De verloren vader

Wolte vertelde over mijn groot- en overgrootvader. Hij beschreef me de weg naar hun dorp, ver in het noorden. Ze waren al jaren dood. Hun nazaten zullen er nog steeds wonen. Wolte vertelde wat hij wist. Dat was veel, erg veel. Over zichzelf was hij wat zwijgzaam. Voor mij was het niet genoeg. Veel was te weinig. En ik had ook het idee dat hij nog heel wat verzweeg. Mijn moeder moest ook meer weten dan ze veinsde. Ik stapte de dag erop naar haar toe. “Moeder, ik heb van Wolte gehoord wat mijn vader hem over mijn voorouders vertelde. Waarom heb jij me daar niet meer over willen vertellen? En waarom mocht ik niet weten dat mijn vader Eber heette” Mijn moeder gaf geen antwoord. “Moeder, ik ga mijn familie zoeken.” “Zoek hen niet”, was haar reactie. “Je jaagt illusies na!” Meer wilde ze er niet van zeggen. Ik wilde meer weten over mijn vader. Ik vroeg Wolte wie er allemaal gewerkt hadden bij mijn ouders, in de dagen dat mijn vader nog leefde. Hij gaf me tal van namen. De meeste mensen waren in die tijd net als mij kinderen geweest, en inmiddels verkocht aan anderen. Eén vrouw zou nu nog kunnen leven. Ze was kort na mijn geboorte overgedaan aan een ander gezin in Bonna.

Het is wel gebruikelijk om je voor je buren en collega’s te interesseren, maar het is hoogst ongebruikelijk om interesse te tonen voor diens slaven. Zomaar naar de slavin toegaan en een paar avonden blijven praten, zou mensen voor het hoofd stoten. Een man van mijn stand deed dat niet. Nu stierf in die dagen net een huishoudster van mijn moeder. Ik kwam een paar dagen later met een nieuwe op de proppen. Ik had de vrouw teruggekocht die mijn vader gekend had. Omdat ze ook toen al bij ons in de huishouding werkte, moest ze mijn vader erg goed gekend hebben en leek me de investering de moeite waard. Moeder had weer een huishoudster en ik kon haar rustig uithoren. Ik dacht dat ik er goed aan deed. Er werd toch weer een vertrouwd persoon in huis gebracht?

Mijn moeder was woedend toen ze ervan hoorde. Hoe had ik dat kunnen doen, die teef had gestolen, ze loog, ze was hoogst onbetrouwbaar, die tochtige koe. Ik vroeg Wolte of dat zo geweest was. Wolte wist daar absoluut niets van. Was dat écht zo geweest, dan had men haar voor het oog van de andere slaven gegeseld. Ik wist vanaf dat moment dat mijn moeder iets te verbergen had en dat de slavin er meer van wist. Inmiddels had ik binnen de woning van mijn ouders enkele eigen kamers. Om mijn moeder niet teveel met de slavin te confronteren zette ik haar in bij het onderhouden van mijn eigen verblijven. Ze zei niet zoveel. Praten had eigenlijk geen zin. Als ik haar vragen stelde leek ze angstig te worden. Ik confronteerde haar daarmee. Had mijn moeder haar verboden te praten? Ik werd woedend en sloeg haar in een driftbui. Ze smeekte me dat niet weer te doen. Zij kon er ook niets aan doen dat ze niets mocht vertellen. Nog diezelfde avond ben ik naar de kamer van mijn ouders gestapt. Ik eiste van mijn moeder uitleg. En als ik die niet kreeg, sloeg ik mijn slavin net zolang tot ik alles wist wat ik horen wilde, zo zei ik. Het spreekt niet in mijn voordeel, maar ik was ten einde raad.

Het was dat Jochanan mij zo goed begreep. Hij zei, dat ik het recht had te weten wat van belang was rond mijn afkomst. Ik moest weten hoe mijn vader geweest was, waar mijn familie woonde en waarom mijn moeder er niet van wilde weten. Jochanan leek zelf ook niet veel te weten, en was net zo betrokken geraakt bij dit geheim, als ik dat al was. Onder deze druk bezweek mijn moeder. Ze sloot zich huilend op in haar vertrek. De dag erop kwam ze bij mij. Ik moest het dan maar weten. Ze vertelde dat ze aanvankelijk geen kinderen hadden gehad en dat ze daarmee hadden leren leven. De reden daarvan was haar aanvankelijk niet duidelijk geweest. Nadat ze zwanger van mij was geworden, werd mijn vader stiller en stiller. Hij zei niet zoveel meer tegen mijn moeder. Tot op die avond dat hij dronken en wel haar slaapkamer binnenkwam. “Vertel me nu maar eens wie de vader is”, zei hij, wijzend op mijn moeders buik. Mijn moeder stamelde nog: “Jij natuurlijk!”, maar dat had geen zin meer. Mijn vader vertelde als jonge soldaat gevangen genomen te zijn. Hij was zo gemarteld, dat hij kinderen wel kon vergeten. Het beste bewijs was hun jonge slavin geweest. Als mijn vader kinderen had kunnen krijgen, was zij al lang zwanger geweest. Was dit de waarheid?

