020 Beeld van het leven in een Bronstijddorp met krijgers en rechts mannen die bezig zijn met het gieten van brons om kokerbijlen te maken.

Het einde van het Neolithicum was in cultureel opzicht een turbulente periode. Tot op de dag van vandaag heeft dit in Europa en ook in ons land zijn sporen nagelaten. Daarna volgde de Bronstijd. Deze cultuurperiode duurde van 2200 tot ongeveer 800 v.Chr. In de Bronstijd werd voor het eerst op uitgebreide schaal aan metaalbewerking gedaan. Aan gesmolten koper werd een percentage tin toegevoegd, waardoor brons ontstond. Dit ging niet van de ene dag op de andere. De ongelijke verdeling waarop koper en tin beschikbaar waren, leidde in Europa tot een uitgebreid handelsnetwerk, waarbij ook sprake was van uitwisselingen op cultureel vlak.

In 1902 werd op het Deense eiland Sjaelland bij het ploegen in veengrond een bronzen beeldje gevonden. Het gaat om een depotvondst uit ca. 1400 v.Chr. die in de Bronstijd in het veen moet zijn achtergelaten. Het beeldje stelt een paard voor die de zonneschijf trekt. De zonneschijf is nog deels bedekt met goud.

De overgang van het Laat-Neolithicum naar de Bronstijd is diffuus. In ons land zijn uit de beginfase van deze periode wel een paar vondsten bekend van bronzen voorwerpen, maar voor het overige was er nergens sprake van in het oog springende veranderingen. De superioriteit van brons verdrong vuursteen in de loop van de Bronstijd naar het tweede plan, maar stenen werktuigen verdwenen zeker niet uit de ‘gereedschapskist’. Voor dagelijks gebruik op en rond de boerderijen, maar ook voor de jacht bleven stenen hakbijlen en werktuigen van vuursteen van belang. Wat in ons land zeker een rol gespeeld heeft is, dat de grondstoffen voor brons hier niet voorkwamen. Deze moesten van ver gehaald worden en dat was kostbaar.

In de Bronstijd werden in het westen van Wales in Groot-Brittannië rijke koperertsafzettingen ontdekt. De mijnen van Great Orme hebben in die tijd vele tonnen koper geleverd.

Zowel in ons land als in de landen om ons heen was in die tijd al sprake van een goed functionerend netwerk van paden en wegen, waardoor ook plaatsen op afstand bereikt konden worden. Dit laatste deden rondtrekkende handelaren, die ook in het kostbare brons handelden. Het bezit van bronzen voorwerpen, sieraden en wapens was in de Bronstijd voornamelijk weggelegd voor de elite. Zij konden zich de dure aanschaf veroorloven. De man van de straat moest zich behelpen met de gebruikelijke werktuigen van steen. Sterker nog, het gebruik van hamerbijlen die in ons land vooral van zwerfsteensoorten als gabbro en diabaas gemaakt werden, zette zich zelfs voort tot in de IJzertijd. Een voordeel van bronzen voorwerpen was, dat als deze kapot gingen, men ze kon omsmelten tot nieuwe producten. Van het gebruik van bronsschroot en de aanwezigheid van smelterijen zijn in ons land bewijzen gevonden.

Vanaf de Trechterbekertijd werden in Noord-Nederland hamerbijlen, ofwel strijdhamers, gemaakt van zwerfstenen van gabbro, diabaas en ook amfiboliet. De grondvorm van de bijlen werd door pecking verkregen. Al naar gelang de behoefte en vaardigheid van de maker werden de bijlen geslepen en gepolijst. Gabbro is een zwaar, ijzer- en magnesiumrijk gesteente, dat als zwerfsteen veel voorkomt. De meeste gabbro’s zijn door hun hoge leeftijd van samenstelling veranderd. Het oorspronkelijke donkere mineraal pyroxeen is door wateropname omgezet in vezelige amfibool. De kleur van gabbro’s verandert daardoor in groenzwart. Verweerde oppervlaktevondsten van gabbro kleuren hierdoor soms zelfs grijsgroen. Amfibool geeft hamerbijlen een grote taaiheid.
Diabaas is nauw verwant aan gabbro. De samenstelling is nagenoeg hetzelfde, alleen de ontstaanswijze verschilt. Gabbro is een zogenoemd dieptegesteente. Het ontstond op vele kilometers diepte in de aardkorst door langzame kristallisatie van magma. Diabaas is de vulkanische variant ervan. Het is in spleten in de aardkorst en in vulkaanlichamen gekristalliseerd. Door de relatief snelle afkoeling is diabaas doorgaans fijnkorreliger dan gabbro, vooral typen die als Oeje-diabaas bekend staan. Diabaas bezit een karakteristiek hakerige structuur van witte, met elkaar vergroeide plagioklaaskristallen. Hierdoor neemt de taaiheid nog meer toe.

De schaarste aan brons had tot gevolg dat verder naar het noorden, in Denemarken en Zuid-Zweden, de kunst van vuursteenbewerking tot grote hoogte steeg. Uit vuursteenknollen kon men zelfs dolken maken met een lemmet van meer dan 20cm lengte! Ook de bekende ‘visgraatdolken’ met hun verfijnde bewerkingsstructuur maken duidelijk hoe bedreven men was in het bewerken van vuursteen. Een vergelijkbaar vakmanschap is later niet meer getoond. De vorm van visgraatdolken laat zien dat vuursteenbewerkers vorm en structuur van bronzen wapens in vuursteen probeerden te kopiëren. Ondanks dat deze niet van brons was gaf zo’n vuursteendolk de eigenaar evengoed status.

Ondanks dat strijdhamers, vuurstenen dolken, bijlen en messen nog geruime tijd in zwang bleven, drong in de loop van de Bronstijd tot in de uithoeken van het Europese continent door dat brons superieur was aan steen. In dezelfde tijd verschenen in ons land voor het eerst ook bronzen zwaarden. Deze wapens waren volkomen nieuw. Eerder was het onmogelijk om zwaarden van steen te maken. Ondanks het toenemend gebruik bleef brons tot aan de IJzertijd kostbaar. Het was alleen te verkrijgen als er in de ruilhandel voldoende tegenwaarde geboden werd.

