NOORDWAARTS MET DE HANDEL – Hoofdstuk 9

1
238
De verloren vader

Daar zijn we dan, Noviomagus. Of wat er nog van is. Het is niet meer de glorieuze stad van weleer, nu de Romeinen hun grenzen beginnen te verslonzen. Wat interesseert het ons ook. We zoeken een contactpersoon. Iemand die ons verder naar het noorden kan helpen. Hij moet een brief van mijn pleegvader ontvangen hebben. We vinden hem. Augustus, een zoon van Antonius van Noviomagus, bleek de leiding van de expeditie naar het noorden op zich genomen te hebben. Uit de verhalen van Wolte had ik al heel wat van zijn familie gehoord. Ik heb hem maar niet precies verteld wie ik was en wie mijn “oom” in werkelijkheid was. Die “oom” die zonodig mee wilde naar het noorden. Wat had hij daar te zoeken, vroeg Augustus enerzijds nieuwsgierig en anderzijds als expeditieleider vanuit veiligheid. Dat dacht ik toen, niet wetende wat er nog meer broedde. Hij moest weten hoe of wat. Ach, laat die ouwe man, zei ik, je weet hoe ouwe lui soms zijn. Augustus lachte wat. Ja, zo’n pa had hij ook gehad, en liet het verder rusten. We zetten onze tocht over water voort via de IJssel en gingen vervolgens met alle mensen aan wal. Lopend, soms te paard, maar dan nog langzaam, want de meesten van ons liepen en bleven lopen.

Onder het mom van interesse in de barbaren uit het noorden, kreeg ik Augustus, de leider van de handelsexpeditie, tijdens de vele lange avonden dat wij ons samen moesten zien te vermaken een paar keer aan de praat. Hij vertelde over het leven langs de noordelijke grens van het Rijk, en vroeg tussen neus en lippen door dingen over de noordelijke volken en families. Gek eigenlijk, hij was er al een paar keer geweest. Hij kon zelf meer weten dan wij vertelden. Voor de rest was de tocht vooral saai en ik zal u daar verder niet mee vermoeien. De oude Wolte leed flink onder de tocht. Velen snapten niet waarom zo’n oude man zo”n lange tocht wilde maken. Ook niet onze eigen Tencteri. We maakten ze maar niet wijzer. Ik maakte mij wel zorgen om Wolte. Hij ging naar zijn geboortegrond om daar te sterven, want op die leeftijd zou je geen nieuw leven mogen verwachten, maar ik twijfelde eraan of hij het eind van de tocht nog wel zou halen. De expeditie zou in de periode rond de Lotting ongeveer tien dagen in Drenthe blijven. Die tijd zou ik zowel voor mijn speurtocht naar mijn familie als voor mijn handelen moeten gebruiken. Ik zou dan tevens een regeling moeten zien te treffen om het definitieve verblijf van de families rond zien te krijgen. Als die tijd te kort zou zijn, zo vertelde ik Augustus, dat zou ik de terugtocht later maken. Nee, hem vertelde ik natuurlijk niet over over vestiging in Drenthe.

Augustus zou dan enkel en alleen met zijn kleine escorte en zijn eigen mensen terug moeten reizen. Ik zou dan later wel volgen met mijn eigen groep. Volgens de andere kooplieden was zoiets ondoenlijk. Het was gewoon zelfmoord. Zelf had ik wat meer vertrouwen in mijn eigen volk. Zo hield ik de schijn op. Veel van de reistijd werd dan ook besteed aan het in me opnemen van de omgeving en het inprenten van herkenningspunten. Ik wilde de weg leren kennen, voor het geval ik later alsnog weer naar het zuiden wilde reizen. Wolte hielp mij bij het laatste. Hij had de tocht al zo vaak gemaakt, dat hij precies wist waar hij langs moest. Hij maakte me zelfs opmerkzaam op mogelijkheden om kortere wegen te nemen. Als ik met een klein escorte zou reizen zou ik wegen door bossen en langs beekjes kunnen nemen waar een expeditie met veel handelswaar zich niet langs waagt. Hoe Wolte dat allemaal zag? Wonderen gebeuren blijkbaar. De goden zijn grillig, ze gebeuren niet vaak, maar met Veleda in de buurt, de oude vriendin van Wolte, is er heel wat mogelijk gebleken. Wolte had net als alle andere slaven veel van het zelfde voedsel gekregen. Dat had zijn spieren verzwakt en dat had zijn zicht sterk verslechterd. Veleda voerde hem zoveel fruit, vers vlees, kruiden, groene planten en ander spul, dat hij op zijn hoge leeftijd weer sterk leek te worden als een jonge kerel, alles weer zag, en op een morgen zelfs blozend onder zijn deken vandaan kwam, en vertelde dat ‘het’ met Veleda ook weer prachtig was gegaan. Ze gaf hem een draai om zijn oren……had een ander niks mee te maken…..

