De verloren vader

Het is stil om me heen. Er tikt een klok op de achtergrond, en mijn vingers tikken op de toetsen van het bord bij een computer. Voor mij geen smartphone om teksten op uit te werken. Dat doe je alleen als je het wilt houden bij kretologie. Het begon bij mij met een handmachine, gewoon tikken, toen een elektrische machine, toets aanduwen en een mechaniek nam het over. Met iedere keer een gelijkende snelheid, zodat de letters regelmatig waren. Zo regelmatig klonk het tikken, dat de buren boven me – op een flat in Assen – dachten dat het regende. Ze werden er klaarwakker van. Ja, want het was stil om ons heen. Midden in de nacht. Voor mij de beste tijd om mij te concentreren op het schrijfwerk. Ze hoorden het tikken op de ruit en zagen geen druppels. Nou, dan stijgt het adrenalinegehalte wel. In de stilte van de nacht. Zo tikte ik decennia verder. Zo ook nu. Er is weer wat af, of in ieder geval voor een deel af, wat begon toen ik nog gewoon brommer reed. Een rooie Kreidler Florett. En dat is al even geleden.

Mijn historische activiteiten leidden in 1977 tot een eerste publicatie, op het gebied van genealogie. Daarvoor al was de basis geboren van de cyclus over Eber, de zoon van Grieze Garm, de spil in wat inmiddels al uitgegroeid is tot vier delen over de Kronieken van het Oude Diep. Het is daarmee tevens een deel van mijn eigen levensverhaal geworden. Bij tijd en wijle voel ik me een chrononaut, waarbij ik me verdiep in allerlei tijden. Lezen over het verleden doen wel meer mensen, maar kleden die zich ook naar die periode? Proberen ze in de huid van die ander te kruipen? Hoe doen mensen, wat doen mensen, waarom zijn mensen zoals ze zijn, hoe komen ze tot beslissingen, wat beïnvloed hen? Het gaat om observeren, het gaat om verdiepen, het gaat om inleven. Dat kun je doen in de tegenwoordige tijd, zoals ik deed en moest doen tijdens mijn werkzaamheden in de psychiatrie, dat kun je ook doen met mensen in andere tijden. Voor zover dat binnen ons vermogen en onze kennis ligt. Ga je verder, dan kom je in de wereld van de historische fantacy. Dat gebeurde dus met de Eber-cyclus. Hoe kwam dat op gang?

Toen ik een jaar of 16, 17 was, las ik in een boek informatie over een vondst van sporen van een hoeve, aan de Riegshoogtendijk. Op de rand van het veen, in het veengebied zelf. Op een zandkop. Wie waren dat hoe leefden de mensen toen? Het leidde tot een 1-april grap, opgezet met Bertus ten Caat. De krantenknipsels werden zo serieus opgepakt, dat ze in het Drents Museum in de knipselmappen terecht kwamen. Dan moet je achteraf mensen uitleggen dat het toch echt niet waar is en geen archeologische vondsten zijn geweest, zo goed was het blijkbaar opgezet. Op de foto stond ik met een hoedje van mijn vader op, pijp van opa in de mond, archeoloog A.Timmerman, die bijzondere vondsten had gedaan, te zien daar en daar. Kijk dan eens naar die foto, herken je die man? Ja, dan vallen kwartjes. Maar de knipsels verdwenen niet uit de map. De archeologische vondsten waren zogenaamd gedaan bij het graven van de visvijver bij de recreatieplas Schoonhoven. Jajajajaja…..

Zo nu en dan stak Eber weer de kop op, in mijn vragen over het verleden. Je leeft verder. Dan ben je getrouwd en zit je met vrouw en kleine kinderen op een mooi stuk zandstrand, onder een parasol of in de schaduw van een boom. De een houdt van water en zon, de ander van schaduw. Jazeker, dat water leerde me ook wel kennen, wat mooi als je terugdenkt aan die plezierige jaren met je kleine kinderen bij de recreatieplas Schoonhoven….. Maar als er toch iemand op de tassen en zo moet passen, laat mij dan maar zitten in de schaduw. Laat mij maar schrijven. En zo werden de eerste hoofdstukken van de eerste versie geboren van het levensverhaal van Eber.

Een eerste publicatie in het Drents volgde in de Hoogeveense Courant. De oerversie was kort, besloeg alleen wat later in het eerste deel van de kronieken terecht zou komen, en was niet wat ik er eigenlijk mee wilde. Teruglezend, enige tijd daarna, kwam er veel meer in me naar boven. Het was alsof iemand via mij wat wilde vertellen. Dat klinkt rijp voor de psychiatrie. Dat is echter wel de ervaring van meerdere schrijvers, die zich dermate in een tijd en een persoon zijn gaan verdiepen, dat hun romanfiguren hun eigen leven te gaan leiden. Daar kwam nog bij dat je met het Drents langzamerhand je publiek dreigde kwijt te raken. Het ging me niet gemakkelijk af, daarvoor is me het Drents te dierbaar, maar ik moest kiezen voor een vertaling en uitbreiding in het Nederlands.

