005 Trechterbekerboeren ontgonnen stukken oerbos. Hierop legden ze akkers aan. Na een paar jaren raakte de grond uitgeput en werden nieuwe stukken bos gekapt. Ook voor het vee had men steeds meer grasland nodig. Vaak graasden de dieren op de braakliggende akkers, maar ze haalden hun voedsel ook uit het bos. Hierdoor werd het bos teruggedrongen en kreeg het landschap een steeds opener karakter.

De huidige landbouw zou voor Trechterbekerboeren een wereld zijn van een andere planeet, om over de problematiek van mest, ammoniak en stikstof maar te zwijgen. Trechterbekerboeren hadden andere problemen. Het eten was eenzijdig, het werk was zwaar en misoogsten lagen altijd op de loer.

In de Trechterbekertijd was een boer tegelijk veehouder, landbouwer en tuinier. De verhoudingen waren weliswaar anders, maar de bedrijfsvoering verschilde niet zo gek veel van die van Drentse boeren van, pak weg, honderd jaar geleden. Omdat Trechterbekerboeren alleen zichzelf en hun familie van voedsel voorzagen, zouden we zo’n bestaan tegenwoordig zelfvoorzienend of autarktisch noemen.

De nederzettingen van Trechterbekerboeren waren zeker aanvankelijk nog klein. Vermoedelijk woonden enkele families bij elkaar. Ze vestigden zich op de makkelijk te bewerken dekzandgronden in de buurt van beken en rivieren. Ze hielden vee, als schapen, geiten, varkens en runderen. Op de akkers teelden ze granen, peulvruchten, vlas, groenten en mogelijk ook papavers. Deze laatste teelde men voor de olieproductie. Daarnaast haalde men nog veel voedsel uit de (half)natuurlijke omgeving.

Het ontstaan van boerengemeenschapen in de Trechterbekercultuur had gevolgen voor het landschap. De verandering in landgebruik, ging vooral ten koste van het bos. Drenthe was in die tijd voor het grootste deel bebost. Het waren oerwouden die in veel opzichten leken op het huidige oerbos van Bialowieza in het oosten van Polen. Naaldbomen kwamen niet meer voor. Het was gemengd bos met linde, eik, iep, berk, esdoorn en es, plus een hoop struiken. Essen kwamen vooral voor op plaatsen waar de bodem kalk bevatte. Op de armere en drogere zandgronden waren eik, linde en berk dominante boomsoorten.

Het woud van Bialowieca ligt op de grens van Polen en Wit-Rusland. Het is bewaard gebleven omdat het jachtdomein was, eerst van Poolse koningen en later van de Russische tsaren. Het is zo’n 1500 vierkante kilometer groot. Het is een relict van de ooit zo imposante laaglandoerwouden in Centraal en West-Europa. Het is een gemengd bos met allerlei soorten loofbomen en naaldbomen als fijnspar en grove den. Sommige sparren zijn zo’n 50 meter hoog! Het woud, met name het Poolse deel, verkeert momenteel nog min of meer in natuurlijke staat.
Zo zal het oerbos er ten tijde van de Trechterbekertijd hebben uitgezien. Hoewel het een hoog opgaand, gemengd loofbos was, was het redelijk goed toegankelijk. Afhankelijk van de boomsoorten en hoe deze gegroepeerd waren, was de bosbodem bedekt met allerlei kruiden en struiken.

Een van de belangrijkste ingrijpen in het boslandschap was de aanleg van weidegronden. Runderen waren van groot belang en daarvoor was grasland nodig. Ook de aanleg van graanakkers vormde een aanslag op het boslandschap. Verder was het omringende bos leverancier van hout voor de bouw van boerderijen, opslagschuren, geriefhout en ook van brandhout. Kortom, het oerbos kwam in de loop van de Trechterbekertijd door menselijke invloeden steeds meer onder druk te staan.

Trechterbekerboeren ontgonnen stukken oerbos. Hierop legden ze akkers aan. Na een paar jaren raakte de grond uitgeput en werden nieuwe stukken bos gekapt. Ook voor het vee had men steeds meer grasland nodig. Vaak graasden de dieren op de braakliggende akkers, maar ze haalden hun voedsel ook uit het bos. Hierdoor werd het bos teruggedrongen en kreeg het landschap een steeds opener karakter.

