letychiv, Khmelnytskyi Oblast, in Rusland. Yamnaya-mensen kenden naast goud ook koper. Van koper maakten zij wapens, als zwaarden, dolken en bijlen. Dankzij hun contacten met de Maykop-cultuur in de Kaukasus, leerden zij later ook bronstechnieken.

De Yamnaya op trektocht

In het derde millennium v.Chr. trokken delen van het Yamnaya-volk, mogelijk ook als gevolg van een verslechterend klimaat, weg van de steppen in Rusland en de Oekraïne. Zij verlieten hun woongebied en trokken naar Oost- en Centraal-Europa. Zij waren mobiel doordat zij als een van de eersten beschikten over karren en vierwielige wagens. Zo waren ze in staat nieuwe gebieden te koloniseren. De tweewielige karren met hun massiefhouten schijfwielen werden getrokken door ossen. Daarnaast gebruikten zij wagens met vier wielen. Aan de houten assen hiervan hadden zij geen schijfwielen gemonteerd, maar wielen met spaken.

De Yamnaya waren een mobiel volk, dankzij hun tweewielige ossenkarren en door paarden getrokken wagens. Men kon de wagens voorzien van een huif. Deze wagens werden waarschijnlijk door paarden getrokken. Bijzonder is dat de vierwielige wagens spaakwielen hadden.

Er zijn aanwijzingen dat de migratie van het Yamnaya-volk in Europa zich in een drietal golven heeft voltrokken. Er was een groep die langs de Beneden-Donau naar het westen is getrokken, Centraal-Europa in. Hier kwam de Touwbekercultuur uit voort. Een tweede golf immigranten trok over de Balkan naar het zuiden. Zij vestigden zich in Bulgarije en Griekenland. Ze zijn de voorouders van de Thraciers en de Grieken. De derde groep Yamnaya’s kwam in het tweede millennium terecht op de Noordduitse Laagvlakte, waartoe ook ons land toe behoort. De migratie eindigde in Scandinavië.

Sociale en culturele veranderingen

Met de komst van de Yamnaya-immigranten traden binnen de boerengemeenschappen in Centraal- en West-Europa binnen zeer korte tijd grote sociale en culturele veranderingen op. Ook de wijze waarop men met overleden personen omging veranderde. Feitelijk hielden verschillende Neolithische culturen, waaronder de Trechterbekercultuur, op te bestaan. De trekbewegingen van de Yamnaya droegen, voor zover nu bekend, een geweldadig karakter en zijn hoogstwaarschijnlijk niet anders uit te leggen dan veroveringsoorlogen. Dat hun immigratie zo succesvol is verlopen, is waarschijnlijk voor een belangrijk deel toe te schrijven aan hun paarden. Als deze veronderstelling klopt dan waren de Yamnaya het eerste volk dat paarden ingezet heeft tijdens veroveringstochten.

De Yamnaya domesticeerden zo’n 4000 v.Chr. het paard. Ze gebruikten het dier als rijdier, trekpaard en voor de melkproductie. Bij de immigratie naar het westen van Europa waren paarden erg belangrijk. Ze maakten de Yamnaya-mensen erg mobiel.

In het dunbevolkte Europa van die tijd konden zij met hun vierwielige wagens en hun bereden vierbenige tanks van de oudheid – zo worden paarden wel genoemd makkelijk over grote gebieden uitzwermen en de bevolking aan zich onderwerpen. De verschijning van ruiters te paard moet op de bewoners een overweldigende indruk gemaakt hebben, vergelijkbaar met de Azteken in Mexico tijdens de veroveringstochten van de Spaanse conquistador en ontdekkingsreiziger Hernan Cortés tussen 1519 en 1521. Ook hij had paarden bij zich. In Midden-Amerika waren deze dieren volkomen onbekend. De Yamnaya hebben op de overwonnen volken in grote delen van Europa hun culturele en genetische stempel gedrukt.

Reconstructie van een Yamnaya-strijder. De verspreiding van de Yamnaya over Europa verliep in golven en vond niet zonder geweld plaats.

In Duitsland zijn uit de periode 2800-2700 v.Chr graven gevonden met skeletten die duidelijk blijk geven dat de mensen met geweld om het leven gebracht zijn. Hetzelfde gebeurde ook in Frankrijk, op het Iberisch schiereiland, waar de Klokbekermensen vandaan komen en in Engeland. Uit verschillende DNA-onderzoeken komt naar voren dat op veel meer plaatsen in Europa, waar Yamaya-migranten kwamen, de complete mannelijke bevolking werd uitgemoord. De vrouwen werden in slavernij afgevoerd en/of gedwongen met Yamnaya-mannen te trouwen, die vervolgens kinderen bij hen verwekten.