In Zuidwest-Noorwegen is bij Grude een uitzonderlijk lange vuurstenen dolk gevonden. Deze komt uit de periode van 1700 tot 1500 v.Chr. De dolk is gemaakt in Denemarken en heeft een lengte van maar liefst 40cm. De stenen dolk lijkt sterk op de oudste bronzen zwaarden in Scandinavië. Het zou daarom beter zijn van een vuurstenen zwaard te spreken.

Opzij van brons

De Bronstijd vormde in onze streken nooit een culturele eenheid. In tegenstelling tot nu was er van geografische grenzen geen sprake. Hooguit was er sprake van lokale territoria, waarbinnen verwante families het voor het zeggen hadden. Het is mogelijk dat in de loop van de Bronstijd uit de kleine nederzettingen grotere verbanden ontstonden met een meer hiërarchische structuur, maar veel weten we hier niet van. Culturele verschillen strekten zich in de Bronstijd buiten de territoria uit over gebieden, die tegenwoordig door allerlei grenzen zijn afgebakend. Ons land vormde in die tijd een perifeer gebied. Bewoners van Zuid-Nederland stonden samen met wat nu België is, onder invloed van Frankrijk. Noord-Nederland stond in cultureel opzicht in connectie met aangrenzende gebieden in Noordwest-Duitsland. Door deze en andere cultuurverschillen wordt de Bronstijd wel verdeeld in een Vroege Bronstijd (ca. 2200-1800 v.Chr.), de Midden-Bronstijd (1800–1100 v.Chr.) en Late-Bronstijd (1100-800 v.Chr.).

Aardewerk

Tot een van de culturele veranderingen in de Vroege Bronstijd behoort het aardewerk. De typische vorm van het vaatwerk uit de Klokbekercultuur werd geleidelijk vervangen door het wikkeldraadaardewerk. Dit laatste slaat op de versiering die op de potten werd aangebracht. Klok- en wikkeldraadbekers vindt men bij opgravingen vaak op dezelfde locaties. De wikkeldraadbekercultuur wordt daarom ook wel gezien als laatste fase van de klokbekercultuur. De aardewerken potten en bekers hadden een S-vormig profiel, een korte hals en een uitkragende rand. De wikkeldraadversiering bracht men aan met een flexibel twijgje of stukje koord, waaromheen draad gewonden was. Hiermee maakte men een patroon van indrukken in de nog zachte buitenkant van de potten. Het patroon dat zo ontstond leek wel wat op dat van prikkeldraad. Verder zijn vaak indrukken van nagels aanwezig, ondiepe groeven, lijnen en dergelijke. De patronen variëren nogal.

Klokbeker uit een kindergraf bij Hattem (Gld.). In het graf vond men in 2014 naast een fraaie klokbeker ook nog een dito schaal en een aantal schrabbers en mesjes van vuursteen. Foto: Museum Voerman.
Wikkeldraadbeker van Neerharen-Rekum uit 2000-1750 v.Chr.. De versieringen op de slanke aardewerken pot zijn in horizontale lijnen in de zachte klei aangebracht. Dit gebeurde met een buigzaam stokje waaromheen een draad gewikkeld was.

Het boerenbestaan in de Bronstijd

In de Bronstijd traden door de wijze waarop men land gebruikte, grote veranderingen op in het landschap. In de Trechterbekertijd en ook in het Laat-Neolithicum was sprake van kleine, verspreid in het landschap aanwezige boerenbehuizingen, omringd door akkers en graasgebieden voor het vee. Erven en omringend land vormden toen nog een betrekkelijk klein areaal in een overwegend natuurlijk landschap. Grote delen van ons land lagen toen nog in bos, afgewisseld met moerassen en veengebieden. In de Bronstijd kwam de nadruk steeds meer op veeteelt te liggen, waardoor het bosareaal werd teruggedrongen. Het landschap kreeg steeds meer een open of halfopen, parkachtig karakter. De wijze waarop men akkerbouw bedreef en vee liet grazen, was oorzaak dat de bodem langzaam degradeerde. Op de hogere zandgronden ontstonden hierdoor in die tijd heidevelden en kwam het plaatselijk zelfs tot zandverstuivingen.

In de Bronstijd ontstonden door graasdruk en grondgebruik de eerste heidevelden en mogelijk zelfs ook al zandverstuivingen.

Vergeleken met het Laat-Neolithicum veranderde het boerenleven niet wezenlijk. De boerderijen in de Bronstijd waren een logische doorontwikkeling van de huistypen die al in de Trechterbekertijd bestonden. In Nederland zijn in Drenthe, maar ook in Friesland tientallen plattegronden van bronstijdboerderijen opgegraven. Van echte nederzettingen of dorpen was toen nog geen sprake. De boerderijen lagen apart van elkaar verspreid in het landschap. Ze vormden groepjes van twee tot vier of hooguit vijf boerderijen, met daarbij enkele bijgebouwtjes. Deze laatste waren waarschijnlijk spiekers.

Reconstructie van een Bronstijdnederzetting. Zoals vaak bij reconstructies, is de realiteit hierin ver te zoeken. Op de schildering worden zo ongeveer alle werkzaamheden weergegeven die in de Bronstijd gebruikelijk waren. Illustratief zijn de varkens die onder een grote eik naar eikels zoeken, terwijl een Bronstijdman bezig is de forse eik boven zijn macht te kappen of te ringen. Waarom zo hoog? En waarom juist zo’n vrijstaande boom? Dit is op deze manier nooit gebeurd.

De Bronstijdboerderij

Boerderijen in de Bronstijd waren net als in de voorafgaande cultuurperioden gebouwd van materiaal, dat in de omgeving beschikbaar was. Het skelet van een boerderij bestond uit een raamwerk van (onderling verbonden) houten staanders. Deze zorgden voor stevigheid en droegen ook het dak. De staanders werden soms tot wel een meter diep in de grond ingegraven. Deze bouwwijze maakte de behuizingen op termijn kwetsbaar. Door het inrotten van de staanders op de overgang van bodem naar lucht hadden de boerderijen een beperkte levensduur. Na zo’n twintig jaar was men gedwongen een nieuwe boerderij te bouwen. Zo’n verhuizing vond plaats naar een andere plek binnen het territorium, ook al omdat de kwaliteit van de akkergrond in de directe omgeving door intensief gebruik achteruit was gegaan.

