In ieder mensenleven komen ze voor: rampen. Dat zal in de prehistorie niet anders geweest zijn. Van een mislukte oogst tot een naast die overlijdt. Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten. Een ramp kent vele verschijningsvormen. Schrijver en historicus Albert Metselaar heeft voor ons 5 verhalen geschreven over potentiele rampen en veerkracht in de prehistorie.

Titel: Veerkracht in de prehistorie: De terugkeer van een veteraan.

De IJzertijd, een tijd waarin uit heel Nederland, ook Drenthe, jonge mannen in dienst gingen bij het Romeinse leger. Geld en aanzien werd beloofd. Als je geluk had, overleefde je. Maar hoe zag je thuis eruit bij terugkomst?

De zon staat al laag als de voeten van een vermoeide reiziger het pad betreden dat noordwaarts door de oude venen leidt. De vertrouwde geur van rottende plantendelen heeft hij al lang niet meer in zijn neus gehad. Het is een man van zo’n veertig jaar. Preciezer zal hij het zelf ook niet kunnen zeggen. De tijd ging zo snel. Zijn gezicht is getekend door het leven dat nu achter hem ligt. Een litteken komt nog net boven de baard uit, die hij sinds een week of drie weer heeft laten staan. Het bronzen scheermes brak. Maar scheermessen heeft hij ook niet nodig in het land van zijn jeugd. Het rood van het litteken is al bijna overgegaan in een bleek schijnsel, dat volgende zomer op zal vallen als het niet mee kleurt met zijn huid. Het is een herinnering aan zijn laatste ontmoeting met zijn moeder.

Hij was een jaar of dertien toen hij van huis ging. Moeder was nog een enkele keer bij hem geweest. De laatste keer was op een slagveld, ver weg, waar het nooit winter wordt. “Eber”, had ze geroepen. Verschrikt keek hij om, waardoor het zwaard dat zijn hoofd zou splijten enkel nog zijn wang raakte. De punt gleed door zijn vel, toen een snelle stoot met zijn lans een einde maakte aan het leven van de onverwachte belager. Hoe kon moeder daar zijn? Was het haar geest die opdook? Daarna bleef moeder weg, en kwam het heimwee naar zijn geboortegrond. Heimwee dat nu, nu zijn vertrouwde venen links en rechts naast hem liggen, omslaat in een sterke drang om thuis te komen. Hij geeft een ruk aan de teugels. Zijn paard schrikt op en volgt zijn versnelling. Het pad door de venen kan hen beiden dragen, als ze op eigen benen staan. En dan nog mag hij van geluk spreken. De herfstregens kwamen laat. Het pad is nog betrouwbaar genoeg gebleven. Hij had er zelf al rekening mee gehouden dat hij zich enkele maanden aan een boer had moeten verhuren, in afwachting van de vorst, die de venen op den duur weer toegankelijk zou maken.

De wind doet de mantel opbollen, die hij strak om zijn lichaam getrokken houdt. Een leren zak is even te zien, evenals een gevest. De zak trekt zijn gordel diep in het vlees. Het gevest is dat van een zwaard van het beste Romeinse ijzer. Het pak op zijn rug doet hem enigszins kromlopen. Zijn voeten zakken dieper weg dan verwacht mag worden. Even rust hij uit, onder een paar bomen op de ruige hoogte, als de tocht door het veen er voor de helft opzit. Het zwaarbepakte paard wordt even van zijn last ontdaan. Het eet wat van het laatste verdorde gras, dat de bran-dende zomerzon hier heeft laten staan. De last moet de moeite waard zijn, anders doe je het niet. De huiden en het dunne laagje goed verdeelde vet op de plaatsen waar water in kon dringen, hebben de inhoud goed beschermd tegen rivier- en regenwater. Man en paard. Samen op weg. Even doet de man zijn ogen dicht. Even slapen, terwijl de hengst wat rustig staat te vreten. Dan wrijft het paard met zijn lippen tegen zijn wang. Verder, baas…..