Wat hield het boer zijn in?

Het is tegenwoordig nauwelijks voor te stellen dat delen van het Drentse landschap in die tijd begroeid waren met hoog opgaande bossen waarin lindebomen een belangrijke rol speelden. Die bestaan niet meer. Het verdwijnen van linden komt door toedoen van de mens. De bomen geven veel schaduw, waardoor de bosbodem in die tijd voor grazend vee weinig te bieden had. Bovendien is het hout van de linde niet duurzaam. Als gebruikshout had het geen waarde. De iep was eenzelfde lot beschoren. Van deze bomen sneed men bebladerde twijgen, die gebruikt werden als veevoer. Zaailingen van de iep werden door grazend vee weggevreten, waardoor natuurlijke verjonging bemoeilijkt werd. Het houden van varkens plus de kwaliteit van eikenhout, zal reden zijn geweest dat de groei van eiken bevoordeeld werd. Eikels werden in de herfst vooral door varkens gegeten, eikenhout was uitstekend bouwhout en ook als gerief- en brandhout zal het veel gebruikt zijn. Stuk voor stuk waren dit redenen dat Trechterbekerboeren waarschijnlijk toen al actief op het bomenbestand in het omringende bos hebben ingegrepen.

In de Trechterbekertijd gingen bosbomen als de iep sterk achteruit. De oorzaak was dat iepenblad als veevoer gebruikt werd. In de nazomer werden van iepen twijgen met blad gesneden en opgeslagen. Jonge opslag werd door het vee weggevreten, waardoor natuurlijke verjonging bemoeilijkt werd.
Ook van bomen als de es (Fraxinus excelsior) werd het blad in de Trechterbekertijd gebruikt als veevoer. Essen groeiden vooral op plaatsen waar de bodem kalk bevatte. Op zure gronden doen deze bomen het slecht.

Het omringende bos werd ook gebruikt als ‘Hudewald’. Men liet daar vee grazen. Door het selectieve wegvreten van jonge opslag, veranderde het bos, zowel kwalitatief als in omvang. In de loop van de Trechterbekertijd werden steeds meer stukken bos ontgonnen. Runderen kregen een prominente rol in de landbouweconomie. Ze waren belangrijk als trekdier en produceerden melk en vlees. Dit laatste was vooral in de wintermaanden belangrijk, als plantaardig voedsel moeilijk te verkrijgen was. Om het vee de winter door te krijgen, was veevoer minstens zo belangrijk. Naast het snijden en opslaan van bebladerde twijgen van iep en es, werden ook grassen en kruiden gemaaid en opgeslagen.

Het is waarschijnlijk dat Trechterbekerboeren in hun tijd vee al in het bos lieten grazen. Op plaatsen waar voldoende licht op de bosbodem terecht kwam, ontstond een tamelijk rijke kruidenvegetatie met daartussen struiken en jonge opslag van bomen. Dit schilderij geeft hier een geromantiseerd beeld van.
Het Börkener Paradies bij Versen in het Emsland is een ca. 30 hectare groot natuurgebied, dat al eeuwenlang in gebruik is als bosweidegebied (Hudewald) voor paarden en runderen. Het terrein bestaat uit een afwisseling van natte, moerassige delen en rivierduinen. Het is ontwikkeld binnen een afgesloten meander van de rivier de Ems. Sinds 1937 is het een beschermd natuurgebied. Jonge bomen die te midden van bramenstruwelen opschieten, groeien uit tot bomen. Op andere plaatsen worden ze door het vee weggevreten.

Door toename van het aantal mensen in de Trechterbekertijd werd het areaal aan akkers uitgebreid. Voor zover bekend deed men niet aan een of andere vorm van bemesting. Een deel van de akkerpercelen lag door uitputting van de grond daarom een aantal jaren braak. Nieuwe akkers legde men aan door steeds meer bos te ontginnen. Het landschap kreeg hierdoor een steeds opener karakter. Op de akkers verbouwde men een reeks aan gewassen. Granen waren het belangrijkst. De meest gebruikelijke graansoorten in die tijd waren emmertarwe (Tricitum dicococcum), naakte gerst (Hordeum vulgare), eenkoorn (Tricitum monococcum) en ook spelt (Tricitum spelta). Verder verbouwde men peulvruchten, waaronder erwten (Pisum sativum), vlas (Linum usitatissimum) en papaver (Papaver somniferum). Papaver werd geteeld om zijn olie.