De lage wanden van de boerderijen bestonden uit vlechtwerk van hazelaar en/of wilgentakken, dat met leem bestreken werd. Karakteristiek was het lange overstekende dak, dat tot bijna aan de grond doorliep. Het overhangende dak beschermde zo de wanden van de boerderij voor uitspoeling door regenwater. Als dakbedekking gebruikte men stro, riet of plaggen, al naar gelang die in de omgeving beschikbaar waren.

Reconstructie van een boerderij uit de Bronstijd. Opvallend is het ver overstekende dakvlak. Het was bedoeld om de lemen vlechtwerkwanden tegen uitspoeling door regen en spatwater te beschermen.

Uit opgravingen komt een beeld naar voren van een ontwikkeling naar drieschepige boerderijen, waarbij de boerderijlengte toe nam van minimaal 18 meter naar een lengte van meer dan 40 meter. In de grote woonstalboerderij woonde de hele familie samen met het vee. In de stalruimte konden naast schapen, geiten, varkens en paarden, zo’n 25 tot 40 koeien ondergebracht worden. Het stalgedeelte kenmerkt zich vaak door afscheidingen dwars op de lengterichting van de boerderij. De afscheidingen bestonden uit schermen van gevlochten tenen. Ook de erven rond de boerderijen waren soms omheind. Er zijn sporen gevonden, die wijzen op gevlochten omheiningen. Uit opgravingen is verder gebleken dat in de zandige streken in Noord-Nederland geen sprake was van één bepaald type boerderij. Zowel in tijd als in ruimte was er variatie en volgden bepaalde boerderijtypen elkaar op of bestonden naast elkaar.

Bij een aantal bronstijdboerderijen zijn sporen teruggevonden van spiekers. Dit zijn apart staande schuurtjes, die op palen waren gebouwd. Door de opslagplaatsen zo te bouwen, werd voorkomen dat ongedierte vraatschade aan graan en zaaigoed veroorzaakte. Bovendien zorgde de opslag in spiekers er ook voor dat graan en zaaigoed ook droog bleven en niet gingen schimmelen. Soms worden bij opgravingen ook sporen van verhogingen op de erven gevonden, waaromheen een greppel is gegraven. Deze verhogingen met greppels zijn waarschijnlijk gebruikt als opslagplaats voor wintervoer.

Spieker in het oertijdpark bij het Hunebedcentrum in Borger. Spiekers waren bedoeld om graan en zaaigoed droog op te slaan. Vocht is funest voor zaaigoed. Het gevaar op schimmel is zeer groot, waardoor het graan niet meer kiemt. Het is ook mogelijk dat men spiekers gebruikte om het geoogste graan te bewaren. Dat spiekers op palen staan was geen overbodige luxe. Behalve schimmel was vraat door muizen een probleem. Rond de palen zal men ongetwijfeld een extra hindernis tegen deze knaagdiertjes hebben aangebracht. Zonder dit klimmen muizen moeiteloos tegen de palen omhoog, zoals op de foto.

Het boerenbedrijf

Na ongeveer twintig tot vijfentwintig jaar waren de bewoners gedwongen om een nieuwe boerderij te bouwen. Door het inrotten van de eikenhouten staanders verloor de draagconstructie van de boerderij zijn stevigheid. Het zal hierbij zijn opgevallen dat zich op de verlaten huisplaatsen een veel weelderiger vegetatie ontwikkelde, dan in de omgeving. Huisvuil dat jarenlang op het erf terecht kwam, zal de bodem geleidelijk bemest en daarmee vruchtbaar gemaakt hebben. Hier kwam bij dat het vee, dat samen met de mensen onder één dak huisde, ook mest produceerde. Dit zal mensen ongewild het besef hebben bijgebracht dat het telen van gewassen iets doet met de grond. Er verdwijnen stoffen waardoor volgende oogsten steeds minder opbrengen. Er zijn aanwijzingen dat men in de loop van de Bronstijd akkers op een of andere manier ging bemesten. Akkers die niet bemest werden, liet men een aantal jaren braak liggen. Ook zal men ontdekt hebben dat vruchtwisseling of wisselbouw op de akkers de opbrengst ten goede komt. Zo werden ziekten en aantastingen door bodemorganismen voorkomen al zal men destijds geen idee hebben gehad van de aard van het probleem.

In de loop van de Bronstijd nam de druk op het natuurlijke landschap rond de nederzettingen steeds meer toe. Er moesten meer monden gevoed worden, maar zeker ook het landgebruik door vee, veroorzaakte grote veranderingen. Veel bos en Hudewald maakte plaats voor open gebied, waarbij zelfs sprake was van heidevelden en zandverstuivingen.

Hoewel de nadruk in de Bronstijd op veeteelt lag, was akkerbouw voor de voedselvoorziening van minstens even groot belang. Boerenbedrijven op de hogere zandgronden waren in die tijd gemengde bedrijven. Iedere boer had zijn eigen akkerareaal. Hierop werd een reeks gewassen verbouwd, het meest gerst, emmertarwe, peulvruchten en vlas. Daarnaast is te verwachten dat men bij huis ook een soort groentetuin zal hebben gehad.

De toename van rundvee in de Bronstijd hield ongetwijfeld verband met de waarde die deze dieren voor de eigenaar hadden. Het bezit van een rundveestapel zal in die tijd, net als tegenwoordig nog het geval is in rurale gebieden in Oost-Afrika, een maat zijn geweest voor rijkdom en aanzien binnen een gemeenschap. Opvallend is dat de koeien in de Bronstijd een stuk kleiner waren dan tegenwoordig. De schofthoogte bedroeg ongeveer een meter, stieren waren iets groter. Ook werden schapen, geiten en varkens gehouden, maar deze waren minder belangrijk dan runderen. Schapen werden vooral gehouden voor de wolproductie. Paarden verschenen vooral vanaf de Midden-Bronstijd op de boerderij.

