015. Reconstructietekening van een complex raatakkers met ijzertijdboerderij. Op de akkers die ongeveer 30x30 of 30x40 meter groot waren verbouwde men waarschijnlijk in wisselbouw verschillende landbouwgewassen. Dat men aan een of andere vorm van bemesting deed is waarschijnlijk. Misschien betrof het voornamelijk strooisel dat uit de omringende bossen werd gehaald om de bouwgrond humusrijker en daardoor vochthoudender te maken.

De IJzertijd is de laatste periode in de prehistorie. Hierna begint de historie, de periode waarin het schrift een steeds belangrijkere rol gaat spelen. De naam IJzertijd heeft betrekking op het veelvuldig gebruik van ijzeren voorwerpen en wapens. Ook introduceert men in deze periode in de landbouw een nieuwe wijze van bouwlandgebruik.

De IJzertijd begint ca. 800 v.Chr en eindigt enige tientallen jaren voor de jaartelling met de komst van de Romeinen. Deze laatsten brachten ook het schrift naar ons land. Na het vertrek van de Romeinen vallen de bewoners terug in een cultuur die veel overeenkomsten toont met die in de IJzertijd. De ontwikkeling naar een open landschap die in de loop van de Bronstijd duidelijke vormen aannam, zette door in de IJzertijd. De dichte loofbossen veranderden op steeds meer plaatsen in een halfopen landschap afgewisseld met plukken bos. Een behoorlijk deel van het bosbestand had door selectief kappen van bomen een open karakter gekregen. Doordat er meer licht op de bodem viel nam de begroeiing van grassen en kruiden toe. Deze bossen waren deels als ‘Hudewald’ in gebruik, waar men vee liet grazen.

Rond 50 v.Chr verschenen Romeinse legioensoldaten in ons land. Ze zouden er zo’n 5 eeuwen blijven. Het eerste contact vond plaats rond 58 v.Chr. toen Julius Caesar proconsul werd van de Romeinse provincie Gallia. Na vele oorlogen en onderhandelingen met de Friezen kwam een grens tot stand, die bekend staat als de limes. Langs deze grenslijn, die langs de Nederrijn, Kromme Rijn en de Oude Rijn liep, werd een weg, de ‘via militara’, aangelegd, waarlangs Romeinse troepen zich snel konden verplaatsen. Ook bouwde men op regelmatige afstanden wachttorens en forten om de grens te verdedigen.

Het landgebruik door de boerenbevolking had ook tot gevolg dat het areaal aan heideveld flink toenam. Eensdeels kwam dit door bodemdegradatie waar vooral de leemarme dekzandgronden gevoelig voor waren, anderdeels nam ook de graasdruk op het open veld flink toe. In de tijd gezien was hier vooral sprake van afvoer van organisch materiaal, waardoor de onderliggende zandbodem verarmde. De verschraling van de bodem zien we ook terug in het bomenbestand. Linde en hazelaar, die vooral voorkomen op de wat rijkere gronden gingen in aantal sterk terug, ten voordele van eiken en berken. Dit zijn boomsoorten die het op armere bodems nog goed doen.

De els, zo is uit pollenonderzoek gebleken, kwam massaal in de natte beekdalen voor, maar ook deze boomsoort kwam ook onder toenemende druk te staan. Kortom, het beslag dat de mens op het landschap legde werd in de IJzertijd behoorlijk groot.

De Romeinse limes in Neder-Germania. De grens liep toen dwars door Nederland. Afbeelding uit: Canon van Nederland.

In de prehistorie lagen onze contreien aan de rand van het Europese beschavingsgebied. We vormden een uithoek. Dit betekende dat culturele en landbouwkundige ontwikkelingen hier met vertraging doordrongen. De locaties van de nederzettingen in de IJzertijd kwamen in hoge mate overeen met die in de Bronstijd en mogelijk ook met die in de Trechterbekertijd. Uit de verspreiding van groepen grafheuvels en urnenvelden in Drenthe, van IJzertijd aardewerk en het voorkomen van celtic fields, heeft men geprobeerd het aantal nederzettingen in Drenthe te berekenen. Hoewel het niet meer dan een voorzichtige schatting is, lijkt het aantal nederzettingen in de loop van de IJzertijd tot ongeveer 95 te zijn toegenomen. Op basis van luchtfototografie komt men in Drenthe tot zo’n 83 plaatsen met complexen met Celtic fields. Hoewel niet duidelijk is of deze akkercomplexen tegelijkertijd in gebruik waren komt dit aantal aardig in de buurt van het aantal nederzettingen dat uit aardewerkvondsten is gereconstrueerd.

Impressie van het landschap in de IJzertijd met complexen celtic fields

Door het nattere klimaat waren veenmoerassen in Drenthe aan een gestage opmars bezig. Dit was al in de Trechterbekertijd begonnen. Hierdoor raakten de bewoonbare gebieden in Drenthe steeds meer ingesloten door veenmoerassen. Hier kwam nog bij dat gebieden in Noord-Drenthe en Groningen, die in de tijd van de Hunebedbouwers nog bewoond waren, aan het begin van de IJzertijd steeds meer onder invloed van de zee kwamen te liggen. Flinke delen van Groningen en Friesland veranderden door de stijging van de zeespiegel in een wadden- en kwelderlandschap. Opslibbingen in het kweldergebied bemoeilijkten bovendien aan de rand van het Drents Plateau de afvloeiing van overtollig regenwater naar de Noordzee. In een brede zone in Noord-Drenthe en aansluitend in Groningen ontstonden veenmoerassen, die gaandeweg onneembare barrieres werden. Alleen via de Hondsrug was het nog mogelijk om de kleistreken in het noorden te bereiken. Het noordeinde van de Hondsrug met daarop de voorloper van de stad Groningen, stak als een schiereiland uit in het kleigebied. Hierdoor was het mogelijk in het kweldergebied om via de hoger opgeslibde oeverwallen, opzij van rivieren als de Hunze en het Peizerdiep contact te onderhouden met de kleibewoners. Deze bewoners waren in de loop van de IJzertijd vanuit het zandgebied in Drenthe naar de noordelijke kleistreken gemigreerd.

In de IJzertijd begon de kolonisatie van het kweldergebied ten noorden van Groningen. Langs de Drentsche Aa, de Hunze en het Peizerdiep waren door overstromingen oeverwallen opgeslibd. De levensomstandigheden waren hier gunstig. De hogere ligging stond garant voor een goede afwatering. Op de oeverwallen kon gewoond worden en ook akkerbouw bedreven. De lagere delen leverden kweldergras voor het vee. Afbeelding: Ulco Glimmerveen.