Eenkoorn is een van de vroegst gecultiveerde graansoorten. Door selectie zijn uit eenkoorn andere tarwerassen en spelt ontstaan.
Emmertarwe is een zeer oud cultuurgewas. Het verschil met de wilde plant is dat de rijpe zaden bij emmertarwe niet langer spontaan uit de aar vallen. De aren kunnen dus met zaden geoogst worden.
Spelt is een primitieve variant van gewone tarwe. Het is door kruising uit andere soorten ontstaan. Spelt wordt al zo’n 7000 jaar verbouwd.
Gerst is een graansoort die in het verre verleden uit wilde gerst is ontwikkeld. Het werd in de prehistorie geplet of grof gemalen in pap gebruikt. Van ontkiemende gerst werd bier gemaakt.
Wilde gerst (Hordeum spontaneum) is een voorouder van gerst zoals we deze nu kennen. Net als de overige granen is het een grassoort, die van nature in het Midden-Oosten voorkomt, maar ook in India en Zuidwest-China. De cultivering van gerst begon zo’n 10.000 jaar geleden in de Vruchtbare Sikkel, ook wel de Vruchtbare Halve Maan genoemd, in het Midden-Oosten. Dit is een gebied dat het huidige Egypte, Israël, Palestina, Jordanië, Koeweit, Libanon, Syrië, Irak, Iran en Turkije omvat.
Vlas is een plant die al vele duizenden jaren voor de jaartelling in onze sterken verbouwd werd. Vlas was belangrijk om zijn lange vezels. Na bewerking kon hier linnen van gemaakt worden.

Ondanks de aantasting van het bos bleef het omliggende landschap belangrijk als voedselleverancier. Hazelnoten werden in de herfst verzameld om in de winter voor een deel in de energiebehoefte te voorzien. Verder oogste men meidoornbessen (Crataegus), eikels (Quercus), wilde appels (Malus sp.), sleedoornpruimen (Prunus spinosa), framboos (Rubus idaeus) en bramen (Rubus fructicosus). Daarnaast plukte en verzamelde men afhankelijk van het seizoen allerlei planten als groente, waaronder ganzevoet (Chenopodium).

Ganzevoet (Chenopodium album) is een zeer veel voorkomende plant die bij ons als onkruid beschouwd wordt. In de prehistorie wist men deze plant op zijn waarde te schatten. De bladeren zijn als groente te eten. Bovendien kunnen de zaden geoogst worden. Vermalen in pap vormen ze een goed voedsel, dat rijk is aan eiwitten, calcium, kalium en ijzer.

Trechterbekerboer zijn was geen onverdeeld succes.

De landbouw in het Neolithicum wordt wel aangeduid als een revolutie. De overgang van een bestaan als jager/verzamelaar naar die van landbouwer leidde een onomkeerbare verandering in. Het is dan interessant is te weten of de overgang van jager/verzamelaar naar een boerenbestaan alleen maar positieve kanten had. Dit blijkt niet zo te zijn.

Jagers/verzamelaars in het Mesolithicum hadden een groot areaal tot hun beschikking, waar gejaagd, gevist en plantaardig voedsel verzameld kon worden. Ook is duidelijk dat zij door bepaalde handelingen delen van het landschap naar hun hand wisten te zetten. Het in brand steken van stukken bos leverde open stukken op waar andere planten en struiken konden groeien. Op de overgang van open gebied naar bos groeiden vooral hazelaars, die omdat ze voldoende licht kregen, ook veel hazelnoten opleverden. De open gebieden zullen daarnaast ook tal van dieren aangetrokken hebben, waarop gejaagd werd. Wat leefwijze betreft waren de Mesolithische jagers/verzamelaars nog niet zo slecht uit. Sterker nog, ze waren gezonder dan de Trechterbekerboeren en leefden waarschijnlijk ook langer.

agers/verzamelaars leidden naar huidige maatstaven een primitief leven. Toch bood het landschap waarin zij leefden alles wat nodig was om niet alleen in leven, maar ook gezond te blijven. Doordat men toen in kleine familiaire groepjes door een grotendeels ‘leeg’ landschap trokken, waren er weinig langdurige contacten met andere mensen en dieren. Ziekten die hier het gevolg van zouden zijn, en die in latere eeuwen een belangrijke rol zouden gaan spelen, kwamen toen niet voor. Kortom, jagers/verzamelaars hadden het zo slecht nog niet.