Runderen die tegenwoordig gehouden worden, stammen af van het oerrund. Dit was een fors dier dat vroeger in bijna heel Europa voorkwam. Vergeleken met het huisrund was de oeros een stuk groter, vooral de stieren waren forse dieren, met een gewicht tot zo’n 1000 kg. De schofthoogte van een stier lag tussen 1.65 en 1.85 meter. De koe was iets kleiner. De hoorn van een oeros kon wel 80 cm lang worden (zie de afbeelding hieronder van een schedelfragment met hoornpitten). De hoorns moeten geduchte wapens zijn geweest. Opvallend is ook dat de grootte van runderen na hun domesticatie afnam. Tijdens de Bronstijd was het huisrund het kleinst.
Vergelijking van de grootte van het huisrund in het Neolithicum, de Bronstijd en tegenwoordig.
Deel van de schedel met hoornpitten van een oeros-stier. In ons land verdween het dier in de periode tussen 1400 en 1600. De oeros stierf in 1627 uit toen in Polen het laatste dier geschoten werd. De reden van zijn achteruitgang en uitsterven ligt voor een belangrijk deel aan de landbouw. Men vond dat het dier een bedreiging vormde.

Runderen waren zeer belangrijk voor de voedselvoorziening. Ze gaven melk, waar men zuivelproducten van kon maken. Ook waren ze leverancier van vlees. Ossen werden gebruikt als trekdier om karren en wagens te trekken. De akkers bewerkten de boeren met het eergetouw. Deze primitieve ploegen werden ook door ossen getrokken. Met het eergetouw trok de boer voren in de akkergrond, waarbij de grond verkruimeld werd. De grond werd hierbij niet gekeerd. Dit gebeurt wel met een keerploeg, maar dit werktuig is een latere uitvinding. De bouwvoor waarin gewassen geteeld werden was hierdoor niet erg dik. Dit was de voornaamste oorzaak dat akkers in de Bronstijd al na een paar gewassen uitgeput raakten.

Op deze rotstekening bij Aspeberget in het noordwesten van de provincie Västra Götalands län in Noordwest-Zweden, is een ploegende boer afgebeeld, waarbij twee ossen een eergetouw voorttrekken. Rond de plaats Tanum zijn op verschillende plaatsen petrogliefen op rotsen te vinden. Ze stammen uit de Noordse Bronstijd van ca. 3000 jaar geleden.

Hoe men met het vee omging, is niet erg duidelijk. Omdat het half natuurlijke landschap rond de nederzettingen, waarschijnlijk ook als graasgebied diende, is het niet onmogelijk dat men rundvee, maar mogelijk ook schapen onder begeleiding van herders in deze gebieden liet grazen. Het ontstaan van heidevelden en zelfs zandverstuivingen doet daar wel aan denken. Het consequent wegvreten door schapen en ook door runderen van jonge opslag in bossen en aan de randen ervan had een funeste uitwerking op de natuurlijke verjonging van het bos.

Het Börkener Paradies bij Versen aan de Ems is een natuurgebied dat zich binnen een oude meander van de rivier de Ems ontwikkeld heeft. Het bestaat al sinds de Middeleeuwen.

Een bekend voorbeeld van een graasgebied voor vee is het ‘Börkener Paradies’ bij Versen in het Emsland, ten noordwesten van Meppen. In de bocht van een dode meander van de rivier de Ems heeft zich bos ontwikkeld, dat sinds de Middeleeuwen als Hudewald in gebruik is voor paarden en runderen. Jonge opslag wordt door de dieren weggevreten. Alleen op plaatsen waar zaailingen te midden van meidoornstruwelen en braamstruiken opgroeien, worden deze voor vraat behoed en kunnen zo tot bomen opgroeien. Het Börkener Paradies is overigens een prachtig natuurgebied, met een afwisseling van moerassige en droge plekken, waar talloze luidruchtige nachtegalen het spreken soms moeilijk maken.

Het Paradies bij Versen was in gebruik als Hudewald. Men liet er eeuwenlang vee en ook paarden grazen. Deze dieren hadden en hebben een grote invloed op het natuurgebied.

Het vertrappen van de schrale vegetatie op een dekzandondergrond door vee in de Bronstijd bevorderde het verstuiven van zand. Niet duidelijk is of de boerderijen in die tijd een staldeel ingericht hadden als potstal, waar een deel van de dieren gedurende de nacht verbleef. Met de mest uit de potstal konden de akkers vruchtbaar gehouden worden. Verder is het niet onwaarschijnlijk dat men uit de nabijgelegen bossen strooisel haalde om de vochthuishouding van de akkergrond in stand te houden of zelfs te verbeteren.

Aanvankelijk bouwde men in de Bronstijd de boerderijen hoog op de flanken van de zandruggen in het Hondsruggebied. In de loop van deze periode vond een verschuiving plaats naar de lagere delen van de zandruggen, op de overgang naar wat we later groenlanden zouden gaan noemen. Deze verschuiving naar gebieden lager op de flanken bood voordelen. De gewassen op een dekzandondergrond profiteerden in de zomer langer van toevoer van vocht vanaf de hogere delen van de zandruggen. Met het grondwater kwamen ook voedende bestanddelen mee. De lagere, nattere delen in het landschap werden gebruikt om vee te weiden. Hier verzamelde men ook groenvoer voor winteropslag.

Het oeroude esdorp Onnen, zuidelijk van Haren in de provincie Groningen, ligt onderaan op de oostflank van de Hondsrug. De bestaansmogelijkheden waren op deze plaats gunstiger dan hogerop op de Hondsrug. Op de kruin van deze heuvelrug liggen moeilijker te bewerken keileemgronden. In de zomer was de bodem op die plaatsen ook droogtegevoeliger. Onderaan op de flanken van de zandruggen liggen veelal dekzanden. Hier profiteerde men in de zomer van oppervlakkig afstromend voedselrijk grondwater van hogerop. Dat was gunstig voor de gewasgroei. Hier kwam bij dat de laaggelegen veelal natte groenlanden vlakbij lagen. Hier kon vee geweid worden en wintervoer gewonnen.

