De verloren vader

Met lange poten loopt hij statig door het drassige weiland. Zijn snavel prikt hier en daar naar beneden. Soms is het mis, soms heeft hij wat, slaat zijn hoofd achterover en laat het naar binnen glijden. Dan slaat hij zijn grote vleugels uit. Hij verheft zich statig omhoog tussen de bomen rondom de stroom, het weiland, het diepje en de kijker op afstand ver onder zich latend. Eber volgt hem als hij even verderop zich schuin naar beneden laat glijden. Hij slaat zijn lange poten uit, en verheft zich op zijn nest ver boven zijn omgeving. Weer gaat de kop in de nek, op en neer, en al klepperend laat de ooievaar horen dat hij er is. Een andere ooievaar begroet hem met een serenade van antwoordgeklepper. Eber ziet, hoort, neemt de tijd. Tijd is er genoeg. Genieten doe je niet alle dagen even intens. Maar dit, dit maakt een wandeling goed.

Eber heeft tussen zijn woning in het veen en het oude diepje een uitgehold stuk boomstam opgehangen. Eigenlijk heel simpel, splijt een stuk van een boom in tweeën, als het hout zo goed gedroogd is, dat het niet meer werkt. Hak het meeste hout eruit, en pas op dat je niet door de wanden gaat. Ook op de kopse kanten laat je een houtrand staan. Ze maakt er een vlieggat in, smeert er wat honing in om bijen te lokken, en je legt de beide helften weer tegen elkaar. Touw erom, hang het op manshoogte op, en vergeet het gewoon een tijdje. Dan kom je terug, en ja hoor, bijen hebben gezorgd dat hun nest erin werd gemaakt. Het vlieggat moet goed dicht worden gemaakt, voor je ermee op stap gaat, want ze zullen het je niet in dank afnemen.

Eber neemt de boomstam met inhoud mee naar een voor iedereen veilige plek. Hij heeft bij de oude jachthut in het veen een flinke stapel droge en natte vilten, hooi en andere rotzooi bij elkaar gelegd. Dat wil goed branden en zal flink roken. Dat is dan ook de bedoeling. Met goed bedekte kleding gaat hij met het stuk stam in de rook staan. Hij maakt de touwen om de stam wat los, zodat de beide helften met een beetje moeite wat kuit elkaar gedreven kunnen worden. De bijen hebben ze door de wasraten aan eklaar doen kleven. De rook maakt ze woest, maar verjaagd ze ook nog eens een keer. Zolang het rookt, en zolang Eber in de rook staat, is er niks aan de hand. Tegen de tijd dat het vuur uit is, stinkt hij zelf zodanig dat Hilde hem bij thuiskomst direct naar de veenplas stuurt, alle kleren uit laat trekken en met een emmer afspoelt. Eber geniet ervan. Het is een spel van oude mensen, die van elkaar houden, en pret hebben als kleine kinderen. En dan wordt het heel serieus.

De honing wordt met raat en al in brokken uit de binnenzijde van de boom gebroken. Waar nog jonge bijen in zitten, waar het broedsel te vinden is, het wordt opzij gelegd. Als het afgestorven is zal de was nog kunnen dienen voor het dichtmaken van een en ander, of als brandstof in een lampje. De mooie volle honingraten, waar het zoet al uitdruipt, worden tussen twee planken gelegd, en door ze te bekloppen, onder druk te zetten of met een hamer op te slaan, lopen ze leeg in een aardewerken pot. Een tweede en een derde pot worden slechts gedeeltelijk gevuld. Dan gaat daar water op.

Niemand weet precies hoe het kan, maar het kan en het lukt bijna altijd. Eber kouwt op een stuk brood. Als het goed sappig door zijn mond dwaalt, spuugt hij het in het mengsel van honing en water. Met de andere pot gaat het net zo. Een linnen doekje erover, strak om de pot gespannen doordat er vlak onder de ramd een touwtje omheen wordt gewikkeld, en dan laat je ze in de zon staan, of zet je ze ’s avonds bij het vuur. Gewoon wachten, niks doen, tot ze beginnen te geuren. Dan nog een paar dagen wachten. Het wordt genieten.  

De familie komt bij elkaar, op een avond bij volle maan. Dan kunnen ze genoeg zien als ze nog buiten lopen, buiten zitten, bij een vuur op die mooie nazomeravond het laat maken. Dan komen de verhalen. Of ze ooit waar zijn gebeurd, ze weten het niet, maar ze worden zo vaak verteld, de verhalen, dat niemand weet waar ze vandaan komen, niemand weet waar ze heen zullen gaan, en iedereen ervan geniet. Dan wordt een beenfluit gepakt. Jonge Garm speelt een melodie, Negia zingt. Ze zingt in de taal van de familie. Ze heeft zich de taal zo eigen gemaakt, dat de woorden niets meer laten merken van haar afkomst. Ze zingt een lied van liefde:

Is der iene die nog lustern wil naor echte liefde,

Iene die niet lef allint veur wark.