In Duitsland is bij graafwerkzaamheden in Schöneck-Kilianstädten bij Frankfurt een massagraf ontdekt met de skeletten van 26 personen. De doden zijn rond 7000 jaar geleden achteloos door elkaar in een smal graf geworpen en toegedekt met afval en aarde. De resten tonen ingeslagen schedels en met opzet gebroken armen en benen. Samen met twee eerder gevonden massagraven duiden deze massagraven op overvallen waarbij vooral mannen en kleine kinderen zijn vermoord. Vrouwen en pubers ontbreken. Het grote aantal zogenoemde perimortum-fracturen duidt op marteling en verminking van de slachtoffers.
De schedels tonen grote gaten die zijn aangebracht met stenen knotsen of het stompe einde van strijdhamers.
In Midden-Frankrijk ontdekten archeologen bij de aanleg van een snelweg bij Saint-Doulchard in Midden-Frankrijk een massagraf van ongeveer 40 personen. Het graf dateert van ongeveer 3000 j. v.Chr. Ook hier was sprake van buitensporig geweld, waarbij duidelijk sprake moet zijn geweest van foltering, het opzettelijk en systematisch breken van de botten van de onderste ledematen, voordat de mensen met slagen op de schedel vermoord werden.
In de lente van 1983 vond een bewoner van Talheim bij Heilbronn in zijn tuin bij graafwerkzaamheden een massagraf met 34 skeletten. Behalve van 16 kinderen lagen er 18 skeletten in het graf van voornamelijk mannelijke personen.

In betrekkelijk korte tijd hadden de Yamnaya ook Scandinavië bereikt, inclusief onze streken aan de Noordzeekust. Waar zij zich vestigden waren zij vermoedelijk de heersende klasse. Gebruiken en ook hun taal werd door de bestaande bevolking overgenomen. Uit DNA-onderzoek blijkt dat zo’n 50% van de huidige Europeanen van de Yamnaya afstammen.

Omdat Yamnaya-mannen met inheemse vrouwen trouwden, namen zij omgekeerd ook bestaande gewoonten en gebruiken over. Ook onze tolerantie voor melk en melkproducten hebben we voor een deel aan hen te danken. Er zijn taalkundige aanwijzingen dat de oorspronkelijke proto Indo-Europese taal van de Yamnaya in de nieuwe woonomgeving tot nieuwe talen evolueerde. Vrijwel alle huidige Europese talen stammen af van de taal die zij spraken. Hetzelfde is het geval met de taal die in het huidige Iran en in India gesproken wordt. Hoewel tot dezelfde Indo-Europese taalgroep behorend, zijn het Iraanse Farsi en het Indiase Hindi in de tijd zo sterk geëvolueerd, dat wij er geen woord van begrijpen. Omgekeerd evenmin.

De immigratie van de Yamnaya vond plaats in drie achtereenvolgende golven. In korte tijd verspreidden zij zich over grote delen van Europa. Niet alleen brachten zij daar een andere cultuur met gebruiken en rituelen, die door de bestaande bevolking relatief snel overgenomen werden. Ook hun taal werd snel overgenomen. Dit alles vond waarschijnlijk niet op vreedzame wijze plaats. Op een paar kleine uitzonderingen na, stammen alle Europese talen af van die van de Yamnaya.

De Klokbekercultuur

De klokbekercultuur (2400-1900 v.Chr.) was in Europa wijdverbreid. Het vormde onderdeel van een grotere cultuurgroep, die voorkwam van de Marokkaanse noordkust tot in Schotland en van polen tot in Zuid-Italië. Deze periode wordt ook wel als Kopertijd aangeduid. Het was de laatste boerencultuur in het Neolithicum. In ons land wordt binnen de Klokbeker-cultuur door archeologen onderscheid gemaakt tussen de Veluwse traditie en de Noordoost-Nederlandse en Noordwest-Duitse traditie.

De Klokbeker-cultuur duurde van ca. 2400 tot 1900 v.Chr. Van deze boerencultuur in ons land weten we weinig. Van de grootte van de nederzettingen en de huizen/boerderijen zijn zeer weinig gegevens bekend. Akkerbouw en veeteelt waren de voornaamste bestaansbronnen. Daarnaast dreef men handel, en ook op metallurgisch gebied was veel kennis aanwezig.