Uit onderzoek blijkt dat alles we over de prehistorie in onze streken weten, ontdekt en afgeleid is uit bodemvondsten. Geschreven bronnen waren er in die tijd niet. In de Bronstijd was in onze streken het schrift nog niet bekend. Daarom is ook niet goed bekend hoe op het eind van deze periode de omschakeling plaats vond naar een nieuw akkersysteem. Of dit een gedwongen omschakeling was door voortgaande degradatie van de bodem, misschien in combinatie met meer monden die gevoed moesten worden, of dat het te danken is aan heel andere oorzaken, is niet duidelijk.

Brons in onze streken

Brons was in het Midden-Oosten al veel langer bekend dan in onze streken. De introductie van het metaal heeft tijd gekost. Ook de kennis hoe het te maken en hoe het gesmolten metaal vervolgens in mallen gegoten kon worden, was niet van de ene op de andere dag bekend. Brons was en bleef een luxeartikel. Het hebben van sieraden, gereedschappen en wapens van dit metaal voelde bij de bewoners in onze streken gedurende de hele Bronstijd als een kostbaar bezit. Hoezeer ook het gebruik van brons in de loop van deze periode toenam, goedkoop werd het nooit.

Beeld van het leven in een Bronstijddorp met krijgers en rechts mannen die bezig zijn met het gieten van brons om kokerbijlen te maken.

Aanvankelijk werd in ons land via handelswegen slechts op zeer kleine schaal in brons gehandeld. Vermoedelijk waren het rondtrekkende handelaren of bronssmeden die gebruiksvoorwerpen van dit metaal bij zich hadden en verhandelden. Het ontbreken van een echte brons-industrie in ons land had vooral een praktische reden. De benodigde grondstoffen ontbraken. De vindplaatsen van kopererts en tin lagen op vele honderden kilometers afstand. Het opzetten van een echte brons-industrie loonde in eerste instantie daarom niet. Gebruiksvoorwerpen, wapens en sieraden werden uit een aantal plaatsen uit Midden-en West-Europa geïmporteerd, waar wel brons-industrieën waren ontstaan.

Ondanks deze beperking is er uit de Vroege-Bronstijd een lokaal centrum van bronsverwerking bekend. In het Duitse Emsland was omstreeks 1600 v.Chr. bij de plaats Sögel, waarschijnlijk voor langere tijd sprake van een brons-industrie. Er werden onder meer bronzen dolken en bijlen gemaakt. Deze laatste staan bekend als geknikte randbijlen. Wapens van het Sögel-type zijn ook in Noord-Nederland gevonden, maar in de rest van ons land zijn vondsten ervan zeer zeldzaam. De latere fase van deze Sögeler bronscultuur wordt de Wohlde-fase genoemd. Uit deze fase zijn vooral zwaarden bekend. Gebruiksvoorwerpen van de Sögel/Wohlde brons-industrie zijn tot in Jutland gevonden.

Reconstructietekening van Jouke Nijman van het zwaard van de ‘Hoofdman van Drouwen’. Samen met een aantal andere bronzen en gouden voorwerpen is dit zwaard opgegraven in de grafheuvel tussen Borger en Drouwen.
Rond 1941 is bij Drouwen (Dr.) een meer dan 60cm lang bronzen zwaard gevonden. Het bijzondere wapen lag jarenlang bij de vinder in huis. Na zijn overlijden verwierf amateur-archeoloog Gerke Holtrop uit Borger het zwaard. Na verkoop is het ondergebracht in de collectie van het Drents Museum in Assen.

Hoe men in die tijd aan ruw brons en/of aan de grondstoffen voor brons kwam, blijft in nevelen gehuld. Het zal ongetwijfeld ruilhandel zijn geweest, want geld in de vorm van munten was in die tijd onbekend. Wat een flinke waarde had en toen ook al veelvuldig geruild werd, was barnsteen. Dit werd aan de toenmalige waddenkusten vrij veel gevonden. Men zou ook dierenhuiden geruild kunnen hebben. Bekend is dat het varen over rivieren en ook over zee allang geen probleem meer was. Rotstekeningen in Denemarken en Zweden laten zien dat men toen al beschikte over vrij grote zeewaardige schepen. Eerder, in het Neolithicum was er al sprake van handelsvaart over zee. We weten dit van het bekende roodachtige Helgolandvuursteen. Helgoland ligt zo ver van het vasteland af, dat de horizon tijdens de overtocht langere tijd niet zichtbaar was. Men had dus toen al kennis van navigatie. Ook over land kon men in Europa al langere reizen maken. Men had de beschikking over vierwielige wagens die voorzien waren van een huif. De wagens werden door ossen of paarden getrokken. Op deze manier zouden ook grondstoffen als kopererts en tin naar de bronsindustrie van Sögel vervoerd kunnen zijn.

In de Bronstijd geschikte men over vierwielige wagens die met ossen en later in deze periode wellicht ook getrokken werden door paarden. De wagens beschikten over een huif. Hiermee zouden handelaren bronzen voorwerpen naar ons land gebracht kunnen hebben.

De import van brons had weinig betekenis. Tenminste dat wordt vermoed. In graven zijn meestal geen bronzen voorwerpen als grafgift aanwezig. Ook grafgiften van aardewerk komen minder vaak voor. Vergeleken met de rijkversierde bekervazen uit het Laat-Neolithicum, steekt het aardewerk in de Bronstijd er enigszins povertjes bij af. Wat hiervan de reden is, is niet helemaal duidelijk. Later in de Bronstijd veranderde dit weer. Desondanks zijn op verschillende plaatsen bronzen bijlen gevonden. Ze bezitten verschillende vormen. De oudste bijlen waren vlakbijlen die veel op hun stenen pendanten leken. Later kwamen vooral bijltypen als rand- en hielbijlen in gebruik.

Bronzen vlakbijl. Deze bijl is gevonden in een van de grafheuvels op het Pestruper grafveld bij Wildeshausen in Duitsland.