Zomer na zomer ging voorbij. Vader Albert nam altijd wel een pen en een schriftje mee, als we ergens op vakantie waren. Moeder las, vader las ook, maar vader schreef tussendoor des te meer. De computer kwam in huis. Stukje bij beetje werden de teksten daarop uitgewerkt en weer aangevuld. Musea steunden mij daarbij, zonder dat ze dat wisten. Je ziet iets, wat past in Ebers tijd. Je schrijft het in, in het verhaal. En welke tijd hebben we het eigenlijk over. Eber ‘vergleed’ in de tijd. Hoe meer er op papier kwam, hoe helderder mij werd, dat het levensverhaal het best plaatsbaar zou zijn in de periode voorafgaand of net aan het begin van de Grote Volksverhuizing. Het meisje van Yde, de hoofdman van Wijster, een geldbeurs in het Drents Museum, Rode Frans uit Hannover, een masker uit een Groninger wierde, en zoveel andere vondsten, ze kregen een plaats, zonder zo duidelijk genoemd te worden. Ze inspireerden, zogezegd. De digitale camera hielp me daarbij. Alles hoefde niet meer herinnerd te worden. Je kon professioneel fotograferen onder moeilijke omstandigheden. Ook thuis kwamen de beelden weer tot leven, als je ’s avonds laat in alle stilte digitaal foto’s aan het doorbladeren was.

Was het alleen inspiratie? Of gebeurde er wat anders? Rudolf Steiner schreef over de Akassa-Kronien. Alles wat een mens ooit gedaan en gedacht heeft, je kunt het ‘zien’, ‘voelen’, ‘beleven’, als je er de gave voor hebt. Jung had het over een collectief onderbewustzijn, waar deze dingen ook in zijn vastgelegd. Tal van stromingen spreken over vorige levens, waarvan via ons onderbewuste contact mee te maken is. Albert Einstein maakte duidelijk dat tijd relatief is. Een dimensie. Alles gebeurt tegelijkertijd, wij verglijden langs lijnen in die dimensie, maar kunnen mogelijk soms contact maken met het verleden. Als je de gave ervoor hebt. Dat zeggen anderen dus weer. Alles waar emoties mee gemoeid zijn, blijft hangen aan omgeving, plaats, stoffelijke zaken waar je mee in contact komt. Dat zegen paranormaal begaafde mensen wel, als ze met me in gesprek komen. Engelsen zijn een volk dat bij uitstek de verhalen levend wist te houden over de geesten, de mensen uit andere tijden. We kunnen ze ontmoeten. Daarvoor hoef ik niet bij Engelsen te zijn. Het oude volksgeloof in Drenthe had het ook over ‘naolopers’, de zielen van de doden. Ze bleven waar ze een onrustige dood stierven. Noem het anders escapisme, of haal er een psycholoog bij en analyseer alles als het verwerken van mijn eigen levensproblematiek, vooruit, ik geloof u hoor. Halen we er nog theorie en ervaringen met psychotisch gedrag, profeterende christenen van de charismatische- en pinksterbewegingen of met bomen communicerende mensen bij (sommige bomen op de Veluwe leven al sinds de Romeinse Tijd, dus waarom ook niet in Drenthe!) dan heb ik verklaringen genoeg om mijn ervaringen te kunnen plaatsen. En geloof me, alles is al eens tegen me gezegd, als men in verwondering door mijn teksten las en een en ander wilde verklaren.

Voorlopig hou ik het op de creatieve schrijversgeest en pingpongen met mijn ondebewuste. Mijn associaties roepen nieuwe op, zo gauw ik een boek lees, een museumstuk zie, of nieuwe ervaringen opdoe met living history, experimentele archeologie of wat dan ook. De associaties worden zo mogelijk getoetst aan kennis. Dan wordt er een figuur gekozen, bij wie een en ander past. Soms worden nieuwe geboren. Zo groeien er nieuwe teksten op oudere ondergrond. Ze plaatsen zich in de Kronieken van Eber en het Oude Diep. Zo lang ik besef dat dit niet mijn persoonlijke realiteit is, maar die van de steeds groeiende verhaallijnen en romanfiguren, hoef ik me over mijzelf geen zorgen te maken. Alhoewel, als mijn verhaallijnen nog eens leiden tot nieuwe archeologische vondsten, of interpretaties, wat zou dat dan betekenen? Grapje, tenzij…. Laat maar.

Voorafgaand aan de publicatie van de hele cyclus via de website van het Hunebedcentrum werd bij een zoveelste doorleesbeurt de tijd scherp en werd scherp dat het zou gaan over een trilogie. Als ik dit opschrijf, is ook dat al van de baan. Deel 3 is afgerond, vandaag, 25 oktober 2022. Maar ik kwam maar half in. Er is een sprong in de tijd, half in deel 3. Er zijn nog losse stukken, die herschreven moeten worden. Ik voel verhaallijnen opkomen. Misschien nog nieuwe personen. Kortom, het wordt een vierluik… waarvan ik zelf nu nog niet eens weet hoe dat lopen gaat…. en we gaan nu over tot deel drie daarvan.

Vorig artikelLaatste Oerweekend 2022 flink bezocht
Volgend artikelOver goud, koper en brons – deel 19

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.