In ieder mensenleven komen ze voor: rampen. Dat zal in de prehistorie niet anders geweest zijn. Van een mislukte oogst tot een naaste die overlijdt. Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten. Een ramp kent vele verschijningsvormen. Schrijver en historicus Albert Metselaar heeft voor ons 5 verhalen geschreven over potentiële rampen en veerkracht in de prehistorie.

Titel: Veerkracht in de prehistorie: Het tempeltje en de oogst

In de bronstijd moest je rekening houden met hogere machten. Daar hoorden mensenoffers bij. Had je een jaar overgeslagen? Dan kon het zomaar zijn dat je oogst in vlammen op ging…

We zijn op een handelsmissie aangekomen bij de stam in wat later Drenthe genoemd zal gaan worden. Of ons dat wat op zal leveren, dat weten we nog niet. Wij weten waar het schoonste zout te krijgen is, wij kunnen zorgen voor sierlijke stenen, staan in contact met ervaren bronsgieters van de beste kwaliteit gereed-[schap en wapens, en wilt u een boot of een wagen laten bouwen, vindt maar eens ervaren vakmensen. Nou, wij kennen die. Goud en zilver? Wij kunnen dat leveren, net als ruw brons en tin. Wat we zoeken: grote huiden van koeien, maar dan wel om dik leer uit te kunnen halen, zachte bontvelletjes, graan van diverse soor-[ten, slaven, jonge vrouwen, en jonge mannen om als soldaat in dienst te treden bij iedere betalende krijgsheer. 

Voor er gehandeld kan worden, is er het gebruikelijke ritueel van kennismaken en bijpraten. Iedereen vindt zichzelf belangrijk, en wij hen ook, want zo komen we erachter met wat voor volk, stam, stammenverband of familie we te maken hebben. We zijn van-[daag uitgenodigd bij de leider van deze stam. Een wijs man, zo-[als men van hem zegt. Hij zal ons vertellen over de gebruiken van de stam. We hebben een ontmoeting bij een tempeltje in het veen. Hij komt hoog te paard aanrijden. Blijkbaar wil hij indruk op ons maken. Hij zet zich dan neer voor het tempeltje, op een scha-[penvacht op een kruk. Wij zitten op de grond. Gelukkig staat het tempeltje op een droge zandkop. Hij kijkt ons aan, hij zwijgt, laat het stil zijn, we horen de vogels en de zoemende insecten om ons heen. Ergens in de verte, aan de rand van het veen, werkt een specht aan een boom. Dan klinkt:

“O bezoeker, dank u wel, dat u de tijd neemt om aandacht te besteden aan mijn eenvoudig persoon. Ik ben geen grote held, ik ben geen mens van naam, ik ben slechts een wijze, die door velen als onwijs wordt gezien. Maar als men in nood zit, dan komt men naar mij toe. Ik spreek uit wat rechtvaardig is, waar onrechtvaardig is gehandeld. Ik geef adviezen, om de stamleden onderling goed met elkaar om te laten gaan. Ik zie aan het vliegen van de vogels, in de lever van een vers geslacht dier, of gewoon in de ogen van mijn bezoekers, wat goed is voor de toekomst. Ik weet niet alles, maar ik weet genoeg om u te laten weten wat wij weten. Maarree…..

Wat weten we eigenlijk? En wat weten we niet? Wat zullen we misschien nooit weten? Maar sommige dingen weten we wel heel goed. Als op het eind van het jaar, als de dagen steeds korter worden, en door de lucht het joelen van de storm wordt gehoord, dan is het maar de vraag of het licht ooit terug zal komen. De geesten van de voorouders rijden dan door de lucht. Ze willen de baas worden op onze boerderijen, ooit hun boerderijen. Als wij dan ook op onze hoorns gaan blazen, dan denken ze dat er zoveel groepen krijgers klaarstaan, dat ze niet meer durven te ko-men. Probeer het maar. Als je buiten gaat blazen op een hoorn, als de dagen korter worden, dan worden ze vanzelf weer langer.

Wat we ook weten: vissen, wat hebben die veel jonkies. Kikkers, hele wolken vol eitjes, waar allemaal kikkervisjes uit komen. Eenden en andere watervogels, dikke nesten vol eieren en veel kuikens. We weten niet wat er onder de waterspiegel zit. We weten wel dat daar een kracht woont, zo groot, dat alles wat met water te maken heeft een hele goede oogst krijgt. Oftewel: veel kinderen, veel voorspoed. En dat allemaal door vogels en watervogels. Niet voor niets vertellen we onze kinderen dat de kleine kindjes worden gedragen op de rug van een zwaan, als ze bij ons komen. Of het is een ooievaar, die ze in een doek in de bek draagt.