’t Is een old verhaal van laank eleden en ik beschrief de

Dingen gewoon zoas ik ziej en mark.

Oh…. Maj. Oh….. maj.

Zij kwaamp uut het water mit allint wat druppels an

En hij bevrèur…. vreur….. vrëur ….vreur….

Aamper tien tellen later kwamen der huppels in zien lief

Hij kreef een kleur…. kleur…. kleur… kleur….

Oh…. Maj….. Oh….. maj.

Ok al gunk hie alle kaanten op, zien maj bleef trekken.

Hij is nooit ontkomen an ’t maagies arms.

Maor soks kreeg ie ok niet in zien kop, want welke gek

En griezel gunk dan nog op zuuk naor aander warms.

Oh…. Maj. …. Oh……maj.

Tussentijds ging de gegiste honingdrank rond. De mede, oftewel mèe in de taal van de streek. Als je zo al drinkend luistert naar de bijzondere momenten uit je eigen leven, wat doet dit dan met je? Wat deed het toen met Eber en Hilde? Eber en Hilde keken elkaar aan. Dit lied ging over hen. Ze hadden hun kinderen verteld hoe ze elkaar hadden gevonden. Ze hoorden de woorden veranderen en maakten mee hoe Negia het tot lied maakte. Iedere keer weer bracht het de dagen van hun jonge jaren dichterbij. Voor Hilde de jonge jaren dat ze Eber ontmoette. Voor Eber ook de jonge jaren waarin hij ver weg een leven had met zijn eerste vrouw en vriendin. Hoe zou het met zijn kind zijn gegaan?

Als de tweede pot ook bijna leeg gedronken is, is Eber stil. Hij droomt van toen. Hij luistert, naar de mensen om hem heen, én naar de stemmen in zijn binnenste. Als ze allemaal een plekje rond het vuur binnen hebben gevonden, kruipt Hilde onder hun deken dicht tegen Eber aan. Hij voelt met haar handen over haar lijf. Ze reageert op hem, maar hij lijkt nog ver weg te zijn. Hij betrapt zichzelf erop dat hij zijn Lucia weer bij zich voelde. Hij zwijgt. Dat hoeft niemand te weten. Hilde is alles wat hij heeft en wil, hier in de hoeve in het veen.

Die nacht zweeft Ebers geest over het veen, is hij weer te paard en te voet tussen de Romeinen, voelt hij Lucia tegen zich aan, is hij ver weg in een Romeinse stad, waar hij na de slag om de ruige hoogte naar toe werd gevoerd. Die nacht lijkt hij geen tel te slapen, want al die lange jaren van zijn leven ballen zich samen in die paar uur dat hij daar met Hilde onder de deken bij de vuurplaats ligt. Zo nu en dan lijkt er een kind zijn armen naar hem uit te strekken. Hij kan ze niet vasthouden. Het grijpt, hij wil er naar toe, het kind wil met zijn armen al zwaaiend naar hem toe, het lukt niet. Dan ziet hij zijn moeder weer, Gudrun, de vrouw met de bijzondere gave te zien wat anderen nooit zagen. Ze vangt het kind op, ze troost het. Het komt wel goed. Er klinkt muziek, een liefdeslied. Dan verandert het van toon. Eber hoort een treurlied. Hij wordt wakker met hoofdpijn.

“Wat is er?”, vraagt Hilde, als ze zijn peinzende blik ziet, en merkt dat hij niets aan zijn hoofd kan hebben. “Iemand wil naar me toe”, zegt Eber. “Wat komt, dat komt”, zegt Hilde. “Heb je niet gewoon wat teveel mede gehad?” Negia lacht bij haar woorden. “Als jij zingt en lacht is alles goed”, zegt Eber. “Maar er gaat wat gebeuren. Dat moet wel. Mijn moeder was er zelfs bij.” Iedereen zwijgt. De tijd zal het leren.

De tijd haalt hen in. Vele dagen en weken reizen naar het zuiden, in een wereld waarvan Eber denkt dat die achter hem ligt, valt zijn naam. Zijn eigen vlees en bloed maakt zich op voor een reis naar een totaal nieuw begin. Ook in deze kroniek van het oude diep.

Vorig artikelHunebedcentrum opnieuw Kidsproof!
Volgend artikelThe making of… Xenusion

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.