Op de overgang van het zandgebied naar het kwelderlandschap trad in een brede zone veenvorming op. Aangezien dijken ontbraken traden bij stormweer regelmatig overstromingen op. Deze lieten op het veen laagjes kalkarme zeeklei achter. De combinatie veen en klei leidde tot de vorming van de beruchte kattekleigronden in Groningen. Ook in Friesland komen ze voor. De zuurgraad van katteklei is door de aanwezigheid van het mineraal jarosiet bijzonder groot. Jarosiet ontstaat door oxidatie van ijzersulfide (=zwavelijzer). Aan de lucht blootgesteld ontstaat zwavelzuur. Bij graafwerkzaamheden of door het aanploegen groeien planten slecht en in sommige gevallen zelfs geheel niet.

Door deze landschappelijke ontwikkelingen raakte Drenthe steeds meer geïsoleerd. Slechts langs een paar plaatsen was het mogelijk om in de IJzertijd en in de eeuwen daarna andere gebieden te bereiken. In het noorden vormde de Hondsrug een doorgang naar de kleistreken en ook naar de Noordzee. In het zuiden was het mogelijk om via Coevorden naar het zuiden en naar Duitsland te reizen. In het westen was tussen Een en Een-West verbinding met Friesland.

De Zwartendijksterschans tussen Een en Een-West bij Norg is in de 80-jarige oorlog gebouwd om de Spanjaarden tegen te houden. De schans maakte deel uit van de Friese waterlinie die de doorgang door de Drentse venen vanuit Friesland richting Drenthe en Groningen controleerde.
Katteklei is een kalkloze zware klei. Deze grondsoort komt voor in het overgangsgebied van Drenthe en Groningen. Katteklei heeft een PH-waarde van om en nabij 2 en is bijna zo zuur als azijn. Katteklei ontstaat onder afzettingen van veen, waardoor bij gebrek aan zuurstof in de onderliggende klei zwavelsulfide omgezet wordt in jarosiet. Hierbij komt zwavelzuur vrij. Akkerbouwers kunnen er niets mee. Landschappen met katteklei in de ondergrond zijn, zolang er niet in gegraven wordt, alleen geschikt als weidegebied voor vee

IJzer in de IJzertijd

Zoals de naam al zegt, ijzer werd het belangrijkste metaal in de ijzertijd. Brons bleef echter nog lange tijd in gebruik. Zwaarden van tinbrons waren aanvankelijk beter van kwaliteit dan die van ijzer. Bovendien zal de status van het gelige brons ook een rol gespeeld hebben. Zo is bekend dat in de Romeinse tijd officieren een bronzen zwaard droegen, terwijl de legionairs zich met een kort ijzeren steekzwaard moesten redden. Brons gaf lange tijd status.

Het beeld dat ijzeren gebruiksvoorwerpen en wapens vanaf zo’n 600 v.Chr. algemeen gebruikt werd, is bezijden de waarheid. Op het eind van de Bronstijd was men al bekend met ijzer, maar aanwijzingen hiervoor zijn spaarzaam. Wel is duidelijk dat de IJzertijd in Europa zo’n kleine 200 jaar eerder begon dan in ons land. Het probleem van ijzer is, dat het gevoelig is voor oxidatie en daardoor vergankelijk. Het zou nog eeuwen duren voordat er sprake was van algemeen gebruik, waarbij van ijzer ook grotere werktuigen en kwalitatief goede wapens gemaakt konden worden. Pas vanaf de 3e eeuw v. Chr. werd het gebruik van ijzer gemeengoed.

Het gebruik van ijzer in de IJzertijd begon in onze streken ongeveer 600 v.Chr. Door ijzeroer en moerasijzererts met behulp van houtskool in primitieve lemen ovens te roosteren, verkreeg men ruwijzer. De slak die men verkreeg wordt ‘wolf’ genoemd. Door deze uit te hameren hield men uiteindelijk metallisch ijzer over dat verder gesmeed kon worden.

Eigenlijk was de introductie en de verdere ontwikkeling van ijzer in onze streken vergelijkbaar met die van brons. Aanvankelijk was het nieuwe metaal slechts bereikbaar voor de elite. Een zwaard of bijl van ijzer zal in de begintijd een statussymbool zijn geweest. Een bijkomend voordeel van ijzer boven brons was, dat het niet geïmporteerd hoefde te worden. De grondstoffen voor ijzer kwamen in onze streken op veel plaatsen voor. En de benodigde brandstof om ijzererts om te zetten in ijzer was ook geen probleem. In beekdalen en op plaatsen waar bodemkwel voorkwam, was ijzererts in overvloed te vinden. In de beekdalen was dit ijzeroer, in kwelgebieden ontstond in de ondiepe ondergrond op de grens tot waar atmosferische zuurstof kon doordringen een laag moerasijzererts. IJzer verkreeg men door de roestige brokken ijzeroer of moerasijzererts samen met houtskool in kleine primitieve leemovens te roosteren. Met blaasbalgen werd het gloeiende houtskool tot zo’n hoge temperatuur gebracht, dat zich metallisch ijzer begon te vormen. Het erts werd niet gesmolten. Door zuurstofonttrekking ontstond een slakachtig materiaal met daarin verspreid metallisch ijzer. Dit product noemt men ‘wolf’. Door wolf te hameren werd de ijzerslak verwijderd en bleef uiteindelijk ruwijzer over. Dit kon in lokale smederijen verder worden bewerkt tot allerlei producten. Het meeste ijzer dat in een nederzetting nodig was, zal lokaal geproduceerd zijn. IJzerslakken in een opgraving zijn een zeker teken dat aan ijzerproductie gedaan werd. Bij Grolloo zijn grote hoeveelheden ijzerslakken gevonden. Dit wijst erop dat hier sprake was van een productiecentrum, waar ijzer werd geproduceerd voor de wijdere omgeving.

Moerasijzererts ontstaat net als ijzeroer ondiep in de bodem door opwellend, ijzerrijk grondwater. Op niveaus waar het in contact komt met atmosferische zuurstof oxideert opgeloste tweewaardige ijzer tot het onoplosbare ijzeroxide (limoniet).

Houtgebruik

Om ijzer te produceren was houtskool nodig. Brandend hout geeft te weinig warmte. Houtskool dat met blaasbalgen tot gloeien werd gebracht bereikt veel hogere temperaturen. Om aan de vraag naar houtskool te voldoen was veel hout nodig. Dit werd geleverd door in de bossen rond de nederzettingen bomen te kappen en het hout in houtmeilers om te zetten in houtskool. Het grote houtverbruik heeft in de IJzertijd een flinke aanslag gepleegd op het bestaande bosbestand. In die tijd hadden we met een open landschap te maken, met grote complexen raatakkers (celtic fields), heidevelden en waarschijnlijk ook al zandverstuivingen. De opvallende stuifheuvels als de Leewal en de Rossingwal bij Exloo zijn hoogstwaarschijnlijk al in de IJzertijd ontstaan.