Niet de man, maar de vrouw krijgt kinderen. Dat weten we ook. Er woont een grote kracht in het veen, achter de waterspiegel van de plassen in het bos, en dat is een vrouwelijke kracht. Een moeder van alles. Een oermoeder. En iedere stam geeft haar een eigen naam. Als we in haar omgeving komen, bij de veenplassen en de meertjes, dan worden we allemaal gewaarschuwd. Dit is haar domein. Hier eindigt de gewone mensenwereld. We hebben op tal van plaatsen eenvoudige beelden neergezet, houten palen met wat simpele gezichten erin uitgebeiteld. Het is een boom die zich in twee takken splitste. De boom wordt gewoon op de kop gezet, alsof er een lijf met twee benen staat. Bovenop is weer het hoofd uitgehakt. Meer hebben we niet nodig. Dan weten we het. Hier begint haar wereld…..

Maar snapt ze ons wel, die oerkracht, die oermoeder? We twijfelen soms aan haar. Weet ze wel wat wij belangrijk vinden? We moeten haar soms een beetje helpen, hebben we als mensen tegen elkaar gezegd. Want niet alles gebeurt in het veen, bij het water, aan de rand van de riviertjes. Wij zien dat het niet altijd zo goed gaat met de oogst. Wat verbouwen we eigenlijk? Het zijn granen, zoals gerst, gierst en emmer (voor brood en pap), en we verbouwen vlas. Het zaad van het vlas vermalen we en we persen er lijnolie uit. Het vlas zelf zorgt voor vezels, om linnen kleding van te maken. We hebben geiten, schapen, varkens, sommigen hebben paarden en alle hoeves hebben runderen. Van de wol van de schapen maken we onze bovenkleding. ’s Zomers dragen we vaak niet anders dan een linnen tunica. Gewoon, een doek om ons lijf tot op de knieën. Bij de vrouwen natuurlijk lager.

Als er dus wat mis gaat op de akkers, als de oogst mislukt, dan hebben we een ramp. Eén jaar kunnen we misschien nog wel opvangen, door voedsel te ruilen met anderen, maar twee jaar? Dan wordt het honger lijden. We hebben het voor onszelf zo opgelost: alles wat we graag willen ontvangen van de Grote Moeder, brengen we haar, offeren we haar, geven we een plaats onder de waterspiegel. Onze duurste zaken zijn bronzen bijlen, speerpunten, kookpotten, ringen, sikkels, en wat al niet meer van brons te maken is. We ontvangen de bronsgieters en de handelaren met veel plezier, nemen ze op in onze hoeves. Het kost ons veel huiden, graan, bewerkte vuursteen en alles wat we zelf kunnen maken. We hebben het er voor over. We geven echter de mooiste stukken aan de Grote Moeder achter de waterspiegel. Opdat ze ons nog meer bronzen werktuigen en sierlijke voorwerpen zal schenken. We gaan daar heel ver in, in het schenken van wat we graag willen ontvangen.

Het gaat bij ons zover, dat we ook kinderen en volwassenen offeren in het veen. Soms gaat dat om mensen die zich zeer slecht hebben gedragen. Soms bereiden we een kind voor op de ontmoeting met de Grote Moeder, en houden we het met stokken en takken onder de waterspiegel, tot de Grote Moeder het opneemt. Zijn we wreed? Misschien in uw ogen. Maar hoe zit het in uw wereld? Hoeveel mensen sterven er om uw tafel met voedsel gedekt te houden? Zijn daar ook kinderen onder? En wat moeten we anders, als kinderen sterven door ziektes, als er te weinig worden geboren, en als de familie oud en ziek dreigt te worden? Geen kinderen is geen toekomst, en met een mens dat we schenken aan de Grote Moeder, iemand die haar wereld in mag gaan, een grote gunst, krijgt de familie en de stam weer kansen.

Meestal gaat het er veel plezieriger aan toe. We hebben de Grote Moeder een eigen woning gegeven. Op een zandkop in het zompige veen is een kleine woning gebouwd met twee rijen van vier gladgemaakte eikenhouten palen. Opdat deze niet wegzakken staan ze op een fundament van twee brede planken. De palen zijn van boven verbonden met balken, die op de uiteinden versierd zijn met hoorns. Daarop rust een dak van riet. In het tempeltje, dat net zo breed en lang is als een mens met uitgestrekte armen, staan vier korte boomstammetjes. Daarop staat een draagbaar. Op deze draagbaar staat een eenvoudige afbeelding van de Grote Moeder. Het is niet meer dan wat we op de randen van het veen en de waterplassen zetten. We kunnen haar zelf niet namaken, we weten te weinig van de Grote Moeder. Maar wie de draagbaar ziet, als deze op de schouders van vier mannen of vrouwen wordt gedragen, weet dat het om haar gaat.

We hebben over het zompige veen planken gelegd, lange rijen van planken, tegen elkaar geschoven en vastgezet met paaltjes in het veen zelf. Zo kunnen we de woning van de Grote Moeder bereiken. Zo kunnen we haar dragen naar onze hoeves. Als het voorjaar is, als de akkers haar kracht nodig hebben, dan dragen we haar van hoeve naar hoeve, tot ze de hele stam bij langs is geweest. Overal wordt ze ontvangen door zingende en dansende mensen. We vieren feest. We weten dat de winter achter de rug is en dat nu met haar komst de akkers weer klaargemaakt kunnen worden voor een rijke oogst. De grond draagt haar kracht en zal zorgen voor een rijke oogst van vlas, emmer, tarwe en gierst. De koeien, geiten, schapen en paarden van de hoeves, die eten van het land waarover ze gedragen is, zullen gezonde sterke jongen krijgen. Alleen als dit niet genoeg is geweest, als de Grote Moeder ons toch vergeten lijkt, dán gaan we offeren.”