Als ze daarna de zandkop achter zich laten, plenst het. Het begint te schemeren als de rand van de venen bereikt is. Hij zucht. Is het goed dat hij gekomen is? Had hij beter weg kunnen blijven? Hij weet het niet. Zijn leven herhaalt zich in zijn geest als hij de laatste stukken van het zandpad onder zich door voelt gaan. Als jongste zoon had hij geen kans gehad om veel van zijn leven te maken. De boerderij zou later voor zijn broer zijn. Hij had voor hèm kunnen blijven werken, of de erfdochter van een andere boer trouwen. Het laatste wilden zovelen. Het eerste was schier onmogelijk omdat de karakters van hem en zijn broer zo verschilden. Als kind hadden ze enkel gevochten. Zouden ze als volwassenen onder één dak kunnen leven? Zou hij zijn broer als baas kunnen aanvaarden?

Je moet blij zijn met de plaats die de Vrouwe van het Ven je gegeven heeft, zegt men. Hij heeft zich nooit zo druk gemaakt om die Vrouwe van het Ven, en voelt zich zeker niet vereerd door haar beschikking. Ze is naamloos. Sommigen noemen haar en haar zusters ‘Matrones’, Moeders, maar wat die Grote Moeder wil is de mens vaak een raadsel. Een koopman uit het zuiden had verteld van de rijkdom van het verre Rome, toen de mensen bij elkaar gekomen waren om recht te spreken. Aandachtig had hij geluisterd, net als de andere jongens van de hoeves uit de wijde omgeving. Die rijkdom zou ook hun deel kunnen worden, zei de koopman, als ze soldaat zouden worden in het machtige Romeinse leger. Voordat de koopman het andere jaar terugkwam hadden hij, Wolte van de Reest en Lubbe van de Stroomberg er een paar keer enthousiast over nagepraat. Alle drie zaten ze in hetzelfde schuitje. Alle drie zouden ze met het geld dat in het zuiden te verdienen was een hoeve kunnen beginnen. Het jaar daarop gingen ze mee met de koopman. Bij een Romeins garnizoen prezen ze hun kwaliteiten. De koopman kreeg van de Centurion een paar goudstukken voor bewezen diensten en ze werden aan het werk gezet. Pas enkele jaren later waren ze oud genoeg voor het soldatenleven. Dat was ruim vijfentwintig jaar terug. Ruim vijfentwintig jaar geleden traden ze in dienst. Lubbe stierf al bij het eerste gevecht. Wolte verdween spoorloos, toen hun legeronderdeel naar zuidelijker streken overgeplaatst werd. Voor hem, Eber, de trouwe doorzetter, kwam na vijfentwintig jaar het moment om het soldatenleven achter zich te laten. Als veteraan was hij weer vrij om te gaan en te staan waar hij wilde. Hij kreeg een ruime vergoeding mee en toen? Naar huis?

Zouden ze nog leven? Als een bliksemschicht flitst de gedachte door zijn geest. Zijn herinneringen worden weggedrongen door de gedachte aan de schok die hij zal ervaren als vader en moeder er niet meer zouden blijken te zijn. Tegelijkertijd beseft hij dat het een wonder van een god zou moeten zijn als ze er wel allebeide nog zouden zijn, na al die jaren.

De hoeve staat er nog. Als een wolk voor de maan drijft, doemt hij als een donker gedrocht op tegen de iets lichtere sterrenhemel, om daarna in het volle maanlicht tussen het bouwland te staan pronken. Het paard snuift een keer. Vanuit de hoeve komt antwoord van een ander paard. Eber pakt een lituus, een metalen trompet met een krom hoornvormig uiteinde, een instrument dat hij mee wist te nemen en tussen de over het paard gespannen riemen had gestoken. Hij blaast een signaal, dat hij als kind al kende, en waaraan iedereen hem wist te herkennen. Zou er nog steeds iemand zijn die het herkent? De lituus schalt over de nachtelijke akkers, tussen de hoeves door tot aan het bos, en komt terug in zijn echo’s. Het geroezemoes van stemmen rond een vuur valt stil.

