In ieder mensenleven komen ze voor: rampen. Dat zal in de (pre)historie niet anders geweest zijn. Van een mislukte oogst tot een naaste die overlijdt. Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten. Een ramp kent vele verschijningsvormen. Schrijver en historicus Albert Metselaar heeft voor ons 5 verhalen geschreven over potentiële rampen en veerkracht in de prehistorie en historie.

Titel: Veerkracht in de historie: De burgeroorlog in Treante (Drenthe)

Treante (Drenthe) omstreeks 800 na Chr. Bisschoppen doorkruisten Drenthe om mensen links en rechts te overtuigen van het nieuwe geloof, het Christendom. Eén zo’n Bisschop kroop op zijn tochten door het oog van de naald…

Egisrif, een vertrouweling van de missionaris en bisschop Willehad, dat ben ik. Ik was er bij toen hij stierf, na heftige koortsen, en ik was erbij toen hij vooraf over zijn leven wilde spreken. Alsof hij aanvoelde dat er iets herinnerd moest worden van zijn veelbewogen leven. Hij vertelde over die ene keer, dat zijn leven werd gered door een riem, waarop een zwaard afketste, dat hem eigenlijk gewoon in tweeën had moeten klieven. Het was een Goddelijke ingreep geweest. Het was in de jaren onzes Heeren 776 tot en met 779, dat Willehad in enkele Friese gouwen werkzaam was. Onze geestelijk leider Willehad vertelde aan mij, Egisrif, en andere vertrouwelingen, toen zijn lichaam rust vond tussen enkele huiden die hem warm hielden op een koude avond:

“Ik wist dat ik met mijn tocht naar de Friezen mijn leven op het spel zette. Ik kon niet anders. Het gebod van onze Heere zelf is overduidelijk. Hij geeft de opdracht om het Evangelie aan alle volken te vertellen. En dan kun je de Friezen dus niet overslaan. Het moest gewoon. De Friezen leven volgens hun eigen Landrecht, waarin onder meer is bepaald: “Wie aantast wat voor ons heilig is en iets van het heilige wegneemt, wordt gebracht naar de zee, en op het zand, dat door de zee bedekt wordt, worden zijn oren gespleten en wordt hij gecastreerd en geofferd  aan de Goden wiens heiligdom hij heeft geschonden.” Bonifatius kwam met tientallen soldaten als bescherming maar het was ook een bedreigende legermacht voor wie het niet met hem eens was.

Daarom is het volkomen begrijpelijk dat hun recht deze Friezen dreef om Bonifatius en zijn manschappen te doden, toen het duister in hun hart sterker werd dan het Licht van het Evangelie. Bonifatius had aangetast wat hen heilig was. Hij leek uit op een machtsovername. Ach, de oude man werd op hoge leeftijd getergd door veel gewrichtspijn. De Heer wilde hem nog maar niet wegnemen. Hij vroeg min of meer om het martelaarschap en de Friezen deden mee. Dat was in het jaar onzes Heeren 754. Het was dus Zijn jaar en Zijn tijd. Het was Gods tijd nog niet om daarop in te grijpen. Ik zou echter het Friese Landrecht boven Gods wetten stellen, als ik me vanwege dat Landrecht zou inhouden. Ik moest gaan, want het was Zijn opdracht. En ik was niet uit op het martelaarschap. Ik kwam met vijf broeders ter ondersteuning, enkel gewapend met stokken, om het ongedierte des velds van ons af te slaan.

Friesland is verdeeld in Gouwen. Deze oude werkwijze bleef, door alle eeuwen heen: ga naar de leider van een gebied, en het maakt niet uit of het een Koning, Prins, stamleider of familiehoofd is. Overtuig hem van zijn redding. Wil hij daar niet aan, dan stuurt hij je zo maar niet weg, want gasten op doorreis worden altijd opgevangen. Hij zou zichzelf te schande maken, als hij gasten niet als gasten behandelde. Dat geeft je de kans om een volgende stap te doen. Je vraagt naar zijn god of godin en bewijst dat die niks doet, niet in staat is om voor zichzelf te zorgen, dus al helemaal niet voor mensen.