De Leewal bij Exloo vormt samen met de Rossingwal hoog opgestoven stuifheuvels opzij van het Molenveld. Uit de bodemopbouw blijkt dat deze stuifheuvels waarschijnlijk al in de IJzertijd zijn ontstaan.

De bossen die rond de nederzettingen lagen, fungeerden vaak als graasbos, waarin men varkens, schapen en rundvee liet grazen. De samenstelling van het bestaande bos zal voornamelijk uit eiken en berken hebben bestaan. Het valt niet uit te sluiten dat men in die tijd al hakhoutbosjes had, die om de zoveel tijd afgezet werden. Het gekapte hout was handzamer en makkelijk te verplaatsen. Door deze en andere activiteiten raakten grote delen van Drenthe ontbost. Niet alleen ontbossing werd een probleem, ook het grondgebruik door boeren zorgde voor een steeds verder om zich heen grijpende verschraling van de zandbodem. Dit laatste leidde aan het eind van deze periode zelfs tot ontvolking.

De uitbreiding van het landbouwareaal in de IJzertijd legde een steeds groter beslag op het natuurlijke landschap in Drenthe. Ook de productie van houtskool om ruwijzer te maken was oorzaak dat de bossen nog verder achteruitgingen. Door de achteruitgang van de zandbodem ontstonden toen in Drenthe al heidevelden en zandverstuivingen.

3 Celtic fields

Samen met hunebedden en grafheuvels behoren celtic fields tot de best zichtbare overblijfselen uit de prehistorie. Uit onderzoek is gebleken dat in Nederland vele duizenden hectares aan raatakkers voorkwamen. Ze werden vooral gevonden in de zandgebieden in Drenthe, Overijssel, de Veluwe, de Utrechtse heuvelrug, in de Achterhoek en ook in Brabant. Hun aanwezigheid in het landschap is vooral bekend geraakt door technieken als laser-altimetrie. Dankzij het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn van celtic fields gedetailleerde reliëfkaarten te maken. Subtiele hoogteverschillen die in het veld met het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn, zijn vanuit vogelvluchtperspectief op AHN-beelden meestal wel waarneembaar.

Luchtfoto van een complex met raatakkers uit de IJzertijd op het Sleenerzand in Drenthe

Vanaf het Laat-Neolithicum is sprake van een geleidelijke toename van het aantal bewoners. Er waren dus meer monden die gevoed moesten worden. In de Bronstijd was sprake van een sterke uitbreiding van het aantal en de grootte van de boerenerven. Ook kwam de nadruk meer en meer op veeteelt te liggen. De toename van het aantal mensen zette zich in de IJzertijd voort. Niet alleen het vee leverde zijn aandeel in de voedselvoorziening, voor alledaags eten waren akkerbouwproducten, met name granen van levensbelang.

Onbekend is hoe en waar het gebruik ontstaan is, maar om in de voedselbehoefte te voorzien ging men ertoe over om het akkerland doelmatiger in te richten. Dit deed men door de beschikbare grond te verdelen in aansluitende, vierkante en rechthoekige percelen van ca. 40×40 of 30x40meter elk. De akkers worden omgeven door 6 tot 12 meter brede wallen, die in hoogte variëren van 60 tot 100cm. Deze akkercomplexen konden vele tientallen hectares groot worden. Ze staan bekend als celtic fields, ook wel raatakkers genoemd. Uit onderzoek bleek dat dit akkersysteem al in de Midden-Bronstijd aanwezig was. Bij Hijken en Zeijen kon men vaststellen dat het complex raatakkers direct aansloot bij grafheuvels en ook bij opgegraven boerderijplattegronden. Het gebruik van celtic fields liep in onze streken door tot in de Romeinse tijd, nl. tot in de tweede eeuw n.Chr.

Het Noordscheveld bij Peest is een groot heideveld met veel grafheuvels die bekend staan als ‘De Negen Bergen’. Op het heideveld is een complex raatakkers zichtbaar aanwezig. Staande in het veld zijn akkers en wallen moeilijk te zien. Het fietspad doorsnijdt het complex. Aan de ‘heuvels en de dalen’ merk je of je over een voormalige raatakker of over een wal rijdt.

Raatakker of Celtic field?

De naam celtic fields dateert uit 1923, maar is een verkeerd gekozen naam. Engelse archeologen bedachten de naam omdat zij veronderstelden dat deze akkerstructuur een uitvinding van de Kelten was. Uit onderzoek bleek dat celtic fields niets met Kelten te maken hebben. Desondanks is de naam nooit verdwenen In ons land wordt de uitdrukking sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gebruikt, hoewel er een goede Nederlandse naam voor is: raatakker. Deze aanduiding dateert uit de jaren vijftig van de vorige eeuw en is geïntroduceerd door de bodemkundige J.Wieringa (1933-1997).

Dit zijn twee foto’s van het Noordscheveld. De foto links is een normale luchtopname, waarop de sporen van raatakkers nauwelijks zichtbaar zijn. Het beeld rechts is opgenomen door middel van LIDAR-altimetri. Hierop zijn veel meer details zichtbaar. Bron: Boswachtersblog Drenthe.

Bijzonder is dat de eerste historicus van ons land, Johannes Picardt (1600-1670) als predikant van Rolde op zijn dagelijkse tochten van Assen naar Rolde allerlei archeologische bijzonderheden in het landschap opmerkte. Ook de verhalen daaromtrent tekende hij op. In 1660 verscheen een boek van zijn hand met de titel Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe, etc. Hierin maakt hij melding van ‘Van eenige oude Heydensche Leger-plaetsen en Wallen’. Uit zijn beschrijving en bijgevoegde illustratie is het niet moeilijk om hierin celtic fields te herkennen. Hij hield het regelmatige patroon voor heidense legerkampen. Ook werden de prehistorische akkers wel in verband gebracht met legerplaatsen van de Romeinen.

Johannes Picardt was de eerste die de landschappelijk opvallende celtic fields beschreef en ook in zijn boek afbeeldde. Hij had het over ‘heidense legerplaatsen’. In de daaropvolgende 18e eeuw werd algemeen aangenomen dat het om Romeinse legerplaatsen ging, vanwege de regelmatige blokverdeling. Pas in 1947 bracht Nederlands belangrijkste archeoloog Albert Egges van Giffen in zijn inaugurele rede naar voren dat het akkercomplexen waren uit de prehistorie.