Het vuur laait hoog op. Garm haalt er wat brandende stronken uit, opdat de vlammen het dak niet bedreigen. Hij dooft ze met wat zand. De vlammen verlichten de woonruimte. Zelfs in de hoeken van de koestal is het zwakke schijnsel nog te zien, tussen de schaduwen van het vee. De lucht van de koeien, het paard, de mensen, het drogende vlees en de rook vormen een zware damp, waar Garm en de zijnen vanaf hun geboorte aan gewend zijn. Garm staart in het vuur. Wat heeft het leven hem gebracht?

Garm is de leider, omdat hij de oudste zoon van zijn vader is. De Vrouwe van het Ven heeft dat zo bepaald. Garm kijkt rond. In het zwakker wordende schijnsel van het vuur ziet hij zijn beide broers. Ze komen na hem. Garm rochelt. Hij heeft een zere plek in zijn borst. Dat heeft zijn vader ook gehad. Die ging na een jaar dood. Een oom is er overheen gekomen. Hoe vaak zal hij nog zaaien? Zal hij de volgende oogst nog meemaken? Bij het wisselen van de seizoenen komen en gaan de generaties. Alles wat ze met elkaar gemeen hebben zijn hun namen, die steeds weer terugkeren. Net als iedere lente anders is, is iedere generatie op zijn eigen manier toch weer zichzelf en anders dan de vorige. Garm rochelt en spuugt in het vuurt, dat sissend een einde maakt aan iets onduidelijks bruins. Garm haalt weer diep adem. Het leven gaat verder. Hoe lang nog?

Gudrun van de Riest. Wat was ze mooi toen ze jong was, en wat is ze mooi in haar ouderdom. Ze kende de pijn van het afscheid. Ze had haar jongste kind met tranen in de ogen zien vertrekken. Garm had het toegestaan, omdat hij aanvoelde dat de jongen niet gelukkig zou worden in de schaduw van zijn oudere broers. Gudrun heeft nog een paar keer gezegd dat ze Eber gezien heeft. Ze is een zieneres geweest. Vanuit de verre omtrek heeft men haar vroeger om raad gevraagd. Ze wist soms dingen die niemand anders ooit geweten heeft. Maar of ze Eber gezien heeft? Garm weet het niet. Hij wou dat hij het geloven kon. Is het misschien zo geweest dat het verdriet om haar zoon haar gek gemaakt heeft? Op den duur staarde ze zo vaak in het vuur en vertelde dan zoveel van wat ze voelde wat er met Eber gebeurde, dat ze weer gelukkig werd. Ze had Eber weer bij zich. Ja, ze moet toen wel gek geweest zijn. Een paar dagen voor haar dood heeft ze nog geschreeuwd, toen ze water aan het koken was. Ze riep zijn naam, “Eber!”, en zei hem van de dood gered te hebben. Op haar sterfbed heeft ze gezegd dat Eber terug zal komen. Was dat maar waar. Dan zouden Garms zorgen over zijn opvolging voorbij zijn. De andere zonen stierven ieder op hun eigen manier…..

Drie oude graansoorten. Boven eenkoorn en onder spelt (links) en emmer. Ze leren herkennen vraagt ervaring. Mede deze graansoorten staan aan de basis van de moderne granen