Bisschop Alberik van Utrecht was blij met mijn werk. Bekeerlingen in het noorden zouden zijn bisdom versterken. Ik ging van boord in het noorden van Friesland, in de omgeving waar Bonifatius het leven liet. Ik was daar met succes aan het werk. Bekeringen, dopen en het gebeurde ook dat edelen hun kinderen naar mij stuurden om onderwijs van me te krijgen. Vervolgens ging ik naar het oosten. Hier stuitte ik op hardnekkige weerstand van de Heidense bevolking. Mijn prediking was simpel. Ik begon het Woord van God te verkondigen en hen in het hart te praten, dat ze de bijgelovige godendienst zouden opgeven en de enige ware God zouden moeten gaan erkennen, om door het zuiverende water van de doop vergeving van hun zonden te krijgen. Het was verkeerd om te vertrouwen op steen en hout en verkeerd om van levenloze beelden bescherming en troost te verwachten.

De leiders van het volk accepteerden dit niet. Ik werd gevangen genomen. Men riep om mijn dood. De bevolking twijfelde over de aard van mijn boodschap. Was ik niet gewoon een nieuwe manier om aansluiting bij de Frankische koningen af te dwingen? Mij ter dood brengen, terwijl er misschien toch een goddelijke boodschap werd gebracht, dat kon ook weer verkeerd aflopen. Men besloot de goden zelf te laten oordelen. Men wierp het lot. De goden zouden vervolgens het lot sturen. Het lot sprak in mijn voordeel, ik kon blijven leven. Ik vertrok zo snel mogelijk. Naar het Friese gouw ten zuiden daarvan, Treante. Het was één dagreis naar het zuiden, maar ik was er veilig. Daar trof ik ongelovigen en mensen die al min of meer een keus hadden gemaakt voor het nieuwe geloof, in de tijd dat er evangelisten en missionarissen aan het werk waren geweest, in de jaren vóór mij.

Met mijn broeders werd ik gastvrij ontvangen in de boerderijen. Na enkele nachten liepen we verder. Zo waren we de mensen ook niet tot last. We hadden een kist bij ons met wat we nodig hadden, die tussen twee ‘bomen’ hing, stevige stokken, die op hun beurt weer op de schouders van twee broeders werden gedragen. Een heel gewicht, de last op de schouders. Na een tijdje dragen en lopen wisselden de broeders elkaar af. Zo reisden we met een goed tempo van boerderij tot boerderij. Ik droeg een kleiner kistje, dat met een dik touw over mijn schouders hing. Om te voorkomen dat het zeer ging doen doordat het in de schouder trok, had ik het touw op dat punt omwonden met stukken schapenvacht. In het kistje zat wat ik nodig had voor mijn werk. In de woningen liet ik de wierook branden, deelden we als broeders de beker en braken brood, zoals Christenen gewoon zijn te doen.

Het heeft nogal wat indruk gemaakt op onze hoorders. We waren met zijn zessen. Ik had bij me: Atreban, Benjamin, Emming, Folkard en Gerwald. Deze trouwe medebroeders zijn gedood aan de rivier de Weser, in het jaar onzes Heren 782, toen de Saksische hoofdman Widukind in opstand kwam. Mij durfden ze niet te vermoorden. Dat had te maken met wat me in Drenthe was overkomen. Ik gold als onaantastbaar, door God beschermd. Ja, ik werd beschermd, maar ze moesten eens weten wat er allemaal speelde. Ik wijd uit, ik ga terug naar mijn werk in Treante.

Het liefst overtuig ik mensen op een rustige manier. De Friese goden zijn net als de andere Germaanse goden vooral met zichzelf bezig. Ze laten de mensen maar ploeteren. Als je dan sterft, dan is er een ereplek voor wie stierf in gevechten of oorlog. Dan mag je aanzitten aan een tafel vol drinkebroers in de grote hal van de gevallenen (Walhalla). Alle dagen feest en dronken. Alsof er niks beters te doen is. De rest, vrouwen, kinderen en alle goedwillende mannen, gaan naar een onduidelijke geestenonderwereld, zonder enige kans op een nieuw begin. De goden van de streek zijn tevens zo wreed, dat ze offers van de bevolking eisen en daarbij ook de kinderen niet sparen. Wie vraagt er nu van een mens om een geliefd mens te offeren? De Christelijke religie biedt een toekomst voor iedereen: onvrijen, lijfeigenen, vrije inwoners van Treante, boeren en krijgers, mannen en vrouwen, macht en onmacht. Waar de Germanen in hun geloof drie standen zien, waaruit je als mens niet kunt ontsnappen, biedt de Christelijke religie gelijkwaardigheid van iedereen, ook van de vrouwen. Ook voor hen is de nieuwe wereld. Mijn vijanden zullen echter wat anders zeggen. Dat ben ik gewend.