Het boeren in de Trechterbekertijd zal aanvankelijk een bestaan zijn geweest van vallen en opstaan. Een voordeel van de landbouw was wel dat meer monden gevoed konden worden. Uit onderzoek aan skeletresten uit de Trechterbekertijd bleek dat het boerenbestaan zeker aanvankelijk geen positieve verandering was. Het voedsel dat de boeren produceerden was eenzijdiger dan wat de jager/verzamelaars tot hun beschikking hadden. Dit had gevolgen voor de algehele gezondheid. Botgroei, vorming van tanden, lichaamslengte en de vatbaarheid voor ziekten wijzen op een afname van de gezondheid van mensen in de Trechterbekertijd. Mensen werden toen niet groot. Gemiddeld waren ze zo’n 1,65 meter lang, terwijl de levensverwachting doorgaans niet meer dan 35 tot 40 jaar was. Verder had men rekening te houden met misoogsten. Zaaigoed kon door verschimmeling geheel of gedeeltelijk verloren gaan en ziekten onder het vee waren niet te vermijden. Dit, en het feit dat boer zijn hard werken betekende, waar flink meer tijd en energie in ging zitten dan eerder bij jager/verzamelaars als deze op voedseljacht gingen, maakte dat het boerenbestaan zeker aanvankelijk geen onverdeeld succes was.

Zo wordt soms het leven in de Trechterbekertijd voorgesteld. Op de sterk geromantiseerde tekening is iedereen bezig met een taak. Ondanks dat talrijke details tegenwoordig anders ingevuld zouden worden, zal het echte leven er in die tijd ongetwijfeld anders hebben uitgezien. Zo weten we inmiddels dat de behuizingen er heel anders uitzagen dan op de tekening.
Reconstructie van een boerderij/woning uit de Trechterbekertijd op het terrein van het Hunebedcentrum in Borger (Dr.)

Wat in het algemene welzijn een rol gespeeld zal hebben, is het houden van vee en de omgang ermee. De voortdurende nabijheid van dieren hield namelijk een gevaar in. Ze vormden een bron van ziekten. In de loop van de tijd zijn talrijke besmettelijke ziekten van dieren op de mens overgesprongen, met zo nu en dan ingrijpende gevolgen. Verder waren de hygiënische omstandigheden in de nederzettingen door het groter aantal mensen en vee bepaald ongezonder dan eerder in het Mesolithicum. In en rond de huizen leefde men permanent op huishoudelijk afval, waaronder uitwerpselen van het vee en mogelijk ook van zichzelf.

In de loop van de Trechterbekertijd veranderde het oorspronkelijke landschap sterk door activiteiten van de landbouwende mens. Het boslandschap dat eerder grote delen van Drenthe bedekte, maakte steeds meer plaats voor open gebieden. In die tijd ontstonden ook de eerste heidevelden.

Malen en slijpen met zwerfkeien

De Trechterbekerboeren ontwikkelden in het Neolithicum verschillende nieuwe soorten gereedschap. Waren ze gemaakt van organisch materiaal, wat zeker te verwachten is, dan is hiervan in de zure zandbodem niets overgebleven. Onder de voorwerpen die wel bewaard zijn gebleven, vallen maal- en slijpstenen op door bewerkingssporen en hun grootte.

Slijpstenen

Om bijlen te maken en scherp te houden of om beschadigde bijlen te herstellen, waren slijpstenen nodig. Hiervoor gebruikte men zwerfstenen van kwartsietische zandsteen. Die waren in het omringende landschap voldoende te vinden. Zandsteen is een hard gesteente dat uit los zand is ontstaan. Zowel op land als in rivierbeddingen, maar vooral in ondiepe randgedeelten van de zee zijn in het verre verleden lagen zand boven elkaar afgezet. Afhankelijk van de afzettingsomstandigheden bestonden deze uit fijn tot grof zand. In dalingsgebieden raakten zandafzettingen begraven onder andere bodemlagen.

