De verloren vader

Mijn naam is Quintus van Bonna. Als u er prijs op stelt mag u mij ook gerust een kleinzoon van de Grote Moeder noemen. Of gewoon….. nee, die naam noem ik niet, die wist ik toen nog niet. De meeste mensen kennen mij als Ben Jochanan. Eigenlijk ligt mijn hele levensverhaal opgeslagen in die drie namen. Een levensverhaal dat – naar ik ooit dacht – begon in het jaar dat mijn eerste vader, Gungirius van Bonna, zijn wapens in het vet zette. Hij was centurio, maar had gekozen voor een veiliger bestaan als inner van de belastingen. Ook handelde hij en liet hij marmer overkomen uit zuidelijke streken, om in Bonna en omgeving bij bouwwerkzaamheden te gebruiken. Hij had eigenlijk niet op een kind gerekend, en toen dat toch gekomen was, wilde hij zijn leven opnieuw inrichten. Mijn vader heeft amper de tijd gehad om naam te maken in zijn nieuwe bezigheden. Een jaar na mijn geboorte overleed hij al. Hij was van één van zijn geliefde paarden gevallen en heeft zijn nek gebroken. Mijn moeder heeft haar jaar rouw nog netjes uitgediend, maar is direct daarop getrouwd met een oude vriend van mijn vader.

Zijn naam was Jochanan Ben Mozes. Hij was geboren in een stadje aan de Middellandse zee, waarvan mij de naam ontschoten is. Zijn ouders bleven er maar kort. Later woonden ze in Bonna, waar hij kort achter elkaar zowel zijn vader als zijn moeder verloor aan een koortsziekte. Jochanan ging in de handel. De god van zijn vader liet hij voor wat die was. Hij paste zich aan bij de Romeinen en geromaniseerde barbaren. Na met mijn moeder getrouwd te zijn, voedde hij mij op als zijn eigen zoon. Tegen de tijd dat ik volwassen werd, wist mijn omgeving niet anders of ik was een zoon van Jochanan. Ze noemden me dan ook wel zo, Ben, zoon van, Jochanan. Maar dat is dan ook het enige wat ik van het volk van mijn tweede vader meegekregen heb.

De villa van mijn ouders was mijn speelterrein en mijn wereld, want aanvankelijk kwam ik amper verder dan de omheining. Daarbinnen was alles wat mij boeien kon. Ik speelde met de kinderen van mijn vaders arbeiders en slaven, zolang ik nog niet besefte wat dat waren. Ik leerde omgaan met paarden, maar even gemakkelijk met de honden, schapen en kippen die bij ons landhuis hoorden. Ik leerde mij zelf te redden in het water, eten van de bomen, bloemen, planten, bomen en vogels kennen. Ik leerde zoveel, ik was gelukkig. En dan was er ook Wolte.

Wolte, een kreupele slaaf, was de grootvader die ik zo graag in het echt wilde hebben. Wolte nam me op schoot, vertelde verhalen over verre volken en gevaarlijke oorlogen, en zong voor mij de liederen uit zijn geboortestreek. Zo rond mijn twaalfde werd mijn wereld groter. Ik ging een tijdje van huis om te leren schrijven. Mijn vader dacht dat ik goed aan de kost zou kunnen komen als schrijver. Als ik ooit zijn handel over zou nemen, zou ik er veel plezier van kunnen hebben. Na een jaar wonen en leren in een scriptorum, met zo nu en dan een bezoek aan thuis, kon ik schrijven en kwam ik definitief terug. Alles was hetzelfde gebleven en toch zo anders geworden. Ik was zelf veranderd. Ik begon mijn vader te vergezellen op zijn reizen. Toen ik 18 was, vertelde mijn vader dat hij naar het land van zijn voorouders wilde. Hij had het er nooit over. En dan toch zo ineens… Een jaar later kwam hij terug, diep onder de indruk van de puinhopen van Jeruzalem, “zijn” stad. Ik kon dat eerst niet begrijpen. Hij had toch altijd in Bonna gewoond? Later werd het mij duidelijker. Dat was toen ik begreep dat een mens meer is dan zichzelf. Hij is ook een loot, een tak van zijn geslacht. In hem leven zijn voorouders door, omdat hij zonder die er nooit geweest zou zijn. Ik ging me vanaf dat moment ook steeds meer interesseren voor mijn eigen familie. Van de kant van mijn moeder ging dat nog wel. Die familie was vrijwel helemaal naar Bonna vertrokken. De mensen vingen me allervriendelijkst op. De familie van mijn eerste vader moest ergens over de Rijn wonen.