“Vrouw, lieg die jongen niet langer voor. Gesel mij maar dood, maar Julius heeft het recht te weten wie zijn vader is. Ik zwijg niet langer!” Wolte stond voor het open raam. Hij had alles gehoord. “Jij bent niet eens de moeder van deze jongen!”, zei Wolte. “Vertel hem ook wie zijn moeder is, voor er ongelukken gebeuren!”. Op die woorden van Wolte kwam de oude slavin, de huishoudster naast Wolte staan. “Vertel hem van zijn vader, vertel van Eber, en vertel hem van zijn moeder, die stierf toen hij geboren werd. Vertel hem van van wat ik voor hem heb betekend. Ik was voor hem als een moeder. Ik voedde hem 5 jaar lang op!”. Mijn pleegvader Jochanan was verbijsterd. Welke leugens had ik mee moeten leven, maar welke leugens heeft de vrouw des huizes, zijn echtgenote, hem ook mee opgezadeld?

Het duurde nog een dag of wat. Het was ijzig stil in huis. Wolte bleef vertellen. Over hoe hij samen met mijn vader Eber als soldaat in Romeinse dienst was getreden, hoe ze terug waren gekeerd, hoe hij, Wolte, als een eerloze was gezien, maar ook hoe hij, Wolte, een rol had gespeeld bij de strijd om hun families vrij te houden, toen vijandelijke stammen hen leken te overlopen. Dat doorbrak de stilte. De ijzigheid werd pas echt doorbroken, toen mijn pleegmoeder – want dat was ze – ook begon te vertellen.

Pleegmoeder vertelde over Eber, de mooie slaaf, die tijdens mijn vaders afwezigheid haar bed gedeeld had. Ze had met hem gespeeld. Ze had zoveel spijt, maar ze kon niets terugdraaien. Ze was eigenlijk gewoon jaloers geweest op dat mooie kind, dat Eber bij een slavin had verwekt. Dat kind, Julius, dat was ik. Vader Eber was kort daarop ontsnapt. Hij had mij meegenomen. Tijdens een strafexpeditie van Romeinse soldaten op de andere oever van de Rijn waren familieleden van mij gedood. Wolte was gevangen genomen. Ik ook. Ik had me vastgeklampt aan Wolte. Ze besloot mij te kopen, om me op te nemen als de zoon, die ze als kinderloze vrouw zo graag had gehad. Ze kocht Wolte erbij, omdat ik anders kapot zou gaan van verdriet. Er was geen twijfel over mogelijk. Mijn vader was mijn vader niet. Mijn moeder was mijn moeder niet. Ik was de zoon van Eber, de zoon van de Grote Moeder, zo werd hij genoemd. Ik had geen idee in die dagen wat men bedoelde met die Grote Moeder. Ik was de zoon van Ebers vrouw, in de dagen dat hij als stalknecht op dit landhuis had gewoond. Mijn wortels lagen in een land ver in het noorden. Ik moest naar Drenthe, wilde ik mijn familie vinden. Of toch over de Rijn. Het was allemaal verwarrend, en tevens een uitdaging waar ik uit wilde zien te komen.

Ik ging inkopen doen. Mooie, gladde papyrusstroken, aan elkaar genaaid en gewonden om een houten staaf, beschermd bij elkaar gehouden in een koker. Nog maar een papyrusstrook, oftewel: een volgende boekrol. Een nieuw scherp mesje, om pennen te snijden. Goeie veren, snijden zou wel goed komen, en later waren er wel andere veren ter aanvulling te vinden. Een flinke hoorn vol goeie inkt, een vijzeltje en stampertje om zelf inkt te maken met wat ik onderweg zou vinden. Zo bereidde ik mij voor. Op wat? Ik wist het nog niet. De verwachting was in ieder geval dat het een lange tocht zou kunnen worden. En alles wat ik hoorde, alles wat van belang zou kunnen zijn, zou vastgelegd worden.

Vorig artikelLichtjesavond bij het grootste hunebed
Volgend artikelFoto’s Orange the World

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.