Fokke Kiestra uit Assen vond bij Smilde de tot dusver grootste slijpsteen die in ons land bekend is. Het is een noordelijke zwerfsteen van zandsteen, vermoedelijk afkomstig uit Zuid-Zweden. De steen is met het landijs in de voorlaatste ijstijd naar ons land vervoerd.

Zandsteen kan dicht onder het oppervlak worden gevormd, maar de meeste zandsteentypen ontstonden op wat grotere diepte in de aardkorst. Circulerend poriewater heeft daar een hogere temperatuur. Ook de druk is hoger, waardoor de raakvlakjes van zandkorrels stevig onder druk kwamen. Op die plaatsen loste kwarts van de zandkorrels op. Zandkorrels zijn in feite stukjes kwartskristal waar de aangroei van silica op de zandkorrels geordend plaats vindt. Korrels groeien aaneen en er ontstaan kristalvlakjes, die sommige zandstenen doen schitteren.

De meeste slijpstenen zijn van zandsteen. Het gesteente is homogeen en is vaak gelijkmatig gekorreld. Door aangroei van secundaire silica bezitten zandkorrels vaak kleine kristalvlakjes, die in opvallend licht schitteren. Kwarts, waaruit zandkorrels in zandsteen bestaan, is iets harder dan vuursteen. Hierdoor was het mogelijk op deze slijpstenen vuurstenen bijlen te slijpen. Ook deze slijpsteen is door Fokke Kiestra in Assen gevonden.

Als slijpsteen voldoen zandstenen waar niet alle poriën door secundaire silica zijn opgevuld het beste. Bij het slijpen breken stukjes van kwartskorrels af, waardoor het slijpoppervlak scherp blijft.

Het kiezelige bindmiddel is oorzaak dat dergelijke zandstenen een grote hardheid bezitten. Het gesteente is zelfs iets harder dan vuursteen. Dit maakte het mogelijk om in de steentijd bijlen, ook die van vuursteen, te slijpen en te polijsten. De heen en weer gaande bewegingen die men hierbij moest maken, vooral als het bijloppervlak relatief groot was, was zwaar werk. In sommige gevallen werd de vorm van een grote slijpsteen zo aangepast dat deze tijdens het slijpen stabiel op de ondergrond bleef liggen. 

Slijp/polijststeen van kwartsiet. Kwartsiet is een metamorf gesteente. Het ontstaat meestal op grote diepte in de aardkorst bij hoge druk en een verhoogde temperatuur uit zandsteen. De kwartskorrels in kwartsiet zijn hierdoor gerekristalliseerd en sterk met elkaar vergroeid. Met dit harde, dichte gesteente kon men vuurstenen bijlen glanzend polijsten.

Maalstenen en wat eraan voorafging

In het grootste deel van de prehistorie leefden mensen als jager-verzamelaars. Na de overstap op landbouw en veeteelt, paste het lichaam zich aan een veranderend dieet aan. De lactose in melk was niet alleen belangrijk voor de voeding in de eerste levensmaanden, door aanpassingen van het spijsverteringssysteem konden ook volwassenen in het vervolg melk en melkproducten verdragen. Dit was een belangrijke voortuitgang. Een flink deel van de behoefte aan energie en eiwit kwam beschikbaar uit melk en melkproducten.

Het gedomesticeerde huisrund stamt af van de oeros. De oeros kwam tot voor een paar eeuwen in heel Europa voor. Het waren indrukwekkende dieren. Stieren hadden een schofthoogte tussen 160 en 185 cm. Het dier woog zo’n 1000 kg! De oeroskoe was kleiner. Ook waren deze anders van kleur. Koeien en kalveren waren roodbruin, terwijl de stier zwartbruin was. Indrukwekkend waren zijn de hoorns, die tot 80cm lang konden worden. Ze waren naar voren gericht en naar binnen gekromd.