De naam is afkomstig van het aardewerk dat toen gemaakt werd. De keramieken bekers zijn variabel van vorm, hebben dunne wanden en bezitten een flauw S-vormig profiel, waardoor deze aan een omgekeerde kerkklok doen denken. Klokbekers zijn in ons land vooral gevonden op de hogere zandgronden.

Naast aardewerk worden er in graven als bijgift nog andere karakteristieke voorwerpen gevonden. Deze geven er blijk van dat de Klokbekermensen een gemeenschap vormden, waarin metaalbewerking van koper en goud al op een hoog pijl stond. Ze ontwierpen en maakten siervoorwerpen van deze metalen. Ook het boogschieten nam in hun leven een belangrijke plaats in. Mogelijk dat de handbogen vooral gebruikt werden bij conflicten. Klokbekermensen waren de eerste in Europa die gebruik maakten van koperen wapens.

De Klokbekercultuur dankt zijn naam aan het aardewerk. De vorm van bekers en potten bezit een flauw S-vormig profiel en zijn aan de buitenzijde rijk versierd. De vorm van de keramieken potten doet denken aan een omgekeerde kerkklok. Klokbekers worden in heel Europa gevonden.
Uit vondsten blijkt dat Klokbekermensen ervaren boogschutters waren.

De oorsprong van de Klokbekercultuur ligt op het Iberische Schiereiland (Spanje en Portugal). Van daaruit drong deze cultuur op naar naar het noorden. Er lijkt geen sprake te zijn van migratie van bevolkingsgroepen, de verbreiding van deze cultuur over een groot deel van West-Europa was eerder het gevolg van handelsactiviteiten en kennisoverdracht. De klokbekercultuur in Zuid-Europa zelf was voortgekomen uit de immigratie van Yamnaya-kolonisten. Ook hier is sprake geweest van het massale uitmoorden van de oorspronkelijke mannelijke bevolking. Op het eind van de Klokbekercultuur cultuur, zo rond 4000 jaar geleden, ging deze over in de Wikkeldraadcultuur van de Vroege Bronstijd.

Waar en hoe leefde men in de Klokbekertijd

Over de leefwijze van de Klokbekermensen is jammer genoeg weinig bekend. Dat het vaardige boogschutters moeten zijn geweest, wordt bevestigd door de vondsten van stenen polsbeschermers, die als bijgift in graven gevonden zijn. Daarnaast waren het boeren, die aan akkerbouw en veeteelt deden, en heel belangrijk, Klokbekermensen waren ook handelaren. Zij bouwden schepen waarmee ze rivieren afvoeren en ook zeeën werden ermee bevaren. Zij dreven op uitgebreide schaal handel in Europa. In onze streken introduceerden zij iets volkomen nieuws: koper. Van dit metaal konden zwaarden, bijlen en dolken gemaakt worden, maar ook sieraden. Later kwam hier door de winning van koper en tin in Midden-Europa en Zuid-Engeland nog brons bij, dat veel betere kwaliteiten had dan koper. Het verschijnen van deze metalen in West-Europa vormde zo rond 2100 v.Chr. het begin van de Bronstijd. Behalve in metaal handelden Klokbekermensen ook in zout uit Zuid-Europa. Verder haalden zij uit de kuststreken van Nederland en Duitsland en uit het zuidelijke Oostzeegebied barnsteen. Dit fossiele hars kon niet alleen branden, door zijn kleur, lichteffecten en makkelijke bewerkbaarheid had barnsteen welhaast een magische betekenis.

Klokbekermensen dreven veel handel. Ze hadden boten en schepen waarmee ze over rivieren en zelfs over zee voeren. De Klokbekertijd wordt ook wel Kopertijd genoemd. Van dit metaal maakte men sieraden en vooral wapens als zwaarden, dolken en bijlen.
De vondsten van barnsteen wijst erop dat zij handel dreven met volkeren die langs de Noordzee Waddenkust leefden, maar waarschijnlijk haalden zij ook barnsteen uit Denemarken en het aangrenzende Oostzeegebied.