Hoe men destijds de akkers bebouwde en vooral hoe de wallen zijn ontstaan, is nog steeds onderwerp van discussie en onderzoek. Het vermoeden dat de wallen in de loop van de tijd zijn ontstaan doordat men onkruid met aanhangend zand naar de akkerranden heeft geworpen, is één ding. Ook is het mogelijk dat men akkergrond die na een paar oogsten uitgeput raakte, afgroef en op de wallen stortte. Dit heeft men een aantal malen kunnen doen, voordat men in Drenthe, zoals op het Balloërveld bij Rolde op moeilijker te bewerken keileem met stenen stuitte. Bijzonder is wel dat wallen uit fijn humeus zand zijn opgebouwd, zonder verontreinigingen als stenen e.d. Daarom is het niet uitgesloten dat men zowel op de akkers zelf als op de wallen verschillende gewassen verbouwde. Het verschil in vochthuishouding tussen akkers en de hoger liggende wallen zal betekent hebben, dat men tegelijk verschillende gewassen kon verbouwen. Ook zijn er sporen gevonden die erop wijzen dat op de wallen omheiningen waren geplaatst. Of dit een algemeen gebruik was, is niet bekend. Ook denkt men dat boeren in de IJzertijd een vorm van bemesting toepasten. Om de vochthuishouding van de akkergrond te bevorderen neemt men aan dat in de bossen strooisel verzameld werd, dat over de akkers werd uitgereden. Ook zullen in sommige gevallen gestoken venige zoden op de uitgeputte akkers zijn aangebracht.

Reconstructietekening van een complex raatakkers met ijzertijdboerderij. Op de akkers die ongeveer 30×30 of 30×40 meter groot waren verbouwde men waarschijnlijk in wisselbouw verschillende landbouwgewassen. Dat men aan een of andere vorm van bemesting deed is waarschijnlijk. Misschien betrof het voornamelijk strooisel dat uit de omringende bossen werd gehaald om de bouwgrond humusrijker en daardoor vochthoudender te maken.
Raatakker uit de IJzertijd op het Sleenerzand, omgeven door lage wallen.

Bij opgravingen zijn op verschillende plaatsen plattegronden van boerderijen ontdekt. Vanuit de nederzetting, die uit een klein aantal boerderijen en hun bewoners bestond en die voor één of twee generaties op eenzelfde locatie bleef staan, werd het omringende landschap geëxploiteerd. De boerderijen met schuurtjes en spiekers hadden een beperkte levensduur. Na ongeveer twintig jaar waren de boerderijen door rot van de houten staanders versleten. Boerderij en bijgebouwen werden elders binnen het celtic field-areaal opnieuw gebouwd. Zo ‘wandelden’ de boerderijen door het complex raatakkers. In Hijken en Peelo dateren deze uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd (800-500 v.Chr.). Die bij Zeijen dateren uit de Midden-IJzertijd. Door huisvuil en mest was de grond van deze akkers na verloop van tijd weer vruchtbaar geworden, terwijl ‘huis en haard’ door de tijd versleten raakten. Door op een uitgeputte akker, iets verderop, een nieuwe boerderij te bouwen, kon men op de verlaten akkers weer gewassen verbouwen.

Reconstructie van een boerderij uit de IJzertijd. Het gebouwtje op enige afstand is een spieker. Hierin werd granen en zaden opgeslagen om deze te vrijwaren van vraat door knaagdieren en schimmelvorming door vocht.

Zoals eerder geschreven is de overgang van verspreid liggende akkerpercelen naar een aaneengesloten complex van raatakkers waarschijnlijk een efficiëntieslag geweest, waarbij sprake was van intensivering van het gebruik. Op de afzonderlijke raatakkers heeft men emmertarwe en spelt verbouwd. Ook gerst, huttentut, pluimgierst en duivenbonen werden verbouwd. Rond de jaartelling verscheen voor het eerst ook rogge in de celtic fields. Het complex op het Noordseveld bij Peest is nog heel lang, tot in de Romeinse tijd in gebruik gebleven.

Houtskelet van een IJzertijd boerderij. Voor het dragen van de nokbalk werden eiken staanders (B) gebruikt met aan de bovenzijde een Y-vormige kop. De binnenstijlen (C), wandstijlen (A) en de buitenstijlen (G) dienden om de langsligger (F), wandligger (E) en de dakvoetligger (J) te dragen. Tussen de binnenstijlen (C) werd voor de versteviging ook nog een dwarsligger (D) aangebracht. Over de stijlen werden de kapsporen (H) bevestigd waarna de rietlatten (I) aan werden gebracht. Aan deze rietlatten werd het riet of strooi d.m.v. wilgentwijgen bevestigd. Het sterk overstekende voorkwam dat regen de lemen vlechtwanden niet uitspoelde. De muren maakten meestal geen deel uit van het geheel. Ze stonden, meestal ‘los’ van het skelet van de boerderij.

Het grafritueel

We zagen dat de lijkbezorging in de Bronstijd aan veranderingen onderhevig was. De gewoonte om voor belangrijke doden een grafheuvel op te werpen, bleef ook in de IJzertijd in zwang. Omdat men dezelfde locaties in het landschap bleef bewonen sloten de begravingen in de IJzertijd aan bij die uit eerdere tijden. In de Late Bronstijd werden de doden vooral gecremeerd, waarbij de resten in een urn in een kuil in de grond werden bijgezet. Deze traditie bleef in de IJzertijd nog lange tijd gehandhaafd. Later in deze periode verdween dit gebruik. Men volstond toen om de resten van de brandstapel toe te dekken met een heuvel van zand. Deze brandheuvels komen op verschillende plaatsen in het Drentse landschap voor. Ze liggen in groepen bij elkaar. Fraaie voorbeelden hiervan zijn de brandheuvels in het Kniphorstbos bij Schipborg en die bij Zuidvelde ten zuiden van Norg.

In het Tonckensbos bij Zuidvelde liggen zo’n 40 grafheuvels uit de IJzertijd op korte afstand van elkaar. Deze groep duidt op brandheuvels die tussen 500 v.Chr en de jaartelling over de crematieresten en de resten van brandstapels werden geworpen.

Weg uit Drenthe

Wat de precieze oorzaak was, is niet met zekerheid aan te geven, maar wel dat in de loop van de IJzertijd mensen uit Drenthe wegtrokken, richting de noordelijk gelegen kwelders. Waren in de Midden-IJzertijd (500-200 v.Chr.) in Drenthe nog zo’n 95 raatakkercomplexen verspreid in het Drentse landschap aanwezig, in de Late IJzertijd (200-0 v.Chr.) was dit aantal gedaald tot niet meer dan 20.  Dit gebeurde niet alleen door bevolkingsdruk. Ook de steeds verder voortschrijdende verschraling van de zandgrond maakte het boerenbestaan onzeker. Eeuwenlang grondgebruik, zonder dat er sprake was van adequate bemesting, het verdwijnen van de bossen en het ontstaan van uitgestrekte heidevelden en vermoedelijk ook al zandverstuivingen, waren de voornaamste oorzaak dat men uit Drenthe wegtrok. Verschraling van de bestaansmogelijkheden op de zandgronden waren waarschijnlijk niet de enige reden waarom men wegtrok. Door stijging van de zeespiegel en het natte, regenachtige klimaat, raakten steeds meer delen van het Drentse landschap door veen bedekt en veranderden in moerassen. Delen die nog vrij van veen bleven zullen toch te maken hebben gehad met een hogere grondwaterspiegel, wat nadelig was voor de akkerbouw.