Het ging heel goed in Treante. De akkers waren voorgeploegd door mijn voorgangers. De boodschap tegen de slavernij, waarbij gepreekt werd dat er geen slaaf noch meester was in het geloof, en voor iedereen een gelijke toekomst, sloeg goed aan. Er waren al mensen voordien overgegaan, en hadden zich al laten dopen. Nieuwe dopelingen doopte ik met ‘levend water’, in een stromende beek. Dit kwam dicht bij het geloof van anderen, die hun goden ook achter de waterspiegel zochten. Maar bij mij stonden ze weer op uit het water. Onze sobere levenshouding, wars van bezit, wars van drank, wars van geweld, het sprak de mensen aan. De groep leerlingen breidde zich uit. Treante is 300-500 hoeves, erven, boerderijen groot. Dan hebben we het over 3000-5000 mensen. Het is als de schare die door Jezus gevoed werd bij de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, zo groot is de groep toen geweest. Niet kleiner, maar ook niet groter. En als je dan een kwart of een derde van de mensen achter je hebt staan, dan ben je al gauw een macht van belang. En dat terwijl het mij niet ging om die macht. Het ging om het leven van de mensen.

Gelovig Treante is in die dagen een streek geweest met spanningen. Een deel maakte het niets uit wat men geloofde, ze leefden met de seizoenen, ploegen, zaaien, onkruid wieden, oogsten, de winter doorkomen en alles begon opnieuw. Meer zat er niet in hun hoofd. Een ander deel was in gedachten en daden bezig met de oude goden, achter de waterspiegel. Ze geloofden in offers in venen, bronnen en meertjes. Dan waren er de mensen voor wie de Germaanse goden belangrijk waren geworden. Wodan, Do-nar, Tiwaz, Freya, en wat al niet meer. Dat stond soms op gespannen voet met elkaar. De mensen hielden het met elkaar uit, omdat ze hun geloof in het midden lieten. Samen aan het werk op de akkers, met het vee, dat was alles. Daar mocht geloven niet tussen komen. De Christenen deden mee aan die godsvrede. Je geloofde thuis en liet de ander zijn gang gaan. Als er maar werd samengewerkt. Zolang geen groep in de meerderheid kwam, zolang geen groep zijn invloed te duidelijk liet gelden, leek alles goed te komen. En toen kwamen wij.

Het leek allemaal heel zegenrijk te gaan. En toen ging het mis. Wij wisten van niets. Wij hadden niet door hoe de familiehoofden met elkaar in overleg gingen. De Heidenen, de niet-geïnteresseerden in welk geloof dan ook, ze verspreidden onder elkaar dat de Christenen uit waren op aansluiting bij de Frankische koningen. De naam van koning Karel werd genoemd. Juist wij, in onze Iers-Christelijke traditie, wij stonden dichter bij de mensen hier dan de sterker machtsgerichte werkwijze van de missionarissen uit het zuiden. Waarom ging het mis? Ja, de Godsvrede is uit balans gehaald door het verwijderen van beelden, offerplaatsen en tempeltjes. Er zal meer zijn geweest. Vast. Mogelijk werden de mensen opgestookt door de heidenen uit het noorden, waar ik op het nippertje aan ontkomen was. Ik weet het niet.

Simpele houten palen met een uitgehouwen hoofd, markeerden de heilige plaatsen in het veen. Bij huis had men een offerplaats.

In diverse musea, verspreid over Noord-Europa, vinden we de plaatsen terug, die we in deze publicatie afgebeeld zien. De offerplaats boven is gefotografeerd in Ribe, Denemarken. De geheiligde paal hiervoor staat in Hjemsted. Er is naar gereconstrueerde situaties gezocht in het Hunebedcentrum, in Haithabu, Schothorst (Amersfoort), door heel Noord-Europa. De mensen moeten we daarbij vorm geven door living-history, levende geschiedenis. De missionaris loopt in de kledij en draagt de attributen zoals ook Willehad die gedragen kan/zal hebben. Eigenlijk moest de tunica (‘jurk’) bij hen tot op de enkels, maar dat liep slecht in heide en andere ruige landschappen. Vandaar dat men hem korter droeg.