De woning voor de Grote Moeder, het tempeltje in het veen, waar doorgaans op vier boomstompjes een beeld op een draagbaar staat. Dat is nu onderweg. Erna de weg over het veen. Planken verdelen het gewicht over de soppige bodem. Ze brengen mensen bij het beeld en dat weer op de akkers.

Weer valt er een stilte. Blijkbaar is er genoeg verteld. We kunnen zijn verhaal goed verstaan. Onze stammen hebben onderling wel wat verschillen in woorden, maar het lijkt genoeg op elkaar om contacten te onderhouden. We worden opgeroepen om naar een marktplaats te gaan. Het is een aangestampte lemen vloer tussen twee hoeves, mooi hard en droog, zodat we onze waren uit kunnen stallen. We hebben bekijks genoeg. Nu nog zien wat ze voor ons hebben. Ach, dat komt altijd goed.

Als de lucht begint te betrekken, gaan we naar binnen. Eén van de grote hoeves wordt ons nieuwe onderkomen. Als alles versleept is, begint het ongenadig te donderen. “Zijn dat uw goden of is dat de oermoeder?”, vraagt de wijze van de stam. “Er is water genoeg, wat dat betreft kan het de uwe zijn”, zeg ik. “Maar als het de onze is, om zoveel hebben wij niet gevraagd.” Het water is het probleem niet. Dat stroomt wel weg. Een paar dagen later komt het échte probleem. Opnieuw dreigende wolken, gevolgd door een paar blikseminslagen, verderop in het veen, en….. in het graanveld. In het droge graan, klaar om geoogst te worden.

Daarop zijn we niet voorbereid. De mensen rennen wat ze kunnen, om takken te halen en al slaand op het vuur de vlammen in bedwang te houden. Als het avond is, is één van de akkers volledig verbrand, een tweede wel aangetast maar grotendeels behouden, en zitten de mensen ontredderd én gelukkig bij elkaar in de grote hoeve. Midden in de akker zit een plek met totaal verschroeide aarde, waar zelfs een harde stof in de grond te vinden is. Daar is de bliksem ingeslagen. Er omheen liggen de verkoolde resten van het graan. Dit had ook een inslag in een hoeve geweest kunnen zijn. Het had allemaal veel erger gekund, zeggen en denken we. En zo helpen gedachten om de klap op te vangen.

Onze handel gaat een onverwachte kant op. De families hebben nog genoeg graan voor de komende winter en de periode tot de volgende oogst, als deze oogst binnen is gehaald. De andere families van de stam helpen hen het verlies op te vangen. Zo doen mensen dat. De grilligheid van de goden, welke dan ook, kan men niet overzien. Je kunt wel besluiten om te delen wat er is. Er is te weinig om op te eten én nog zaaigoed achter te houden. We spreken af dat we volgend jaar terug zijn. We hebben zaad van graan met meer korrels, groter en sterker, zodat het meer meel op zal leveren. Deze winter zal er extra gejaagd worden, zodat komend voorjaar een stapel dikke huiden voor ons klaar zal liggen. We vertrouwen elkaar. We hebben al vaker gehandeld, én men zag dat we ons ook inzetten bij het blussen van de brand. Die blikseminslag was in ons voordeel. Moeten we nu onze goden danken? Of is dit ook een manier om elkaar te helpen?

“Zit je te dromen? We moeten opladen, we vertrekken zo!” Ik weet het. Ik rol de waren weer in een huid, zodat ze niet beschadigd raken. De paarden worden opgeladen. Ieder zijn werk. Als de zon begint te rijzen, zijn wij op weg naar een volgende stam. Volgend jaar zijn we hier terug. In het voorjaar.

Als de draad van het leven wordt gesponnen, weten we nooit van tevoren hoe lang deze zal zijn, of de draad dun of dik zal worden, of wat de kwaliteit van onze wol zal zijn. Als na de bronstijd de ijzertijd komt, spreken we ook over een periode waarin men het leven gaat vergelijken met deze gesponnen draad. In het noorden van Europa heeft men het dan bijvoorbeeld over de drie Nornen, die onze draad spinnen. We noemen ze ook wel de drie Matrones. En altijd weer blijft de vraag of alles daarmee vast ligt, of dat we zelf de draad op kunnen pakken…….

Dit verhaal is ook te beluisteren als podcast. Als Je Wereld Lijkt In Te Storten – 3. Het tempeltje en de oogst – Hunebednieuwscafé | Podcast op Spotify

Vorig artikelHunebedden, vuursteen en andere zwerfkeien – deel 15
Volgend artikelGroovy Granite door Esther Schlebos

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.