De gebruiken die men in de Klokbekercultuur hanteerde, hun aardewerk, gereedschap en wapens hebben zich in korte tijd over een groot deel van Europa verspreid. Uit vondsten wordt duidelijk dat zo ongeveer vanaf 2400 v.Chr. in ons land sieraden en wapens van koper gemaakt werden. Bij Soesterberg en Lunteren zijn bewijzen gevonden van metaalbewerking. Eerder zijn bij opgravingen uit de Trechterbekertijd wel eens koperen plaatjes gevonden, maar in de grafinventaris bij Lunteren vond men gereedschappen die gebruikt moeten zijn bij het smeden van koper.

In de Klokbekertijd werden overleden personen individueel in hurkhouding begraven. In dit gereconstrueerde graf van Screwton in Engeland is een man begraven samen met een klokbeker en een koperen dolk. Het graf dateert uit de periode van 2470 – 2210 v.Chr.

Over de wijze van begraven is ook vrij veel bekend. Overleden personen worden individueel begraven. Soms was dit in een ondiepe kuil, soms bedekt men het graf met een heuvel van zand en plaggen. De graven zijn aangelegd met een oriëntering noord-zuid of noordwest-zuidoost. Hierbij ligt het hoofd van de overledene in een zuidelijke richting met een kijkrichting naar het oosten. Deze vorm van bijzetting doet vermoeden dat hemellichamen zoals zon en maan hierbij een belangrijke rol speelden. Hoewel we niets weten van hun religieus wereldbeeld, is van vondsten uit andere verwante culturen bekend dat hemellichamen en sterrenconfiguraties een belangrijke rol speelden. De vondst van de bronzen met goud ingelegde schijf van Nebra in Duitsland met een voorstelling van de nachtelijke hemel is hiervan een prachtig voorbeeld. Hierop zijn zelfs de Pleiaden ofwel het Zevengesternte afgebeeld.

Een van de beroemdste vondsten is de Schijf van Nebra. Het is een bronzen hemelschijf van ongeveer 30cm groot, waarop in goud verschillende hemellichamen zijn weergegeven als de zon en de maan. Bijzonder is dat op de schijf ook verschillende sterren zijn weergegeven waaronder het opvallende Zevengesternte ofwel de Pleiaden. De schijf is in 1999 door schatzoekers gevonden in de buurt van het plaatsje Nebra, zo’n 60 kilometer ten westen van Leipzig.

Net als in de Enkelgrafcultuur waren mensen van de Klokbekercultuur in de eerste plaats boeren die zowel aan landbouw als aan veeteelt deden. Wel is duidelijk geworden dat de Klokbekermensen, die in het westen van ons land leefden, voornamelijk aan veeteelt en visvangst deden. Akkerbouw was van weinig betekenis. Ook blijkt dat de jacht in die tijd nog werd uitgeoefend.

Het aardewerk uit deze periode vormt de meest kenmerkende nalatenschap van deze cultuur. De klokvormige bekers en potten zijn met vakmanschap gemaakt De buitenzijde van de potten en bekers is zorgvuldig glad gemaakt. Hoewel de variatie onder klokbekers groot is en ook de kleur van het aardewerk verschillend is, doen de oranjekleurige bekers met hun dunne wanden sterk denken aan vergelijkbare bekers van koper. Het keramiek is uitbundig versierd met allerlei motieven, die in boven elkaar gerangschikte horizontale banen en zones zijn gerangschikt.

De voorwerpen zijn afkomstig uit een Klokbekergraf. Naast de karakteristieke rijkversierde, dunwandige potten, waren twee polsbeschermers, een tweetal pijlschachtslijpstenen en een paar vuurstenen pijlpunten meegegeven.

De banden kunnen smal of iets breder zijn. Indrukken en andere versieringen werden vaak ingelegd met witte pasta. De horizontale banden bracht men aan met koord of touw. Deze werden om de potten gewikkeld en lieten in de nog vochtige klei indrukken na. Verder werden reeksen strepen en indrukken met scherp gereedschap gemaakt. De vorm van de klokbekers doet in de verte denken aan een omgekeerde kerkklok. Vandaar ook de naam. Uit opgravingen is gebleken dat er bij het aardewerk sprake was van vroege en latere ontwikkelingen en ook dat er regionale verschillen bestonden in de wijze van versiering.

Replica van een klokbeker uit de Vroege Bronstijd, die deel uitmaakte van een aantal grafgiften. De indrukken in het aardewerk zijn met witte pasta gevuld. De klokbeker is in 1894 gevonden bij Ciempuzuelos, Madrid in Spanje.