In de loop van de tijd nam de bestaanszekerheid van de Drentse IJzertijdboeren af. Door voortgaande degradatie van het akkerland werden de opbrengsten minder. Ook veranderden steeds meer delen van zandig Drenthe in veenmoeras. Bekend was dat op de kwelders goed te boeren viel. Veel mensen trokken daarom uit Drenthe weg en volgden de Hondsrug naar de oeverwallen en kwelders in het kleigebied in Groningen.

Veel van de celtic field-complexen raakten aan het eind van de IJzertijd leeg en verlaten, hoewel de discussie over de datering nog gaande is. Hoe het ook zij, wat overbleef waren een aantal territoria met nederzettingen. De boerderijen die in deze nederzettingen aanwezig waren, werden in de loop van de tijd verplaatst naar andere locaties binnen het territorium. Uit deze IJzertijdnederzettingen ontstonden in rechte lijn de huidige esdorpen.

De Hondsrug vormde een ideale verbindingsweg naar het noordelijke kweldergebied. De noordpunt, waar nu Groningen op gevestigd is, stak als een schiereiland uit in de omringende kwelders. Het was al eeuwen bekend dat men zeker ’s zomers te voet de kweldergebieden in kon trekken. Door deze streek stroomden rivieren als de Hunze, Drentsche Aa en het Peizerdiep richting Noordzee. Door overstromingen waren aan weerszijden van deze rivieren hoger opgeslibde oeverwallen ontstaan. De grondstructuur was er beter dan op de kweldervlakten. Bovendien hadden de oeverwallen een goede ontwatering.

De Hondsrug vormde in de IJzertijd een prima verbinding met de noordelijk gelegen kleistreken. Zowel ’s zomers als in de winter kon men makkelijk de kweldernederzettingen bereiken. Daarnaast boden riviertjes als Drentsche Aa, Hunze en ook het Peizerdiep mogelijkheden om per schip de zuidelijker zandstreken te bereiken en andersom. De zandruggen die op deze hoogtekaart ten westen van de Hondsrug liggen, eindigden in ondoordringbaar veenmoeras.

Het was Drentse boeren bekend geworden, dat op de kwelder goede bestaansmogelijkheden aanwezig waren. Voer in de vorm van kweldergras was voor het vee rijkelijk aanwezig. Wonen bleek goed mogelijk op de iets hoger gelegen oeverwallen. Door de goede afwatering was daarop ook akkerbouw mogelijk. Verder was de aanwezigheid van vaarwater erg gunstig om handelscontacten te houden met het achterland. Kortom een bestaan als kleiboer was in de loop van de IJzertijd voor tal van bewoners in Drenthe een aantrekkelijk alternatief voor het boerenbestaan op de zandgrond. Het gevolg was dat delen van het Hondsruggebied grotendeels ontvolkt raakten.

Reconstructie van Peelo, een zeer klein esdorp, noordelijk van Assen. Veel IJzertijdnederzettingen zijn in rechte lijn te correlleren met de huidige esdorpen in Drenthe. Peelo ligt al een paar duizend jaar min of meer op dezelfde plaats. Uit opgravingen bleek dat het oorspronkelijk een klein dorp was met maar een paar erven. Dat is altijd zo gebleven, hoewel de boerderijplaatsen binnen het dorpsterritorium hebben gezworven. Peelo telde tot in recente tijden slechts vier boerderijen

Vuursteengebruik in de IJzertijd

Hoewel duidelijk is dat in de loop van de IJzertijd bronzen en stenen gereedschap steeds meer werden vervangen door die van ijzer, bleef vuursteen lange tijd nog populair. Werktuigen van vuursteen waren blijkbaar makkelijker en wellicht ook goedkoper verkrijgbaar en te maken. Hier komt bij dat met vuurstenen werktuigen heel goed te werken viel. Opvallend is het gebruik van sikkels. Deze zijn er in twee verschillende typen. De sikkels zijn halvemaanvormig, met spits toelopende uiteinden. Het is wel zeker dat deze werktuigen geïmporteerd zijn uit Noord-Duitsland, van Helgoland en ook uit Denemarken. Vuurstenen sikkels van eigen bodem zijn nagenoeg onbekend. De kwaliteit van hier gevonden vuursteen was te slecht.

Sikkels zijn opmerkelijk veel gevonden in de kleistreken in Noord-Holland. Afgezien van een aantal ongebruikte sikkels die als grafgift in begravingen zijn gevonden, vertonen vuurstenen sikkels een sterke glans. Dit duidt op intensief gebruik. Ook blijkt uit vondsten dat sikkels veelal voor hetzelfde doel werden gebruikt. De glans en slijtsporen wijzen vooral op het snijden van kleizoden. Mogelijk werden ze ook gebruikt voor het snijden van riet en zeggen. Veel grassoorten bevatten kiezelzuur. Dat heeft op vuursteen een polijstende werking. Gaan we af op de sterke glans en hun typisch gebogen vorm, dan zouden sikkels ook gebruikt kunnen zijn in een eg. Gemonteerd in een houten raamwerk zouden daarmee de halfdroge kleikluiten op de akkers kleiner gemaakt kunnen zijn, nodig om het zaaigoed een goed kiembed te geven.

Vuurstenen sikkel, gevonden bij Andijk in Noord-Holland. De glans op het werktuig is veroorzaakt door het gebruik.
Vuurstenen sikkel uit Denemarken. Geschikte vuursteen om sikkels uit te maken was in de IJzertijd in Noord-Nederland niet meer te vinden. De gereedschappen moesten dus geïmporteerd worden. Dit gebeurde van het Noordzee-eiland Helgoland, waar een karakteristieke rode vuursteensoort voorkwam. De meeste sikkels zijn echter afkomstig uit Jutland in Noord-Denemarken, waar zich een in die tijd een grote vuursteenindustrie bevond.

Naast sikkels zijn op IJzertijdlocaties ook talrijke vuurstenen schrabbers tevoorschijn gekomen. Uit de vorm en glans blijkt dat men deze werktuigen veelal van gebroken sikkels maakte. De kop van de schrabbers bezit een waaiervorm. Naast deze zijn ook nog andere schrabbers gevonden. Voor het maken van schrabbers en ook pijlpunten zal men in Drenthe zeker gebruik gemaakt hebben van plaatselijk gevonden vuursteen.

Een apart gebruik was de vuurslag. Vuurslagen zijn uit verschillende cultuurperioden bekend. Ook na de jaartelling waren ze nog lang in gebruik. Een vuurslag werd gebruikt om vuur te maken. Aanvankelijk deed men dit in combinatie met een stuk pyriet (markasiet) om hiermee vonken te slaan. Met enige handigheid is zo vrij snel vuur te maken. De vuurslagen vertonen als gevolg van het veelvuldige gebruik een karakteristieke afslijting. In latere tijden gebruikte men vuurslagen in combinatie met zacht ijzer. Dit vonkte nog beter dan met markasiet.