We zagen veel. Ook de restanten van dorpen, waar om gevochten was. Ik sloeg het in me op, en liet het aan me voorbij gaan. Ik liet me ook niet bang maken door de doodshoofden die we bij de grens van Drenthe op enkele plaatsen langs onze route aantroffen. Ze grijnsden ons aan alsof ze zeggen wilden: “Ga naar huis, het kan nu nog!” Wolte moest lachen om de reacties van de handelaren en begeleiders die voor het eerst hier kwamen. Deze leken er onzeker door te worden. Wolte vertrouwde me toe, dat dat de bedoeling was. “Die Drenthen slaan nog geen vlieg dood voor ze onder de bulten zitten! Maar als ze moeten vechten hebben ze er alleen maar baat bij als hun tegenstanders bij voorbaat al onder de indruk zijn. Als ze dat van tevoren niet zijn, zullen ze dat zeker niet worden van hun slagkracht.” Ik herinnerde Wolte aan Eber en de Slag om Riegshoogte. Daar wilde hij in dit geval niets van weten. “Hoeveel Ebers zijn er? Hoe vaak wordt een leider geboren die een stam zo kan stimuleren als hij? En hoe vaak denk je dat hem dit zal lukken?” Ik wist op geen van die vragen een antwoord. Ik hoopte ze ná deze tocht te kunnen geven, als ik Eber had leren kennen. Ik moet de lui niet te benauwd maken, vertrouwde Wolte me in stilte toe. Als ze niet verder willen, zijn we onze beveiligers kwijt. De Romeinen vallen ze niet aan, maar als die weg zijn? Reken maar dat wij ons eerst moeten bewijzen, voor we van onszelf veilig zijn. Voorlopig waren we een Romeinse handelsmissie, zoals die jaarlijks naar Drenthe kwam.

De oude Wolte zei vroeg niets meer toen we eenmaal voorbij de doodshoofden waren. Hij was diep onder de indruk van de beleving weer thuis te zijn. Thuis? Hij durfde geen contact te zoeken met mogelijke familie. De boerderij van zijn voorouders moest nu wel in handen zijn van de één of andere onbekende oomzegger. Maar wat wist die van hem? Als er al over hem verteld was – en misschien was dat zelfs al niet meer het geval, omdat een uitgestotene ook doodgezwegen kon zijn – zou het verhaal voor de jongeren voldoende kunnen zijn om hem de deur te wijzen. Maar wat dan nog? Dit was zijn thuis. Al moest hij ook weer leven als vluchteling, al was een eenvoudige hut zijn deel, hier hoorde hij. Hier wilde hij leven, samen met zijn Veleda. Hier wilde hij sterven. Maar nu nog niet. Nog lang niet. Niet voordat hij zin oude kameraad Eber weer had ontmoet. Als die nog zou leven. In afwachting van de Lotting, waar hij mogelijk oude bekenden zou kunnen zien, bleef hij in ons kamp. We sloegen ons kamp op aan de rand van het woud, dichtbij de plaats waar de vrijen en boeren over enkele dagen hun bijeenkomsten zouden houden.

De eerste handel kwam al op gang voordat de massa toestroomde. Eerlijk gezegd kon het me niet zoveel schelen of er wat te handelen viel. Onder andere omstandigheden had ik veel meer genoten van het kostbare bont dat ik na enige dagen het mijne kon noemen. Dit keer was ik veel te opgewonden en blijkbaar veel te openhartig wat betreft het doel van mijn tocht. Waar ik ook kwam en wie ik ook sprak, ik informeerde naar Eber bijgenaamd de zoon van de Grote Moeder. Leefde hij nog? Leefde er nog familie van hem? Ik vond geen gehoor. In het meest positieve geval vroeg men nog even waarom ik wat over hem wilde weten – ik zei veel van die bekende man gehoord te hebben – maar meestal ontkende men direct iets van hem te weten. Hun ogen en hun gezichten zeiden me genoeg. De Drenthen verborgen veel voor me. Ze wilden me niet verder helpen. Ze vertrouwden ons gewoon niet. Teveel vragen zo ook teveel vijanden kunnen maken. Stel je voor, mijn familie, en mijn vijanden, gewoon omdat ze me niet kenden en niet konden kennen. Wolte kreeg dit ook door. Hij vertelde mij dat Eber wat voor de Romeinen te verbergen had. Het lag voor de hand dat een ontvluchte slaaf geen contact met hen wilde. Blijkbaar wist men dat en beschermde men hem. Omdat dit zo massaal gebeurde, moest hij wel erg belangrijk voor hen zijn. Wolte wist een manier om dit te doorbreken, al zette hij daarbij wel zijn eigen anonimiteit op het spel. De eerstvolgende keer dat ik naar Eber vroeg en een gezicht weinig goeds voorspelde, zei hij: “Doe hem de groeten van Wolte van de Riest!” “Zo”, zei Wolte achteraf, “die geeft de boodschap wel door.” We volgden van op afstand de beraadslagingen tijdens de Lotting. Na afloop deden we nog goede zaken. Verder verzamelde ik enkele opvallende eigenaardigheden, die mij aangeboden werden. Stokjes met runetekens, barnsteen met een beestje erin, hoorns van een enorme stier, die prachtig bewerkt waren. Ik wilde iets meenemen uit het land van mijn voorouders, als ik ooit weer naar huis zou gaan, en een deel van dit land bij mij in huis hebben, als ik hier zelf een hoeve zou bouwen. De tijd zou het leren hoe het zou gaan. Het mooiste kwam tegen de tijd dat we op wilden breken. Er kwam een man op ons af. “Jullie zoeken Eber?”, vroeg hij. “Kom vanavond met jullie beiden naar de grote eik, aan de rand van het woud! Kom als de maan hoog staat.”

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.