Mijn echte vader was een beschaafde “barbaar” geweest. Iedere keer als ik vroeg waar die familie woonde, kwam ik bij mijn moeder voor een dichte deur. Het was een vreemde ervaring. Gungirius van Bonna was toch mijn echte vader geweest? Het leek alsof iemand zijn mond voorbij had gepraat. Het was een verboden onderwerp. Zo leerde ik dat je wel iets kunt verbieden, maar dat je dan mensen alleen maar nieuwsgieriger maakt. Gungirius van Bonna was niet mijn echte vader? En wat was er dan met die barbaar?

De oude Wolte was inmiddels bijna blind geworden. Op het terrein van onze villa ging het nog wel, daar kende hij alles. Hij strompelde buiten het erf van onze villa, aan de hand van een kind. Zijn spieren wilden namelijk ook niet goed meer. Er was geen werk meer voor hem te vinden. De oude slaaf had echter nog steeds een warm plekje in de harten van de mensen. Hij fleurde de lange winteravonden op met zijn verhalen over de helden van weleer. Op één van die avonden vertelde hij een verhaal, dat hij van mijn eerste vader gehoord had. Het ging over een dorpje, ver over de Rijn. Mijn moeder keek steeds zwarter. Haar vernietigende blikken hadden een andere verteller al de mond gesnoerd, maar door zijn slechte zicht had Wolte niets in de gaten. Tegen de tijd dat hij namen begon te noemen stond mijn moeder op, pakte hem bij de hand en leidde hem weg. Het zou al te laat zijn voor zo’n oude man.

Ik ben de dag erop naar Wolte gegaan. “Vertel verder”, zei ik. Mijn moeder had één van de slavinnen opdracht gegeven om op Wolte te letten. Ze verbood hem om ook nog maar iets te zeggen, anders zou hij gestraft worden, had de vrouw des huizes gezegd, mijn moeder. Zo bleef er iets aan mij knagen. Ogenschijnlijk was er niets aan mijn leven veranderd. In mijzelf was er wel iets veranderd. Mijn leven had een geheim begin. Het was de periode dat ik begon te dromen. Ik zag mensen, hoorde stemmen, deed dingen, alles leek zo vertrouwd, maar alles was ook zo volkomen onbekend. Er klonk een naam, het leek alsof ik zelf werd genoemd. Maar ik heet Quintus, ik heet geen Julius. Julius, wie is Julius? Ik droomde dat ik bij iemand op het paard zat. Een oudere man, bijna witte baard, wit haar. We steken een brede rivier over. En dan ineens zit ik weer recht op in mijn bed, badend in mijn zweet. Wat overkomt mij? Ben ik dat geweest?

“Wolte, wat is er wat jij mij wilde vertellen, en wat mag jij niet vertellen?” Ik vraag het, als mijn moeder een middag weg is, en ik die ene slavin op het hart heb gedrukt dat ik eenmaal de baas zal zijn op dit landhuis, dus hou je mond…… “Voor ik sterf, zul jij alles weten”, zegt Wolte. En hij vertelt, hij vertelt, hij vertelt me die middag zoveel, dat mijn hele bestaan op de kop komt te staan. Ik ben Julius, de zoon van Eber. Al het andere is één grote leugen geweest.

Vorig artikelDe IJzertijd – deel 21
Volgend artikelAleria, the Roman capital city of Corsica

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.