Verzamelen, malen, eten en drinken

De meesten van ons hebben er geen weet van, maar het (ver)malen van planten en zaden is één van de allerbelangrijkste ontdekkingen van de mensheid geweest. Malen doen we al vele tienduizenden jaren lang. Wanneer deze werkwijze precies ontdekt is en door wie is niet bekend en dat zal het ook nooit worden. Van Neanderthalers is bekend dat zij al stenen gebruikten om noten te kraken en planten fijn te malen. Vanaf zo’n 23.000 jaar geleden veranderden mensen hun levenswijze echter dusdanig, dat voedsel zoeken langzamerhand verdrongen werd door voedsel produceren. Het proces van voedsel malen is sterk verbonden met de introductie van de landbouw, waarin granen een hoofdrol speelden. De verschuiving naar een bestaan in vaste nederzettingen met daar omheen akkerlandschappen waarop voornamelijk graansoorten werden verbouwd, maakte dat het voedingspatroon van mensen sterk veranderde en men afhankelijk werd van het verbouwen van granen. Dit wordt wel de Neolithische revolutie genoemd.

Maalstenen zijn er in soort en tal. De bekendste werden gebruikt om graan te malen. Daarnaast had men maalstenen in gebruik die een soort vijzelfunctie hadden. In een kuiltje die door middel van pecking in het oppervlak van een grotere zwerfsteen was gemaakt, kon men met een stamper allerlei planten en zaden fijnmalen. Ze zijn vooral gebruikt om harde zaden als hazelnoten te kraken.

Naast granen verbouwde men ook peulvruchten. Deze vormden een goede bron van koolhydraten en eiwit. Dat waren granen ook, maar zonder behandeling worden graankorrels door ons spijsverteringssysteem niet verteerd. De voedzame bestanddelen van graan komen pas beschikbaar door deze te malen of in een vijzel of mortier te pletten. Hoewel men in de Trechterbekertijd flinke tijd kwijt was aan het boeren, was het verzamelen van voedsel in de omgeving nog steeds gebruikelijk en was in feite ook onmisbaar. Verzamelde noten, vruchten en planten leverden zeker zo’n 20% van de benodigde calorieën. Dat granen in die tijd in toenemende mate beschikbaar waren, heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat de bevolkingsdichtheid in de Trechterbekertijd sterk toenam.

In de Trechterbekertijd gebruikte men bij het ploegen een eergetouw. Feitelijk was dit geen ploeg, want de grond werd niet gekeerd. Een eergetouw trok voren in de grond, waarin gezaaid werd. Het moet zwaar werk geweest zijn, ondanks dat het eergetouw door ossen getrokken werd. De boer moest met zijn lichaamsgewicht zorgen dat de punt van het eergetouw tijdens het ploegen in de grond bleef.

Minstens zo belangrijk voor de Trechterbekerboer waren runderen. De melk die deze dieren leverden voegde extra eiwit, vetten, vitamine D, vitamine B12, calcium, fosfor en nog zowat onmisbare voedingsbestanddelen aan het menu toe.

Het vermogen om in het Neolithicum melk van huisdieren te drinken, is eigenlijk een wonder. Lactose wordt in normale gevallen alleen in de eerste jaren van ons bestaan verdragen. Daarna lukt dat niet langer. De spijsvertering raakt als gevolg van de lactose in de melk volkomen van slag. Het houden van (melk)vee veroorzaakte bij de mens een mutatie, waardoor het spijsverteringssysteem bij mensen op latere leeftijd lactose verdraagt. Door deze aanpassing bleef melk een belangrijke voedselbron.

Door domesticatie treden bij dieren lichamelijke veranderingen op. Ook bij koeien was dit het geval. Ze waren kleiner dan de oeros. Opvallend is dat de grootte van het rundvee in de Bronstijd nog verder afnam. Vergeleken met onze huidige runderen, waren de dieren in die tijd ronduit klein.

Behalve het drinken van pure melk ontdekte men in het Neolithicum dat verse melk verwerkt kon worden tot kaas, boter, yoghurt en kefir. Dit had als bijkomend voordeel dat het lactose-gehalte door fermentatie omlaagging, maar ook dat de houdbaarheid van de zuivelproducten door vergisting langer houdbaar was, waardoor deze ook vervoerd konden worden. Bovendien bleef de voedingswaarde behouden. De voedingsstoffen in melk en zuivelproducten vormden voor de Trechterbekerboeren en hun verwanten een noodzakelijke aanvulling op het menu met graan- en peulproducten. Zonder zuivel zouden de gevolgen voor de algemene gezondheid van de Trechterbekerbevolking nog ernstiger zijn geweest.