Vuurslag van vuursteen. Oorspronkelijk werden met een vuurslag en een stuk markasiet (zwavelsulfide) vonken geslagen, waarmee in korte tijd vuur gemaakt kon worden. Later deed men dit met zacht ijzer, dat nog veel beter vonken sloeg.

Natuursteengebruik in de IJzertijd

Natuursteen heeft in de archeologie aan belang gewonnen. Zwerfstenen en de gebruiksproducten ervan vormen in opgravingen op IJzertijdlocaties vaak een belangrijk vondstcomponent. Het blijkt dat mensen in de IJzertijd in ruime mate gebruik maakten van natuursteen. Aard, samenstelling van het natuursteen en de specifieke gebruikssporen daarop geven vaak waardevolle en interessante informatie.

In de IJzertijd zijn handmaalmolens voor graan ook van noordelijke zwerfstenen gemaakt. Door middel van pecking zijn uit grofkorrelige granieten keien handmaalmolens gemaakt. Bij Plumbohm in het Wendland in Duitsland ligt een vele tonnen zwate rode Smaland-graniet, waar men met wisselend succes maalstenen uit gebeiteld heeft.
Op de bovenzijde van de steen zijn de plaatsen te zien waar men met succes maalstenen uit het oppervlak heeft gelost, met daarnaast exemplaren die niet afgemaakt zijn.

Afhankelijk van de locatie in ons land treden in de samenstelling van het natuursteen duidelijke verschillen op. Het gaat in de meeste gevallen om zwerfstenen. Soms komen uitsluitend maalsteenfragmenten van vesiculaire basalt tevoorschijn. Deze laatste zijn afkomstig van handmolens die geïmporteerd zijn uit de vulkanische Eifel in Duitsland. In Zuid- en Midden-Nederland bestaat het natuursteen voornamelijk uit zuidelijke zwerfsteensoorten. Deze werden in de koude perioden van het IJstijdvak aangevoerd door rivieren als Rijn en Maas. In Oost-Nederland is de mogelijkheid niet uitgesloten dat daar natuursteen van oostelijke herkomst is gebruikt. Met deze laatste worden stenen bedoeld die door voorlopers van de Elbe en vooral de Wezer uit het Duitse achterland zijn aangevoerd. In Noord-Nederland is vrijwel uitsluitend sprake van noordelijke zwerfstenen. Deze zwerfstenen komen uit Scandinavië. Ze zijn in de voorlaatste ijstijd door het landijs naar ons land getransporteerd.

In de late IJzertijd werden in ons land handmolens van donkere basaltlava gebruikt. Ze werden geïmporteerd uit de Vulkanische Eifel in Duitsland, waar bij de plaatsen Mayen en Niedermendig ondergrondse winplaatsen waren van een sterk poreus, vesiculair type basalt. Deze roterende handmolens waren een verbetering ten opzichte van de eerdere maalstenen van graniet en/ of zandsteen. Een handmolen van vesiculaire basalt bestaat uit twee delen: het bovenste deel wordt loper genoemd die op een ligger draait. Hierop kon graan gemalen worden. De loper werd met de hand bewogen.

Zowel in natuursteen van zuidelijke herkomst, maar overduidelijk in noordelijke zwerfstenen blijkt uit het assortiment, dat bepaalde steensoorten doelbewust zijn verzameld. Hieruit blijkt dat men in die tijd, ondanks dat bij veel zwerfstenen sprake is van verwering, heel goed wist welke steensoorten voor bepaalde activiteiten geschikt waren en welke niet. Afhankelijk van de bodemlaag waar ze uit afkomstig zijn, zien zwerfstenen er heel verschillend uit. Stenen die men aan het aardoppervlak vindt, zijn vaak sterk verweerd en gebleekt. Komen ze uit keizand of zijn ze uit keileem opgegraven, dan zijn deze zwerfstenen kleuriger en tonen ze minder verweringsverschijnselen.

Zuidelijke zwerfstenen zijn afkomstig uit Duitsland, België en Noord-Frankrijk. Het zijn meestal grindstenen die door rivieren als Maas en Rijn in het Pleistoceen naar ons land zijn vervoerd.

Witte kwarts – Havikerwaard (Gld.)
Bontzandsteen – Emmerich (Dld.)
Tektonische breccie van grijze zandsteen – Emmerich (Dld.)
Roodijzerkiezel (Jaspis) – Emmerich (Dld.)

Noordelijke zwerfstenen komen uit Scandinavië, voornamelijk Zweden en Finland en tussengelegen zeegedeelten. De meeste noordelijke zwerfstenen zijn van graniet en gneis. Ook zandsteen komt veel voor.

 

Graniet (Aland-rapakivi) – Gieten (Dr.)
Geplooide gneis – Ellertshaar (Dr.)
Gabbro – Gaarkeuken (Gr.)
Gelaagde zandsteen – Borger (Dr.)

Niet iedere steen was geschikt

Het doelbewust verzamelen van zwerfstenen had te maken met het gebruik ervan. Wat dit betreft is er een opmerkelijk verschil met de voorgaande Bronstijd. De meeste vondsten van natuursteen betreffen grote en kleinere steenfragmenten, die op een bijzondere manier gebroken zijn of een opmerkelijk patroon van barsten vertonen. Ook worden er vaak ongebroken stenen gevonden met sporen die op intensief gebruik duiden. Vergeleken met stenen die met een hamer of met andere stenen zijn doorgeslagen, toont het opgegraven natuursteen karakteristieke kenmerken. De breukvlakken zijn zeer onregelmatig, vaak met scherpe, onregelmatige randen en inspringende hoeken. Uit experimenten is gebleken dat deze steenfragmenten ontstaan zijn door blootstelling aan vuur.

Kwartsietische zandsteen van Barger-Oosterveld (Dr.). Deze zandsteen toont door herhaald verhitten en afkoelen een karakteristiek craquelé-patroon van barsten. Ook de korrelbinding van de zandkorrels onderling is sterk verzwakt. Met klop- en wrijfstenen konden deze stenen gemakkelijk tot steengruis verwerkt worden.
Kwartsietische zandsteen van het Ruskenveen bij Hoogkerk. Ook deze zandsteen is door vuur verbrand.