Van de ene dag op de andere brak er een opstand uit. De Christenen in Treante zijn in elkaar geknuppeld, sommigen verdronken in de venen, kerkjes werden in brand gestoken – voor zover ze al met de bouw bezig waren – en wie zich verzette, zag tevens zijn hoeve branden. Ik was die dag met mijn broeders onderweg naar een ander gastgezin. Wij werden onderweg opgewacht door een groepje strijders van de nederzetting waar we naar toe zouden. Eén van hen droeg een zwaard, waaraan we een stamhoofd herkenden. Mijn medebroeders en ik, we werden vreselijk mishandeld. Het gewone volk had geen gebrek aan knuppels, de goedkoopste wapens, met het hardste resultaat, en wij voelden hun slagkracht. Toen kwam het stamhoofd naar mij toe, toen ik weer op begon te krabbelen. Ik zou gaan staan, door alle slagen op de grond geworpen. Ik zat op mijn knieën, kistje met spullen en relieken opzij. Hij haalde uit met zijn zwaard.

Wat toen gebeurde, daarover verschillen de verhalen die de ronde deden of nog doen. In Treante vertellen ze dat het zwaard afketste op de band van het reliekkistje dat ik droeg. Het heilige had mij beschermd, God had weer ingegrepen. Ik zal dit nooit bestrijden. Het was ook een godsoordeel, maar anders dan men dacht. Het was niet zo dat het zware ijzeren zwaard niet door een riempje of zoiets kon snijden. Het was niet zo dat ik onaantastbaar was. Had ik niet verteld, dat ik schapenvacht om het touw had gewonden, zodat het kistje door het gewicht niet in de schouder zou snijden? Iets meer links of rechts geslagen, en ik was in één keer doorkliefd, een kind des doods. Maar het zwaard werd helemaal gesmoord in de schapenvacht. Voor de man nog een keer kon uithalen, dankte ik God, dat hij mij door dit wonder van de dood had gered. Het stamhoofd durfde niet nog een keer uit te halen. Mij doden, dat was het probleem niet. Men doodde ook stamgenoten door ze in de venen te offeren. Maar de goden tarten? Welke god dan ook? Dat leverde te veel ongeluk op.

De mensen lieten ons geschrokken doorlopen. De broeders krabbelden ook op, verbeten hun pijn, namen hun wonden voor lief, en we liepen met ons hele hebben en houden verder naar het zuiden. We zochten geen hoeve meer op. We sliepen in de open lucht en aten van wat het veld ons bood. Gelukkig hadden we gedroogd vlees en vruchten voor onderweg meegekregen op ons laatste adres. Zo trokken we verder, dubbele dagmarsen makend, naar veilig gebied. Helemaal aan ons eind van vermoeidheid, pijnlijke plekken, verward soms door de slagen op het hoofd, bereikten we een hoeve in Saksenland, waar we tot rust konden komen. Wie we waren, dat maakte niet uit. We waren gekweld door één van hun vijanden, en dan waren we dus vrienden. Zo hebben wij Treante overleefd. Zo moesten we de gelovigen achter ons laten, niet wetend hoe het met hen verder is gegaan. Wij verwachten dat ze onder de druk van de heidenen weer terug zijn gevallen op hun oude geloof en hopen en bidden dat we het vuur weer aan kunnen wakkeren, later, als het daar veilig is.”

Ik, Egisrif, een vertrouweling van de missionaris en bisschop Wilehad, hoorde zijn getuigenis met aandacht aan. Ik zet het op schrift en laat het na voor wie een ‘Vita’, levensbeschrijving, van hem zal gaan maken. Dat zal vast gebeuren. Wie zo dicht bij God heeft geleefd en zo is beschermd, verdient een bijzondere, een geheiligde plaats. Anderen zullen zeggen: hij heeft geluk gehad. Zijn werk is mislukt, wat een ramp, hij heeft het overleefd, wat mooi, maar dit soort gelukkige omstandigheden, het toeval bij de doodslag, dat gebeurt toch alle dagen? Ja, dat gebeurt alle dagen. Maar hoop vinden in de goede momenten, op zo’n manier dat je er moed uit haalt, dat maakt het verschil tussen na een ramp stilzitten, wegzakken in een moeras, of opstaan en je eigen weg zoeken. Dat laatste deed Willehad. In de 9e eeuw kwam Treante, Drenthe, zo in de ‘Vita Willehadi’ terecht:

“Daarna predikte hij in het gouw Drenthe en voerde een grote menigte heidenen tot geloof en tot de doop. Hij onderwees de ongelovigen en bevestigde ook degenen die al gelovig geworden waren. Hier verbleef hij langere tijd, en was erop bedacht niet alleen de gelovigen te onderwijzen, maar ook de zwakken en half gelovigen op de weg van de waarheid te sterken, door het Woord en voorbeeldig te zijn in het geloof. Velen begonnen zijn geheiligde levenswandel te achten en de dwalingen van de heidenen te verafschuwen, terwijl ze kozen voor de christelijke religie en die met innigheid en aandacht op zich namen. Daardoor kwam het dat enigen van zijn leerlingen, door goddelijke ijver gegrepen, de in de omgeving staande heidense tempels begonnen te verstoren en op deze wijze begonnen te verdelgen. Dit zette de heidenen ertoe, die tot dat moment misschien nog twijfelend waren geweest, om plotseling in grote woede ontvlamd met groot geweld over hen heen te vallen, om hen allemaal te vernietigen. Bij die gelegenheid sloegen ze de knecht Gods met knuppels, en hij moest lijden onder veel klappen. Een van hen drong met getrokken zwaard naar hem toe en wilde zijn hoofd afslaan. Maar de vrome man had altijd een doosje met relieken om zijn hals hangen, en toen de slag van het zwaard op de hals viel, doorsneed die weliswaar de riem, waaraan het doosje hing, voor een deel, maar kon hemzelf niet beschadigen. Geschrokken door dit wonder lieten de heidenen hem en zijn medereizigers ongehinderd gaan, en waagden hen niet meer lastig te vallen.”

De ‘Vita Willehadi’ is één van de oudste bewaard gebleven tek-sten over Drenthe. Een andere is een oorkonde uit 820, waarin sprake is van de schenking door Theodgrim, zoon van Aldgrim, van het erfgoed dat hij van Ricfic had gekregen, aan het klooster Werden. Daaronder viel ook land ‘in het dorp Arlo in de gouw Drenthe’. We weten niet of dit slaat op Taarlo, Tynaarlo, Vries of Ten Arlo. Het zou kunnen betekenen dat ook de missionaris Liudger in Drenthe actief is geweest. Letterlijk is er sprake van ‘villa qui dicitur Arlo in pago Threant’, ‘in het dorp Arlo in de gouw Drenthe.’

De missietocht van Willehad is één van de laatste opmerkelijke gebeurtenissen uit de prehistorie. In 804 werden de Saksen verslagen en werd zowel Drenthe als Groningen deel van het rijk van de Franken. Geschreven bronnen kende men niet uit de periode daarvoor. Vandaar dat met 804 de historie begon. Hoe het precies is gegaan, met Willehad in Drenthe? We gaan ervan uit dat wat we hoorden, meeluisterend met Egisrif, een goede benadering is. Wat niet in steen, brons, ijzer, karresporen of paalgaten is terug te vinden, is moeilijk dicht bij te komen……

Geen prinses, want we hadden geen prinsdommen of koninkrijken in Drenthe, maar een priesteres, dat was de dame van Zweeloo. Graven als die van haar zijn ook gevonden in Duitsland en Denemarken. Steeds is de aanduiding: priesteres. Ze hoorde bij de oude religie van Drenthe. Hier poseert ze met haar dochter. Na zoveel generaties stammen we misschien allemaal van haar familie af, ook al kwamen er tussendoor heel wat nieuwe groepen naar Drenthe.

Dit verhaal is ook te beluisteren via een podcast. Als Je Wereld Lijkt In Te Storten – 5. De burgeroorlog in Treante (Drenthe) – Hunebednieuwscafé | Podcast op Spotify

Vorig artikelAptera, archeologisch hoogtepunt op West Kreta
Volgend artikelEuropese Route van Megalithische Cultuur groeit

2 REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.