Maalstenen

Maalstenen zijn niet moeilijk te herkennen. De karakteristieke, in meerdere of mindere mate holle vorm in combinatie met de enigszins opstaande randen maakt al snel duidelijk dat we met een maalsteen te maken hebben. Hier komt nog bij dat de steensoort ook een duidelijke aanwijzing vormt. Maalstenen zijn in veruit de meeste gevallen van graniet. Slijpstenen bestaan doorgaans uit zandsteen. Een punt is wel dat het bij maalstenen in vrijwel alle gevallen gaat om losse vondsten. De enkele maal dat bij een archeologische opgraving een set gevonden wordt van een ligger en een loper, is een uitzondering. De meeste maalstenen zijn en worden gevonden te midden van een hoop zwerfstenen aan de rand van akkers. De stenen zijn bij het oogsten van aardappelen door de boer apart gehouden zijn en op een hoop gegooid. Losse vondsten van maalstenen missen context.

Maalsteen met ligger uit de bandkeramiekcultuur. Maalstenen in Midden- en Zuid-Nederland zijn meestal van zandsteen. Graniet komt daar als zwerfsteen niet of nauwelijks voor, in tegenstelling tot Noord-Nederland, waar maalstenen doorgaans van graniet zijn.

De oudste vondsten van maalstenen in ons land komen uit de Bandkeramiekcultuur in Zuid-Limburg. Ze zijn zo’n 7000 jaar oud. Bandkeramiek maalstenen hebben een vrij platte, afgerond rechthoekige vorm. De ligger is zo’n 50 cm lang en 30 cm breed en is door afslijting aan de bovenkant iets uitgehold. De loper is kleiner. De grootste zijn zo’n 30 cm. De loper werd dwars met beide handen vastgehouden en met heen en weer gaande bewegingen over de ligger bewogen.

Op tal van plaatsen in Afrika en Azië wordt nog op een traditionele manier graan gemalen met maalstenen. Malen is vrouwenwerk. De loper wordt in zijn volle breedte met beide handen over de ligger voortbewogen.

Maalstenen zijn niet erg zeldzaam. Er zijn in Drenthe in de loop van de tijd vele tientallen gevonden. Pas zo’n 200 jaar v.Chr komt bij Mayen, in de vulkanische Eifel in Duitsland de productie op gang van een nieuw type handmaalmolens (kweerns). Deze bestonden uit vesiculaire basalt. Ze zijn in grote aantallen geproduceerd en geëxporteerd. Maalstenen in Drenthe die van zwerfstenen zijn gemaakt, dateren dus alle van voor die tijd.

Maalsteen met ligger en graan – IJstijdmuseum, Buitenpost (Fr.). De ligger is van gneis. De streperige structuur van dit gesteente is nog zichtbaar. De loper is een stuk kleiner en is op de foto 90 graden verkeerd geplaatst. Bij het malen ontstaat grof gemalen meel. Het meel raakt door het malen verontreinigd met steenslijpsel en zelfs kleine stukjes steen. Aan gebitten van mensen uit die tijd is goed te zien dat deze door het steenslijpsel flink afgesleten zijn.

De meeste maalstenen in Drenthe dateren uit de Trechterbekertijd, hoewel een precieze datering van losse vondsten niet mogelijk is. Zo’n drie jaar geleden kwam uit een hoop zwerfstenen op een aardappelakker tussen Borger en Drouwen nog een fraaie granieten ligger uit een hoop stenen tevoorschijn. Deze vondst is in de collectie van het Hunebedcentrum opgenomen. In tegenstelling tot slijpstenen, bestaan maalstenen uit korrelige, kristallijne steensoorten, zoals graniet of gneis. Beide gesteentesoorten zijn opgebouwd uit zichtbare mineraalkorrels, die een verschillende hardheid bezitten en ook verschillend breken of splijten.

Op het breukvlak van graniet is goed te zien dat de mineraalkorrels verschillend breken. Het oppervlak is ruw. Voor het malen van graan is dit een vereiste. Bij maalstenen van fijnkorrelige graniet treedt al snel polijsting op. Het malen gaat daardoor minder makkelijk.
Graniet bestaat uit een viertal verschillende mineralen. Deze hebben verschillende eigenschappen. Kwarts is bros en breekt schelpachtig. Kaliveldspaat is het kleurende bestanddeel in graniet. Het splijt makkelijk langs kristalvlakken. Plagioklaas is ook veldspaat en splijt vergelijkbaar. Biotiet is een glimmersoort. Bij het malen speelt het eigenlijk geen rol, of het zou moeten zijn dat glimmerblaadjes zeer makkelijk splijten en op het maalsteenoppervlak verdwijnen.