In de IJzertijd vormden zwerfstenen een belangrijke grondstof voor de productie van aardewerk. Zwerfstenen werden herhaaldelijk verhit en afgekoeld, waardoor ze scheuren en barsten gingen vertonen en bros werden. Met klop- en wrijfstenen verwerkte men het materiaal vervolgens tot steengruis. Het steengruis diende als magering van de klei voor de productie van aardewerk. De toevoeging van gruis voorkwam dat de klei bij het drogen ging scheuren. De vraag is, of de stenen intentioneel herhaalde malen verhit werden om deze tot gruis te kunnen verwerken, of waren deze het resultaat van een ander gebruik, waarbij ze na bewezen dienst voor gruisproductie konden worden gebruikt? Het lijkt erop dat beide mogelijkheden benut zijn. Uit onderzoek aan de soortensamenstelling van het verbrande steenmateriaal blijkt dat er sprake is van antropogene selectie.

Smoorkuilen

Afgezien van het doelbewust verbranden van zwerfstenen, wat zeker het geval is geweest, kunnen op zwerfstenen ook verbrandingssporen ontstaan als deze gebruikt zijn als omranding van een haardplaats. Het eenzijdige en meermaals verhitten van de stenen leidt tot barsten en scheuren, waarbij de stenen ter plaatse soms uit elkaar barsten. In het Hunebedcentrum in Borger zijn hier bij demonstraties en experimenten duidelijke voorbeelden van gevonden.

Interessant is dat er aanwijzingen zijn dat in de IJzertijd ook vormen van voedselbereiding bekend waren, waarbij stukken vlees in smoorkuilen gegaard werden. Als bijproduct leverde deze bereidingswijze ook verbrande zwerfstenen op. Smoorkuilen zijn ondiepe kuilen met glooiend oplopende wanden, die met zwerfstenen bekleed waren.

In Groningen is in 2015 tijdens archeologisch onderzoek in de wijk Helpermaar een fraai voorbeeld van een smoorkuil gevonden. De komvormige kuil heeft een diameter van zo’n twee meter. In de kuil zijn 310 zwerfstenen aangetroffen die sporen van verhitting vertonen. In de smoorkuil in Groningen is echter geen houtskool gevonden. Het vermoeden is dat de stenen naast de kuil verhit werden en vervolgens in de kuil geplaatst.

Bij de opgraving in de Helpermaar in Groningen kwam een cirkelvormige verkleuring tevoorschijn. De doorsnede ervan was zo’n twee meter. In het vlak waren zwerfstenen zichtbaar. Bij ontgraving rees het vermoeden dat men hier met een smoorkuil uit de IJzertijd te maken had. (zie foto 34).

Smoorkuilen zijn tegenwoordig op Nieuw-Guinea nog bij de inlandse bevolking in gebruik. Op een ondergrond van zand wordt een vloertje gelegd van dicht opeen geplaatste stenen. Ook graaft men wel eens een ondiepe kuil met glooiend oplopende wanden, die met stenen worden bekleed. De laag met stenen wordt heet gestookt. Deze worden vervolgens afgedekt met grassen, groenten en kruiden. Hierop legt men stukken vlees, die veelal omwikkeld zijn met groenten. Vervolgens dekt men alles toe met plantaardig materiaal. Als laatste wordt een laagje zand over de kuil aangebracht. Op deze manier garen grote stukken vlees, zonder dat deze verbranden, in betrekkelijk korte tijd.

In de smoorkuil in de Helpermaar gebruikte men als afdekkingsmateriaal geen zand maar klei. Tussen en op de zwerfstenen was een laagje klei aanwezig van een paar centimeter dikte. De hitte van de kuilwanden en de afdekking zorgde er vervolgens voordat het vlees langzaam gegaard werd. Dat in de Helpermaar klei werd gebruikt zou een aanwijzing kunnen zijn dat men dit deed om het kookvocht vast te houden. Dit zal het garingsproces ten goede zijn gekomen.

Bij ontgraving bleek de smoorkuil in de Helpermaar een groot aantal stenen te bevatten, waarvan vele tekenen lieten zien van hitte.

Smoorkuilen waren niet voor eenmalig gebruik. Ze werden in nederzettingen waarschijnlijk meermalen gebruikt. De donkere roetsporen die geregeld op hele en gebroken stenen voorkomen, zouden hiervoor een aanwijzing kunnen zijn. De zwerfstenen die voor de wandbekleding nodig waren, kwamen uit de omgeving. Voor de wanden werden stenen met min of meer dezelfde grootte gebruikt. Ook bleek dat men een voorkeur had voor zwerfstenen van graniet, gneis en zandsteen. Deze voorkeur is waarschijnlijk ingegeven omdat men ontdekt had dat de stenen na verloop van tijd gingen barsten en erg bros werden. Deze werden apart gehouden en naderhand met klop- en wrijfstenen vergruisd. Dit steengruis kon veel beter dan grof zand gebruikt worden voor het mageren van aardewerk. Het komt regelmatig voor dat op verbrande zwerfstenen en fragmenten ervan zelfs na een paar duizend jaar nog sporen van roetaanslag aanwezig zijn.

Zwerfstenen als kooksteen

In de IJzertijd zal men waarschijnlijk ook stenen als kooksteen gebruikt hebben. Het gebruik hiervan is al in het Mesolithicum aangetoond. In vuur verhitte stenen zijn zeer geschikt om water aan de kook te brengen. Dat de stenen door het verhitten in vuur vaak roetaanslag vertoonden, zal destijds niet als een groot probleem ervaren zijn. Door de hitte waren de stenen in ieder geval kiemvrij. Ook is niet uitgesloten dat zwerfstenen werden verwarmd om als bedkruik te dienen. In het koude jaargetijde was dit geen overbodige luxe. Zo riant verwarmd waren de ijzertijdhuizen in de winter nu ook weer niet.

Zwerfstenen werden in de prehistorie al vanaf het Mesolithicum gebruikt als kooksteen. Met een heet gestookte steen kon men vloeibaar voedsel en water verwarmen of aan de kook brengen. Deze kooksteen is een rapakivi-granietporfier, die gevonden is op het terrein van de oude Helpmancentrale in Groningen.

Raakten kookstenen ‘versleten’, dan werden de brosse en gebarsten stenen met klop- en wrijfstenen ook tot steengruis verwerkt. Het vermalen van stenen tot steengruis voor aardewerkproducten wordt ondersteund door het hoge percentage graniet, gneis en migmatiet. Ook kwartsietische zandstenen werden veelvuldig voor dit doel gebruikt. De korreligheid van deze gesteenten en vooral de verschillende uitzettingscoëfficienten van de mineralen in graniet en gneis, maakten deze zwerfsteensoorten bijzonder geschikt. Bij verhitting en afkoeling zetten en krimpen mineralen in verschillende mate uit. Dit geeft spanningen die uiteindelijk leiden tot het ontstaan van barsten. Gesteentesoorten als amfiboliet, diabaas en gabbro waren voor dit doel minder geschikt. Ze komen daarom weinig in het natuursteen voor. Ook porfier en helleflint bezitten eigenschappen die ze ongeschikt maken voor vergruizing.