Naar mate de Bronstijd vorderde werd het gebruik van brons algemener. Opvallend is dat er steeds minder gerede producten werden geïmporteerd. Messen, dolken en vooral bijlen werden hier in lokale bronsgieterijen gefabriceerd. Zo zijn de vrij vaak gevonden kokerbijlen allemaal van eigen makelij. Ze zijn vaak voorzien van elleboog-achtige oren. Kokerbijlen zijn meestal tamelijk dik en zwaar. Ook zijn de meesten versierd. Waar de werkplaatsen van de bronsgieters zich bevonden is niet goed bekend, maar er zullen verspreid in ons gebied verschillende zijn geweest. Uit vondsten van een paar versleten kokerbijlen, een deel van een mes en een gietprop bij Havelte lijkt te wijzen op een bronssmid. Ook vond men bij Havelte een gietvorm voor een kokerbijl.

Vondsten van bronzen voorwerpen zijn zeldzaam. Dat komt omdat brons kostbaar was en voorwerpen vaak werden omgesmolten of als offer werden gebruikt. Op de foto zijn talrijke bronzen bijlen en speerpunten afgebeeld. Onder de bijlen zijn typen als een vlakbijl, randbijl, vleugelbijl en hielbijl aanwezig. Ze zijn gevonden bij Serlbach, noordelijk van Neurenberg in Duitsland.

De superioriteit van brons verdrong vuursteen geleidelijk naar het tweede plan, maar stenen werktuigen verdwenen in deze periode zeker niet uit de ‘gereedschapskist’. Voor alledaags gebruik op en rond de boerderijen, maar ook voor de jacht bleven stenen hakbijlen en allerlei werktuigen van vuursteen van belang. Op talrijke plaatsen heeft men vuurstenen dolken, messen, schrabbers en pijlpunten gevonden. Hoewel het voor de hand lag om vuurstenen pijlpunten te vervangen voor scherpere en betere van brons, bleef men vuurstenen pijlpunten gebruiken. Het was eenvoudiger en ook een stuk makkelijker om deze van plaatselijke vuursteen te maken. Vaak zijn de pijlpunten met een hoge graad van vakmanskunst uit zwerfstenen vervaardigd.

In de Bronstijd worden voor het eerst ook sikkels van vuursteen gebruikt.

Deze typisch gekromde werktuigen werden hoogstwaarschijnlijk uit Scandinavië geïmporteerd. De sikkels werden voorzien van een ‘handvat’. Men gebruikte ze onder meer om granen en allerlei grassen en ook om zoden te snijden. De glans die de sikkels vertonen wijst op dit gebruik.

Sikkel van vuursteen uit de Bronstijd. Sikkels werden in een handvat gemonteerd. Hiermee kon graan, riet en gras gemaaid/gesneden worden. Sikkels werden in grote aantallen in Denemarken gemaakt en naar de omringende landen geëxporteerd. Geschikte zwerfstenen van vuursteen waren in de Bronstijd in onze streken niet meer te vinden.
Sikkel van vuursteen, gevonden bij Andijk in Noord-Holland. Sikkels zijn ook gebruikt om grassen en zoden te snijden. Hierdoor vertonen deze sikkels een sterke glans. Foto Rijksmuseum van Oudheden.

Na leven kwam de dood

Waar geleefd wordt, is de dood nooit ver. Dit was in de Bronstijd niet anders.

Voor mensen en dieren is de dood het onherroepelijke einde van het leven op aarde. Of het dan ook echt ophoudt? Betreft het dieren dan wordt hier in de meeste gevallen niet verder over nagedacht. Bij een platgereden egel denk je niet snel aan een egelhemel. Bij mensen ligt dit anders. Van Neanderthalers is bekend dat zij al bepaalde grafrituelen kenden. Overblijfselen van hen worden vaak in diepe grotten gevonden in een situatie die aan een begrafenis doen denken. De doden worden in foetushouding gevonden met het gezicht naar het oosten. Verder waren de lichamen vaak met rode oker bestrooid. Ook maakten Neanderthalers op de wanden van de grotten eenvoudige schilderingen en hadden ze sieraden van dierentanden en vogelklauwen. Van andere vroege mensachtigen is een dergelijk verfijnd en ook symbolisch gedrag nooit aangetoond. Neanderthalers kunnen dit gedrag niet geleerd hebben van de moderne mens (Homo sapiens sapiens). Die was zo’n 60.000 jaar geleden nog nergens in Europa te bekennen. Of Neanderthalers hun doden ook bedekten met bloemen, zoals wel eens verondersteld is, is onzeker. Duidelijk is wel dat er gedachten waren over een goden- en geestenwereld en mogelijk ook gedachten over een voortbestaan na de dood.

Een reconstructie van een begrafenis van een Neanderthaler in een grot. De doden werden in foetushouding neergelegd en vaak ook bestrooid met rode oker. Of men de dode ook overdekte met bloemen, is niet zeker. Het wordt steeds duidelijker dat Neanderthalers in veel opzichten niet onderdeden voor de moderne mens. De verschillen waren marginaal.

Goden, geesten en rivieren

In de oude culturen van de mens was het geloof in goden en een voortbestaan in het hiernamaals aanwezig. Grafgiften en monumentale graven wijzen hier duidelijk op. Ook tegenwoordig gaan veel mensen uit van een voortbestaan in de hemel. Het is blijkbaar moeilijk voor te stellen en ook te accepteren dat het bestaan echt ophoudt. Een voortbestaan in de hemel is misschien wel het bekendst van de Vikingen en hun Walhalla. Vikingen worden vaak afgeschilderd als woeste, onverschrokken strijders, die in de Middeleeuwen met hun schepen rovend en plunderend de kustgebieden in Europa onveilig maakten. Hun voornaamste wapen was een grote bijl. Voor Vikingstrijders was er geen grotere eer dan in een gevecht te sneuvelen. Zij gingen dan op naar het Walhalla, het rijk van hun god Odin.

Geen grotere eer voor een Vikingstrijder dan te sneuvelen in een gevecht. Ze geloofden dat ze dan rechtstreeks naar het Walhalla gingen en daar wilden ze wel zijn. Het was er heerlijk van eten en drinken, iedere ochtend als strijder weer opstaan en vervolgens opnieuw sneuvelen. Als Vikingstrijder wilde je niets anders.