Gudrun van de Riest. Wat was ze mooi en wijs. Maar waren de woorden over Eber woorden van wijsheid, of woorden van een intens verdrietige moeder, die nooit had kunnen leven met het verlies van haar jongste zoon? Garm gooit toch maar weer wat hout op het vuur, opdat het niet te ver uitdooft. Hij heeft nu al zolang zitten peinzen, dat de stronken die hij er eerst uitgehaald heeft, nu broodnodig zijn. Stel dát Eber terug zal komen? “Garm”, wordt er geroepen, “Weet je nog wat Gudrun gezegd heeft?” Garm kijkt op. Zijn oude schoonmoeder kijkt hem aan, van onder haar dekens. “Ik weet het nog”, zegt Garm, “Zit jij er ook over te prakkezeren?” “Nee”, zegt de oude vrouw, “Ik weet zeker dat ze gelijk heeft. Prakkezeren doe je alleen als je haar niet gelooft!” Garm kijkt haar geïrriteerd aan. Zij is de enige die hém op zijn nummer durft te zetten. Ze weten allebei wat er gezegd is. Gudrun voorspelde dat Eber terug zou komen bij de eerste volle maan na het begin van de herfst. Dat zou dan vannacht kunnen zijn. Het zou ook volgend jaar kunnen zijn, of het jaar erop. Dan snuift er een paard. Het wordt stil rond het vuur.

Het flakkerende licht geeft het grillige lijnenspel in het gezicht van Grijze Garm een spookachtige aanblik. Als je hem daar zo ziet zitten, starend in het vuur, zo af en toe naar de mensen om hem heen kijkend, zou je bang voor hem worden. Buiten wordt er geroepen: “Ik ben Eber van Garm en Gudrun. Waar zijn jullie? Leven jullie nog? Ik had op zijn minst een wild zwijn aan het spit verwacht als ik terug zou komen!” Garm springt vertwijfeld op. Is het waar? Wordt hij door iemand voor de gek gehouden? Zijn stem dondert door de hoeve. Zijn ogen schieten vuur. Hij buldert: “Eber is dood! Als je Garm denkt te kunnen bedriegen, stopt hij je met de kop in een strontput!” Buiten klinkt blij: “Vader, je bent nog niks veranderd! Een grote mond en een klein hartje!” De mensen rond het vuur schrikken, van Garm, en van de stem van buiten. Wie durft Garm op zo’n brutale manier te tarten? Wie durft zich uit te geven voor een zoon van Garm en Gudrun? De oude Rana neem het voortouw: “Garm, je zoon is terug! Niemand kan hem zo goed nadoen! Luister met je hart, niet met je oren.” Maar Garm hoort het amper. Hij huilt van blijdschap.

Grijze Garm vliegt naar buiten. Rana en de andere binnenblijvers horen zijn stem overslaan als hij zijn zoon ziet. Als ze samen naar binnen komen staan de mensen op de deel de nieuwkomer verbaasd aan te staren. Is dit nu die jongen die wegging? De oude Rana breekt het ijs. Ze omarmt hem, ze wijst op de beide pukkels op zijn linker wang, net boven de baardrand. Ze trekt aan de ring in zijn linker oor, die Gudrun hem als afscheidscadeau gegeven heeft. “Zijn jullie die nu al vergeten? Hij is maar vijfentwintig jaar weggeweest. Eber, mijn jongen, wat waren je laatste woorden op ons erf?” De mensen kijken elkaar aan. Eber had altijd veel gehouden van de verhalen, die al generaties lang doorverteld werden. Niemand weet meer hoe oud ze zijn. Sommige spreuken uit de verhalen citeerde hij te pas en te onpas. Eber spreidt zijn armen uit en declameert:

“Koeien sterven.

Vrienden sterven.

Sterven is ons lot.

Roem en eer keert eeuwig weer.

Je naam gaat nooit kapot.”