Als korrelige zwerfstenen als graniet, gneis en ook zandsteen herhaalde malen worden verhit en afgekoeld, gaat de anders zo sterke korrelbinding verloren. De stenen zijn hierdoor makkelijk te vergruizen. Links een graniet met daarvoor los gruis dat met een vingernagel los gemaakt is. Daarnaast een zwerfsteen van Rode Oostzee-porfier. Dit is een dicht vulkanisch gesteente. Deze barsten na hittebehandeling wel, maar zijn verder, net als gabbro en diabaas niet te vergruizen.
Door hitte behandelde stenen breken in zeer onregelmatige fragmenten. De vorm ervan is vaak karakteristiek met inspringende hoeken en scherpe randen. Dikwijls tonen deze stenen nog een vorm van roetaanslag.
De bros geworden verbrande stenen en fragmenten werden met wrijfstenen tot steengruis vermalen. Wrijfstenen tonen vaak platte vlakken met een ruw oppervlak.
Ook met klopstenen in de hand werden stenen vergruisd.
Het stuk kloppen en vergruizen deed met op een ligger, bij voorkeur van graniet. Het vergruizen van verbrande stenen ging makkelijker op wrijfstenen en liggers van graniet met een ruw oppervlak.

Slijp- en wetstenen

Naast klop- en wrijfstenen worden in IJzertijd opgravingen frequent slijp- en wetstenen aangetroffen. In veel gevallen zijn ze van zandsteen (fijn- en middelkorrelig). Ze zijn er in alle vormen en maten. Slijp- en wetstenen dienden voor het vormgeven en scherpen van ijzeren gebruiksvoorwerpen, waaronder wapens. Hiervoor gebruikte men bij voorkeur zwerfstenen van zandsteen, hoewel in gebieden met noordelijke zwerfstenen ook dikwijls fijnkorrelige varianten van graniet, gneis, leptiet en kwartsiet gebruikt werden. Tamelijk grove en ‘scherpe’ zandsteentypen werden gebruikt om gesmede ijzeren voorwerpen in vorm te slijpen. Slijpstenen met een veel fijnere korrel dienden als wetsteen. Hiermee werden de snijvlakken afgebraamd en de snede vlijmscherp gemaakt.

Slijpstenen werden gebruikt om gesmede ijzeren voorwerpen in vorm te slijpen en bij wapens als messen, dolken en zwaarden om de snede te scherpen. Men gebruikte hiervoor meestal verschillende typen zandsteen. In dit gesteente breken van de afzonderlijke korrels makkelijk stukjes af – kwarts is tamelijk bros – waardoor de slijpsteen ‘scherp ’blijft, dit wil zeggen, goed blijft afnemen.

Wetstenen zijn meestal als handgereedschap in gebruik geweest. De grotere slijpstenen werden voor gebruik op de grond geplaatst. De wijze van afslijting van wetstenen – vooral de randen zijn vaak gebruikt – zijn makkelijk herkenbaar. Vaak werden slijp- en wetstenen als deze ‘op’ waren, gewoon weggeworpen. Ze komen daardoor vaak in gave toestand tevoorschijn. Ook werden opgebruikte slijpstenen wel in vuur verhit om vervolgens ook tot gruis geklopt te worden.

Fijnkorrelige zandstenen werden vooral als handwetsteen gebruikt. Met wetstenen kon men na het slijpen de braam verwijderen en de snede van messen, sikkels en ook van wapens vlijmscherp maken.

Samenstelling van het natuursteen

Een ander belangrijk aspect bij het natuursteenonderzoek is om een beeld te krijgen van het zwerfsteenspectrum. Speciaal de samenstelling van het gezelschap gidsgesteenten is hierbij van belang. De resultaten van inventarisaties geven belangrijke aanwijzingen in hoeverre de bewoners gebruik maakten van lokaal verzamelde zwerfstenen of dat men de stenen van elders heeft aangevoerd. 

Wetsteen van leptiet. Leptiet is een fijnkorrelig metamorf gesteente dat meestal uit vulkanische gesteenten is ontstaan. Door zijn fijnkorreligheid was het prima geschikt om als wetsteen dienst te doen. Het hoge kwartsgehalte stond daar borg voor.

De samenstelling van het zwerfsteengezelschap in Drenthe verschilt aanmerkelijk. Niet alleen is het aantal zwerfstenen in Oost-Drenthe vele malen groter dan in West-Drenthe, ook het spectrum verschilt. Globaal gesproken bezitten zwerfstenen westelijk van de lijn Peize, Norg, Assen, Elp en Aalden een West-Baltisch karakter. Zwerfstenen in dit gebied komen vooral uit Midden- en Zuid-Zweden, de zuidelijke Oostzee, het Deense eiland Bornholm en Denemarken. De zwerfsteensamenstelling in Oost-Drenthe is anders. Hier overheersen Oost-Baltische zwerfsteentypen met de bekende roodachtige rapakivi-granieten voorop. De herkomst van deze groep zwerfstenen is Noord-Zweden, de Botnische Golf, Zuidwest-Finland en de noordoostelijke Oostzee.

De aard van het natuursteen, de mate van verwering en de eventuele aanwezigheid van sporen van windabrasie, leveren belangrijke aanvullende informatie op of men in de IJzertijd stenen aan het oppervlak heeft verzameld of dat er doelbewust naar gegraven is. Verweringssporen op het natuursteen wijzen vaak op het eerste. In vele delen van Drenthe bevindt zich ondiep onder het oppervlak een keizandniveau met zwerfstenen. Deze stenen zijn meestal minder verweerd en uitgeloogd dan die aan het aardoppervlak. Ook hebben ze vaak een kleuriger uiterlijk.  Ook zullen bij het opwerpen van grafheuvels of het graven van kuilen in urnenvelden meermalen stenen zijn opgegraven. De kans is groot dat men deze keien apart gehouden heeft.

Al met al geven de mensen in IJzertijdnederzettingen blijk van doelbewust en efficiënt materiaalgebruik. Zwerfstenen hadden al naar gelang het gebruik ervan meerdere ‘levens’. Werktuigen en zwerfstenen die versleten of opgebruikt waren, dienden vervolgens als grondstof voor de fabricage van aardewerk.

Vorig artikelDe Feestdagen komen er al weer aan. De tijd vliegt.
Volgend artikelBEN JOCHANAN, ALIAS QUINTUS VAN BONNA – Hoofdstuk 4
Harry Huisman is conservator geologie in het Hunebedcentrum.

2 REACTIES

  1. Deel 21 van ‘Het gebruik van zwerfstenen’ nu ook gereed !! Harry Huisman, Gefeliciteerd !!
    Een verrassende laatste bijdrage over de IJzertijd met ruim aandacht voor de Raatakkers ! Actueel.
    Met extra aandacht gelezen.
    Kom ik nog graag op terug.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.