Het Walhalla was een enorme zaal, waarin de helden van Odin dagelijks sneuvelden om daarna in de avonduren door Walkuren, de krijgsmaagden van Odin, van het slagveld naar het Walhalla gevoerd te worden. Gezeten aan lange tafels werden ze daar onthaald op vlees van everzwijnen en mede. Mede is honingwijn. Na een nacht van doorhalen trokken de strijders de volgende ochtend opnieuw ten strijde om ook dan weer gedood te worden. Het gaf de levenden hoop, maar een verblijf in het Walhalla was een vermoeiend bestaan voor de doden.

Een schilderij van het Walhalla met Heimdall of Heimdalir als poortwachter van de goden. Vikingen dachten dat Heimdall de zoon was van negen maagdelijke zusters en zou Odin als vader hebben. Als poortwachter had Heimdall minder slaap nodig dan een vogel. Zo kon hij de gesneuvelden al van verre zien aankomen. Zowel ’s nachts als overdag kon hij wel honderdvijftig kilometer ver zien. Verder had hij een absoluut gehoor, want hij kon gras en ook wol horen groeien.

Voor de ongrijpbare wereld met goden, geesten en demonen, was het voor de mensen in de Bronstijd belangrijk om deze gunstig te stemmen of om iets af te smeken. Dat hierbij ook zeer waardevolle zaken geofferd werden, is duidelijk geworden bij baggerwerkzaamheden. Op verschillende plaatsen kwamen bij deze werkzaamheden bronzen zwaarden uit rivierbeddingen tevoorschijn. Dit laatste was vooral het geval in België en in Zuid-Nederland. Vooral de fraai vormgegeven tongzwaarden vielen op. Het bronzen tongzwaard van Ommerschans in Overijssel is wel een van de mooiste en meest zeldzame bronzen zwaarden, die ooit gevonden is.  

Het bronzen zwaard van Ommerschans bij Ommen in Overijssel is een van een groep van zes zwaarden, die op een perfecte manier door een en dezelfde bronssmid zijn gemaakt. Ze zijn op verschillende plaatsen gevonden, ook in Engeland. De zwaarden zijn nooit gebruikt. Ze hadden een symbolische/religieuze betekenis. Het zwaard van Ommerschans is ruim 68cm lang en weegt bijna drie kilo.

Zwaard en bijgiften zijn zo’n 3000 jaar geleden geofferd. In 1894 vond een landarbeider, in dienst van een Duitse adelijke familie ze op het landgoed De Junne, in de buurt van de Ommerschans bij Ommen in Overijssel. Zonder enige kennis van wat de vondst betekende en hoe oud de voorwerpen waren, wist men niet beter dan deze op een grote houten plank te spijkeren. Het zwaard van Ommerschans maakt deel uit van een serie van zes bijzonder fraai gegoten bronzen zwaarden. Deze zijn nooit als echt zwaard gebruikt. Ze waren niet geslepen en hadden ook nooit een gevest. Het gaat bij deze zwaarden waarschijnlijk om ceremoniële voorwerpen die bij religieuze rituelen gebruikt zijn. Ook bij Jutphaas in Utrecht is een dergelijk zwaard gevonden. Het zwaard van Ommerschans is op een veiling in Londen in 2017 voor ruim 550.000 euro door het RMO in Leiden verworven.

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft recentelijk een zwaard uit de Bronstijd aan zijn collectie toegevoegd. Het 53 centimeter lange wapen dateert uit het laatst van de Bronstijd. Het zwaard is waarschijnlijk gemaakt in Centraal-Europa en eindigde ‘zijn leven’ in de Maas, bij Thorn-Wessem in Midden-Limburg. Daar werd het bij baggerwerkzaamheden gevonden. Het bijzondere is dat het een wapen is geweest waar flink mee gevochten is. Onderzoek toonde gebruikssporen aan, die op een gewelddadige geschiedenis van het zwaard wijzen.

Wat deed men met de doden in de Bronstijd?

Vergelijkbaar met voorgaande cultuurperioden was in de Bronstijd ook sprake van grafrituelen, hoewel wij van hun religieuze wereld niets weten. In de Vroege Bronstijd begroef men de doden anders dan in het voorafgaande Klokbekertijd tijdens het Laat-Neolithicum. Wel hield men het gebruik staande dat de doden onder een zandheuvel begraven werden. De lichamen die eerst in oost-west georiënteerde graven werden gelegd, kwamen nu in gestrekte houding in noord-zuid richting te liggen. Ook begroef men de doden in vlakgraven. Minstens zo opvallend is dat zwerfstenen een belangrijke rol bij de begravingsrituelen hebben gespeeld. Men nam niet langer genoegen met het graven van een eenvoudige kuil. De grafkuilen bekleedde men met zwerfkeien. Rond grafheuvels bracht men steenkransen aan of men bedekte de grafheuvels, zoals bij Eext (Dr.) met een laag grote zwerfstenen. Deze keien zijn bewust gezocht en op grootte geselecteerd. De stenen zal men ongetwijfeld in het eigen territorium hebben verzameld. De rijkdom aan Scandinavische zwerfkeien was in die tijd nog erg groot. Toch is niet uit te sluiten dat men in voorkomende gevallen zwerfkeien ‘leende’ van hunebedden in de omgeving. Ook zijn er aanwijzingen dat het aardewerk (wikkeldraadpotten) dat met de dode werd meegegeven, van tevoren opzettelijk werd gebroken.