De mensen juichen en schreeuwen. Garm is weer stil geworden. Hij zit aan het vuur, gooit er nog wat hout op en probeert alles in zijn eentje te verwerken. Rana komt bij hem zitten. De oude vrouw kijkt hem aan, zwijgend. Ze weten van elkaar waar ze aan denken. “Vertel jij het?”, vraagt Rana. “Doe jij het maar”, zegt Garm. Hij weet zelf de juiste woorden nu niet te vinden. Rana pakt haar kleinzoon bij de schouder en vraagt hem bij haar en Garm te komen zitten. Zwijgend kijken ze elkaar aan. “Je hoeft het me niet meer te vertellen”, zegt Eber. “Ik weet het al. Toen ik binnenkwam heb ik haar al gemist…” Rana vertelt van de dood van haar dochter, zijn moeder, Gudrun de zieneres. Ze vertelt van Gudruns voorspelling. Morgen zal ze de brandheuvel laten zien die tot haar gedachtenis opgeworpen is. Ze vertelt van de dood van Ebers oudste broer, Gurt. Een oeros nam hem op de horens. Hij had in zijn jeugdige overmoed een stier uitgedaagd door te zwaaien met een stuk stof en wist niet snel genoeg weg te komen. Tamme, zijn andere broer stierf plotseling. Zo was hij nog sterk en kerngezond, op het kreupele been na waar hij mee geboren was, en zo ineens was hij ‘uit de tijd’, overleden. Hij greep naar zijn hoofd en viel neer.

Eber krijgt van Rana te horen dat er nu een taak op zijn schou-ders ligt. Garm is oud, wie weet hoe lang hij het nog zal maken? Eber is jong en sterk. Hij heeft nog veel te leren. De mensen rekenen erop dat hij de hoeve voortzet. Al die jaren als soldaat liggen dan nu wel achter hem, maar de achterstand die hij in kennis van het boerenleven opgelopen heeft, moet hij zo snel mogelijk inhalen. Vóór Garm overleden is. Garm zit erbij en hoort het aan. Eber luistert en zegt eerst niets. “Laten we maar gaan slapen”, komt er dan uit zijn mond. “Ik ben zo moe. Ik heb zo naar jullie terug verlangd. En nu ik hier ben, wil ik eigenlijk maar één ding: slapen, slapen, op de plaats waar ik altijd sliep, toen ik nog bij jullie was.”

Wat er ook nog om hem heen gebeurt, die avond en die nacht, hij hoort het niet. Alleen het zacht kreunende geluid en verstappen van al de koeien op stal, de geur van al dat vee en al die mensen bij elkaar, dat dringt nog tot hem door. Gek, dat ie dat eigenlijk nog het meest had gemist. Thuis, dat was het vee. Thuis, dat was de hoeve. De oude Rana kijkt haar schoonzoon aan, de oude Grijze Garm, Ebers vader. “Prakkezeer je nog, Garm?” “Nee”, zegt Garm. “Het leek alsof mijn wereld aan het instorten was. Maar soms komen de dingen gewoon weer op zijn plaats. Soms lijkt het vanzelf te gaan. Dan komt alles  weer goed.”

Mensen zijn altijd in verandering en ontwikkeling.

Dat zien we ook terug in onze werktuigen.

Een voorbeeld in het klein: het begon met een kling, een simpele maar scherpe afslag van vuursteen, en een ‘vuistbijl’. Eigenlijk helemaal geen bijl, maar een werktuig dat je op tal van manieren kon gebruiken. Ook om te snijden. Daarna maakte de mens het vuurstenen mes, met een een houten handvat en het bewerkte stuk vuursteen eraan bevestigd met berkepek. Een koperen mesje is het oudste metalen mes van Drenthe. De kopertijd duurde slechts pakweg een eeuw.  In de bronstijd maakten we mooie bronzen messen, met andere vormen, want we leerden gieten. Daarna kwamen ijzeren messen in vele grootten. Tot en met ons zakmes. Om te steken had men helemaal geen steen of metaal nodig. Dat kon heel goed met een punt van een gewei of een scherp stuk bot.

Deze lijn loopt door al onze oerverhalen en verbindt ons in het hier en nu met de mensen van toen.

Dit verhaal is ook te beluisteren als podcast. Als Je Wereld Lijkt In Te Storten – 4. De Terugkeer van een Veteraan – Hunebednieuwscafé | Podcast op Spotify

(Collectie Albert Metselaar)
Vorig artikelHeksenstenen
Volgend artikelNatuurfilm =HABITAT= te zien in Borger

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.