Bij het malen breken voortdurend heel kleine stukjes veldspaat en kwarts af. Veldspaat vormt het kleurend bestanddeel in graniet en splijt, als er krachten op worden uitgeoefend, makkelijk langs splijtvlakken. Toch zal het in veel gevallen nodig zijn geweest om het oppervlak van een maalsteen na verloop van tijd op te ruwen. Dit zal gebeurd zijn met klopstenen (pecking). Een bijkomend nadeel van het malen was dat het meel verontreinigd raakte met steenslijpsel. Dit zal tot gebitsproblemen hebben geleid. Skeletvondsten in het buitenland hebben dit duidelijk aangetoond.

Werd het maalsteenoppervlak door gebruik te glad, dan kon met klopstenen het oppervlak opgeruwd worden.

Het einde van de Trechterbekercultuur

Na 3200 v.Chr. werden geen hunebedden meer gebouwd. De Trechterbekercultuur kwam ten einde. Het boerenbestaan veranderde op een vrij abrupte manier. Ook bij het begraven van de doden werden andere gebruiken toegepast. Vermoedelijk gebeurde dit door invloeden van buitenaf. Veel is nog onduidelijk. In de doorlatende zandbodems in Noord-Nederland zijn behalve stenen voorwerpen en aardewerk bijzonder weinig resten van de Trechterbekercultuur en hun opvolgers overgebleven. Over gebruiken, voorouderverering, de goden- en geestenwereld, kortom over het wereldbeeld van de mensen in die tijd is vrijwel niets bekend.

In 2015 zijn bij Oosterdalfsen in Overijssel talrijke graven, grafgiften gevonden. Ook werd een huisplattegrond uit de Trechterbekertijd opgegraven.

In 2015 zijn bij Oosterdalfsen in Overijssel een groot aantal graven uit de late Trechterbekertijd opgegraven. Van hunebedden was geen sprake. In de wijde omgeving daar ontbreken zwerfstenen. Op een aantal plaatsen kon men aan verkleuringen in het zand herkennen dat deze afkomstig waren van overleden mensen. Uit de contouren kon men opmaken dat de doden afzonderlijk in graven waren bijgezet, liggend op hun zijkant met opgetrokken knieën. Ook waren de graven oorspronkelijk bedekt door een heuvel van zand. Deze vorm van lijkbezorging is bekend uit het Laat-Neolithicum (Enkelgrafcultuur). Deze periode vormt de overgang naar de Bronstijd.

Het heeft er veel van dat de bevolking in de Late Trechterbekertijd gebruiken en gewoonten heeft overgenomen van immigranten. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat een bevolkingsgroep die afkomstig was van de Zuid-Russische steppen westwaarts Europa ingetrokken is. Deze mensen staan bekend als het Jamna- of Jamnaya-volk. Zij verplaatsten zich op steppepaarden. Deze waren omstreeks 4000 v.Chr. door hen gedomesticeerd. Ook hadden zij de beschikking over wagens/karren met vier wielen, die door ossen getrokken werden. In een volgend artikel over het Laat-Neolithicum komt dit nader ter sprake.

Menselijke schedel uit de Yamnaya-cultuur, beschilderd met rode oker. Foto uit NRC, Rasmussen et al.

Op veeteeltgebied en ook wat akkerbouw betreft waren de Jamnaya vrijwel volledig op het boerenbestaan overgegaan. Dankzij hun zuiveldieet, waren zeker de mannen groot en hadden ze sterke kiezen en botten. Of de veranderingen in onze streken geleidelijk ingang vonden, waarbij beide culturen in elkaar overgingen, is niet goed bekend. Het is niet onmogelijk dat de Trechterbekercultuur door zijn abrupte einde aan geweld ten onder is gegaan. Op verschillende plaatsen zijn aanwijzingen gevonden dat er sprake moet zijn geweest van conflicten.

Vorig artikelDuivelsstenen
Volgend artikelStonehenge ontstond op Orkney…
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.