Een tekening van een grafheuvel uit de Bronstijd. Het eerste graf is een gewone begrafenis, dat omringd werd met palen en overdekt met aarde. Het tweede graf is hierop bijgeplaatst, waarna er een nieuwe laag zand op de heuvel is aangebracht. Een derde en vierde begraving betrof urnen met crematieresten die in de grafheuvel zijn bijgezet. Grafheuvels hebben waarschijnlijk een langdurige gebruiksduur gehad

In de Midden-Bronstijd, nam het aantal grafheuvels toe. Ook gebruikte men bestaande grafheuvels voor nieuwe bijzettingen. De doden begroef men in de voet van de grafheuvels, waarbij over de bestaande heuvel een nieuwe laag zand en plaggen werd aangebracht. Ook in sommige hunebedden vonden in de Bronstijd bijzettingen plaats, waardoor deze steengraven geleidelijk onder een heuvel van zand kwamen te liggen. De grafheuvels werden aanvankelijk omgeven door een greppel. Later in de Bronstijd verving men de greppel door een krans van palen. Gezegd moet worden dat de variatie hierin nogal groot was. Opgravingen hebben laten zien dat in deze paalkransheuvels sprake is geweest van meerdere bijzettingen. Of het hier, zoals door sommigen wordt aangenomen, om familiegraven ging, is niet duidelijk. Karakteristiek voor begravingen in de Midden-Bronstijd is dat men de doden in uitgeholde stammen van eikenhout plaatste.

De opvallende grafheuvel tussen Drouwen en Borger is met eiken begroeid. Het bevatte het graf van de “Hoofdman van Drouwen”. Deze grafheuvel is een kleine 3700 jaar geleden door Bronstijdmensen opgeworpen en is heel goed vanaf de weg tussen beide dorpen te zien. Uit de heuvel kwamen tal van bronzen voorwerpen tevoorschijn, waaronder een fraai bronzen zwaard en twee gouden oorspiralen.

Een van de belangrijkste vondsten uit de Midden-Bronstijd in Drenthe is het graf van de Hoofdman van Drouwen. De grafheuvel waarin de dode begraven is, dateert uit 1700-1600 v.Chr. en ligt iets ten zuiden van Drouwen. De heuvel is in 1927 door Van Giffen opgegraven en onderzocht. Van het stoffelijk overschot was overigens niets overgebleven. Uit de vondsten blijkt dat de begraven persoon een krijger moet zijn geweest. In het graf werd een zwaard van het Sögeltype aangetroffen met een versierd lemmet. Ook vond men een soort scheermes, dat uit Engeland afkomstig moet zijn, verder een geknikte handbijl en een tweetal gouden spiraalringen. Deze laatste waren waarschijnlijk oorringen. Ook werden een aantal vuurstenen pijlpunten en een vuurslag van hetzelfde gesteente opgegraven, alsmede een wetsteen van kiezellei (lydiet). Uit deze vondsten blijkt dat de man in zijn tijd een belangrijke rol moet hebben gespeeld. Over een status als hoofdman is niets bekend. Over sociale structuren en hiërarchische verhoudingen in de Bronstijd zijn wel vermoedens, maar is niets met zekerheid bekend. De grafheuvel bij Drouwen was ook omgeven door een krans van zwerfstenen.

Het Pestruper Gräberfeld bij Wildeshausen in Duitsland beslaat ongeveer 27 hectare. Zo ver het oog reikt zijn grafheuvels zichtbaar. Ze dateren uit het Laat-Neolithicum, de Bronstijd en de IJzertijd. De meeste dateren uit de Late Bronstijd en de IJzertijd. In het gebied liggen meer dan 600 grafheuvels. Van nog eens 70 vernietigde grafheuvels is de locatie bekend.
Grafheuvels bij Pestrup

Veranderingen in de lijkbezorging

Op het eind van de Midden-Bronstijd, tussen 1300 en 1200 v.Chr., veranderde de lijkbezorging. Men ging de doden cremeren. Of deze cultuurverandering te maken heeft gehad met migratie van mensen uit andere gebieden, is niet duidelijk. In de Bronstijd, maar ook al eerder in de Trechterbekertijd en tijdens de Enkelgrafcultuur werden in sommige gevallen overledenen gecremeerd. In de loop van de Bronstijd ging men ertoe over om mensen vaker te cremeren. Na 1300 v.Chr. werd het zelfs algemeen gebruik. De crematieresten werden in een aardwerken urn gedaan, die op speciale plaatsen in een kuil werden begraven. Over de urn werd een klein zandheuveltje opgeworpen. Het benodigde zand kwam uit een greppeltje dat men om de urnkuil groef. Zo ontstonden eigenlijk de eerste grotere begraafplaatsen. Urnenvelden zijn op talrijke plaatsen in Drenthe gevonden. De urnenvelden bleven als begraafplaats in zwang tot in de IJzertijd. Iedere nederzetting had in die tijd een urnenveld als begraafplaats, soms waren het er meer. Of er een cultureel onderscheid bestond tussen de locaties van de urnenvelden is niet bekend.

Op deze kaart is de verspreiding aangegeven van grafheuvels in ons land. “Gewone’ grafheuvels zijn in rood aangegeven, De blauwe stippen zijn grafheuvels met urnenvelden.

Opvallend is dat de ogenschijnlijk willekeurig in het landschap gelegen hunebedden en grafheuvels vroegere verbindingswegen markeren. Grafheuvels werden destijds opgeworpen in de randgebieden van de territoria bij voorkeur langs doorgaande wegen. De oorspronkelijke territoria en hun nederzettingen met een verbindende infrastructuur laten zich hierdoor in het huidige landschap nog op tal van plaatsen aflezen. Begraven worden in een grafheuvel was echter niet voor iedereen weggelegd. De meeste bewoners van de nederzettingen zullen anoniem in grafkuilen aan de eeuwigheid zijn overgegeven.

Bijzetting van een urn met daarin de crematieresten in een kuil, vergezeld van een aardewerken pot. Rond de kuil werd een greppeltje gegraven. Met het zand dat daar uit kwam werd een heuveltje over de kuil opgeworpen.

Overgang naar een nieuwe metaalsoort en een nieuwe periode

De Bronstijd wordt gevolgd door de IJzertijd. Dit is de oudste cultuurperiode uit de prehistorie, waarin een nieuwe grondstof het aloude brons zou gaan vervangen. In de Late Bronstijd waren in ons land al hier en daar ijzeren voorwerpen opgedoken, maar het ijzer zou in de periode daarna zorgen voor flinke veranderingen.

Vorig artikelTopstukken uit Pompeï en Herculaneum in het Drents Museum
Volgend artikelOldest prehistoric footprints discovered in Crete
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.