DE ONTMOETING MET DE SEKTE – Hoofdstuk 16

0
225
De verloren vader

Eber was, nadat we uit elkaar gegaan waren, teruggegaan naar de herberg met de vis in het tafelblad, waar hij het teken ook op tafel had uitgetekend met zin vinger. Hij dronk er wat. Op een rustig moment was hij naar de waard gestapt met de vraag wat die vis betekende. “O, zo maar”, zei de waard. “O, dan heb ik toevallig ook zomaar net zo’n visje!”, zei Eber. Hij haalde een bronzen visje uit zijn buidel. De waard keek hem aan. Hij keek eens naar Wolte. “Praten jullie maar”, zei Wolte. Ik ga wel genieten van wat ik allemaal op straat zie.

Een bronzen visje. De waard pakte het in zijn hand. “Hoe kom je eraan?” “Gekregen, van een zekere Dyonisius” “Dat is lang geleden”, zei de waard. “Meer dan vijftig jaar al, denk ik. Hoe kom ik aan meer van die visjes?  Ik zoek de mensen die ze maken en verspreiden.” Bij die woorden keek de waard hem nog eens strak aan. ‘Was jij ook niet degene die het visje op tafel leek te tekenen, die het brood brak, kruimelde en er zijn vingers door haale?” “Dan zal dat ook wel toevallig zijn geweest”, zei Eber. “Kom vanavond terug… ” Eber ging. Hij doodde zijn tijd op een markt, kwam Wolte nog es tegen, ze praatten wat en lachten wat,  en Eber liep nog een paar keer twijfelend langs de herberg. Hij genoot van de mooie paarden, die daar van de rijkste Romeinse stallen door Rome liepen. Hij genoot van de militairen, hun wapens, hij keek zijn ogen uit. En iedere keer weer schrok hij op, als hij al genietend weg leek te dromen, en hij ineens dacht dat hij Hilde zag. Of zijn dochter Akke. Natuurlijk zag hij die niet, maar was het dan iemand die erop leek? Of zat hij onbewust in het diepst van zijn ziel ook nog bij thuis? Vast.

Die avond meldde hij zich volgens afspraak bij de waard. Deze verwees hem naar een man in een donkere hoek van de herberg. “Loopt u mee?”, zie de man. Buitengekomen vertelde hij zo voorzichtig te zijn omdat je ook tegenwoordig niet wist of je je geloof in de Onzichtbare God en de messias wel open kon belijden. Als je er met vrienden over sprak kon dat wel, zoveel tolerantie was er wel, maar er waren nog altijd mensen die er plezier in hadden om je overal van te beschuldigen. De oude broeder uit verre streken kon met hem gerust spreken over zijn geloof. Wat kon hij voor hem doen. “Maak me eerst maar eens duidelijk of ik je vertrouwen kan”, zei Eber, achterdochtig geworden door teveel plotselinge openheid. “Mij vertrouwen?” De man schrok ervan. “Hoe weet ik zeker of ik ú vertrouwen kan?”, was zijn wedervraag. Eber begreep dat ze zo niet verder kwamen. Hij besloot de gok maar te wagen. Als hij dat niet deed, en de man hoorde wél bij de gelovigen, dan zouden ze hem nóóit vertrouwen en was zijn tocht voor niets geweest. Eber vertelde hem van zijn doop, lang geleden, van zijn vlucht naar het noorden, van zijn ontmoeting met het liefdevolle licht en de boodschap dat hij nog te vast aan zijn oude leven zat om te kunnen blijven. De man stelde zich daarop voor als Soter, één van de oudsten van de gemeente van Rome. “Kom maar mee, we zullen er samen in alle rust over praten.”

Eber werd voorgesteld aan Miltiades, een Afrikaan, de opzichter van de gemeente, en de leider van de oudsten. In zijn achterkamer spraken ze over de boodschap van de zoon van de Onzichtbare God, diens lijden en sterven en diens verhaal van de rijke jongeman die wegliep toen hem gevraagd werd al zijn bezittingen weg te geven. Miltiades las voor uit boeken over deze dingen. Mooie gerolde papyrusboeken, met schrift dat velen waardeerden en als magisch beschouwden, maar slechts weinigen konden lezen. Samen kwamen ze tot de conclusie, dat Eber vroeger een visioen moet hebben gehad, waarin de Onzichtbare God tot hem gesproken heeft. Hij vroeg minder waarde te hechten aan zijn bezittingen in dit leven, omdat dat zijn volgende leven in de weg stond. Voor Eber ging een wereld open. Dat hij op zijn oude dag nog zoveel inzicht mocht verwerven! Had hij dit alles vroeger maar geweten, toen zijn leven nog voor hem lag. Nu ligt nog slechts het restant van de genade voor hem, waaruit iedere keer weer een dag geplukt wordt die de laatste kan zijn. Eigenlijk had hij het al lang kunnen weten. Was hij niet ook slaaf geweest, was hij niet vriendschappelijk omgegaan met slaven, en dan toch nog niet snappen dat je de onvrijen thuis gewoon in volle waardigheid de vrijheid had moeten geven? Iedere keer weer leek hij dicht bij een nieuwe lichtervaring te zijn, en iedere keer weer werd de sleur van het ‘gewone’ leven baas over hem.

Eber schrok zelf van deze gewaarwording. Maar hij had toch Hilde en zijn kinderen? Hij was toch ook gewoon een vader en een leider voor de families, die wat van hem verwachtten? Hij kon alles toch niet zomaar achter zich laten? Zou de Onzichtbare God dat dan van hem verwachten, dat hij daarmee zou breken? Of zou die Onzichtbare God juist willen dat hij met zijn ervaringen en alles wat hij geleerd had, ook van Dyonisius, en nu ook van Miltiades, een vader voor zijn stam zou zijn? Hoe meer hij erover nadacht, hoe moeilijker het leek te worden. Metiates hoorde zijn twijfels aan. “Jij leeft waar jij leeft”, zei hij toen. “Jij hebt een plaats gekregen waarin jij jouw taken moet oppakken. In die taken kun jij je nieuwe leven en keuzes tot uitdrukking brengen, anders had je die niet gekregen”. Ook dat was een wijze van zien.

Laat op de avond verliet Eber de woning van Miltiades, maar niet zonder de belofte de eerstvolgende zondag aanwezig te zullen zijn bij een dienst van gebed, zang en prediking. Ik lag al op mijn leger toen mijn vader in de herberg de zijne opzocht. Ik kon niet slapen. Mijn gedachten waren teveel bij wat Cornelius gezegd had. Mijn vader zag dat ik wakker was en vertelde over zijn geweldige dag en geweldige avond. De avond van zijn leven. Ik vertelde hem dat hij bij de Jodenhaters hoorde, de vijanden van mijn pleegvader Jochanan. Ik vertelde van alles wat ze op hun geweten hadden. We maakten ruzie. Voor het eerst van mijn leven had ik ruzie met mijn echte vader. Dat kon dus ook nog. We bleven niet kwaad. Het suste wel weer. Ach, we moeten maar zien wat het wordt, zoiets. Mijn vader slaapt inmiddels. Ik zit hier te schrijven bij een olielampje. Ik werk teksten bij, met de vele herinneringen die mijn vader allemaal met me heeft gedeeld. Ik beschrijf de afgelopen dagen. Voor zover ik dat kan. Hoe meer ik van mijn vader hoor, hoe meer vragen er komen. Ik heb vragen genoeg. Wie heeft de antwoorden? Ik heb er in toegestemd dat we die samen bij Miltiades gaan halen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.