In opgegraven bekers heeft men stuifmeelkorrels aangetroffen, die doen vermoeden dat men er zwak alcoholische dranken zoals honingwijn (mede) of bier in heeft bereid. Ook zijn er aanwijzingen dat men wilde vruchten fermenteerde. Drank is van alle tijden…

Pijl-en-boog en attributen

Karakteristiek voor de Klokbekertijd is het gebruik van de pijl-en-boog. De vondsten van polsbeschermers en kunstig vormgegeven vuurstenen pijlpunten, die zeer regelmatig geretoucheerd zijn, doen vermoeden dat het boogschieten een grote culturele betekenis moet hebben gehad. Handbogen zijn effectieve en gevreesde wapens bij conflicten. Ze zijn ongetwijfeld ook bij de jacht gebruikt. Van pijlpunten zijn verschillende vormen bekend: hartvormige, tangvormige en meer driehoekige exemplaren. Vorm en afwerking van de vuurstenen pijlpunten getuigen van een grote mate van vakmanschap.

Graf van een vrouwelijke boogschutter, begraven in de karakteristieke hurkhouding. Uit onderzoek bleek dat zij begraven was samen met een koker met pijlen, een handboog en verschillende klokbekers.

Bijzonder en tegelijk onmisbaar zijn stenen polsbeschermers. Deze werden iets boven de pols om de onderarm gebonden om de huid te beschermen tegen de terugslag van de boogpees, nadat de pijl verschoten was. Ze zijn gemaakt van leisteen, zandsteen, been, hertshoorn e.d. Polsbeschermers zijn voorzien van twee of vier gaten, waar riempjes doorgestoken konden worden om ze aan de arm te bevestigen. Polsbeschermers zijn geregeld voorzien van ingegraveerde decoraties.

In graven uit de Klokbekertijd zijn ook bijgiften gevonden van schachtpolijsters. Deze werden gebruikt om gesneden rechte twijgen van schors te ontdoen en glad te maken. Ze bestaan uit twee stenen, die aan één zijde vlak zijn gemaakt. In de lengterichting hiervan is een halfronde groef uitgeschuurd. Als beide schachtpolijsters tegen elkaar gehouden werden kon door de ontstane opening een houten twijg getrokken en gladgeschuurd worden.

Polsbeschermers van steen, die gevonden zijn in Klokbekergraven in Bohemen (Tsjechië). Polsbeschermers werden om de onderarm van de boogarm bevestigd om de terugslag van de boogpees op te vangen. Dit deed men om pijnlijke schaafwonden te voorkomen.
Pijlen werden van rechte twijgen gemaakt of van gespleten hout. Om de pijlen van schors te ontdoen en/of om ze glad te maken gebruikte men pijlschachtpolijsters van zandsteen. Op de vlakke zijde van twee zandstenen werden overlangs groeven gemaakt. Door de houten pijlen tussen de schachtpolijsters heen en weer te bewegen, werden deze glad gemaakt.

De Klokbekercultuur wordt ook wel Kopertijd genoemd. Op verschillende plaatsen in Europa wist men in rotsen en berggebieden koperertsen te vinden. Deze mineralen werden uitgehakt en vervolgens gesmolten. Zo verkreeg men meer of minder zuiver koper. Op sommige winplaatsen waren koperertsen van nature verontreinigd met arseen. Bij het smelten veranderde hierdoor de samenstelling en het karakter van koper. De kleur werd anders, terwijl ook de hardheid toenam.

Reproducties van messen uit de Bronstijd. Het gehalte aan arseen en/of tin bepaalt de kleur van brons. Het linker mes is gemaakt van hoog arseenbrons. De kleur is daardoor zilverachtig. De messen in het midden en rechts zijn van tinbrons.

.Dit leidde tot de ontdekking van arseenbrons en later ook tinbrons. De introductie hiervan in de verschillende culturen, waaronder ook in ons land, markeert het begin van de Bronstijd. Van een harde overgang van het Laat-Neolithicum naar de Bronstijd was echter geen sprake. Het gebruik en het bewerken van brons voltrok zich heel geleidelijk. In ons land verscheen het nieuwe metaal heel aarzelend en lange tijd slechts mondjesmaat. Het probleem was vooral geld ofwel de tegenwaarde van ruilmiddelen. Brons was in de begintijd zeer kostbaar en moest bovendien van ver komen.

Vorig artikelHunnenkloosterberg bij Echten als 13e Aardkundig Monument aangewezen **.
Volgend artikelAardkundig monument no. 9 – De Herenplaten Nuilerveld bij Pesse **
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.