Van Groningen naar Borger – collectie Natuurmuseum naar Hunebedcentrum

0
344
006 Kalksteen met twee vlakke dorsale klephelften van de brachiopode Strophomena pecten. Brachiopoden waren veelvoorkomende schelpdieren met een boven- en onderklep. Brachiopoden zijn op een paar soorten na uitgestorven. Deze dieren zijn niet verwant zijn aan onze huidige strandschelpen. Dit zijn mollusken.

Een hoop zwerfstenen opnieuw op reis

Bij zwerven denk je al snel aan reislustige mensen of erger nog aan daklozen. De zwervers in dit verhaal zijn ander, nl. zwerfstenen. In de ijstijd kwamen deze via allerlei om- en kromwegen na een lange reis op hun bestemming aan. Reizen zit zwerfstenen zogezegd in hun bloed. Maar er zijn grenzen.

De bodem van Nederland zit vol stenen en dat al honderdduizenden jaren. Op sommige plaatsen liggen ze aan het oppervlak, op andere plaatsen zijn ze toegedekt door zand, klei of veen. In Midden- en Zuid-Nederland vinden we vooral rivierstenen. Deze zijn in het verleden door Maas- en Rijnwater aangevoerd. In Noord-Nederland zijn de stenen in de ijstijd met gletsjers uit Scandinavië naar ons land komen afzakken. Hoewel alle stenen in onze bodem zwerfstenen zijn, is deze uitdrukking toch vooral verbonden met de kleine en grote keien, waar Drenthe om bekend is. Ze staan bekend als noordelijke zwerfstenen.

001 Drentse zwerfkeien ofwel noordelijke zwerfstenen zijn in de voorlaatste ijstijd door gletsjerijs uit Scandinavië naar onze contreien vervoerd.

Noordelijke zwerfstenen komen uit Scandinavië, met landen als Zweden en Finland als belangrijkste bron. Door een speling van de ijstijdelijke natuur zijn in de voorlaatste ijstijd, zo’n 155.000 jaar geleden, in het Hondsruggebied door een aparte ijsstroom enorme hoeveelheden zwerfstenen uit het noorden van Scandinavië aangevoerd.

Deze stenen vormen een afspiegeling van de rotsbodem in de noordelijke landen. De soortvariatie is enorm. Dit heeft te maken met de lange en zeer ingewikkelde geologische ontstaansgeschiedenis. Er schuilen soorten onder, zoals zandstenen, die veelal in de kustzones van ondiepe zeeën zijn ontstaan of in woestijnen. De vorming van granieten, gneizen en allerlei vulkanische gesteenten is een stuk gecompliceerder. Veel granieten ontstonden op diepten van vijf kilometer en meer in de aardkorst. Gneisgesteenten gaan nog een stuk verder. Deze ‘zagen het daglicht’ tijdens grootschalige aardkorstvervormende processen, waarbij gebergteketens ontstonden. Dit soms op diepten van vele tientallen kilometers

002 Precambrische zandsteen met fossiele golfribbels. Golfribbelstructuren ontstaan vooral door stromend water. Ze ontstaan op de bodem van rivieren, in riviermondingen, aan stranden en ook op de bodem van ondiepe zeeën.

Zwerfstenen verzamelen voor de wetenschap

In de loop van de 19e eeuw werd duidelijk dat de aanwezigheid van Scandinavische zwerfstenen en de bodemlagen waarin deze voorkwamen te danken was aan gletsjerijs. In Zwitserland had men sporen gevonden, die er op wezen dat in het verleden sprake was geweest van langdurige koudeperioden. IJstijden dus. In het koude klimaat ondergingen gletsjers een grote uitbreiding. Na verloop van tijd bedekten deze grote gebieden. Ronduit revolutionair was de ontdekking van gletsjerkrassen in Noord-Duitsland op kalksteenlagen in de buurt van Berlijn. Dit was in 1875. Het begrip ijstijd kreeg toen ook in Noord-Duitsland handen en voeten. De ijstijdtheorie die voor Noord- en Noordwest-Europa ontwikkeld werd, veroorzaakte in de geologie een revolutie. Tijdens opeenvolgende ijstijden ontstonden in het bergland in Scandinavië telkens gletsjers. Deze groeiden aaneen en vormden uiteindelijk een grote aaneengesloten ijskap, die steeds meer land bedekte.

Toen het begrip ijstijd eenmaal in de wetenschap was aanvaard, zochten onderzoekers naarstig naar bewijzen voor de aanwezigheid van gletsjerijs. In ons land maakte het Geologisch-Mineralogisch Instituut van de universiteit van Groningen hier veel werk van. In betrekkelijk korte tijd werden zwerfsteencollecties aangelegd met stenen waarop sporen van ijstransport voorkwamen. Ook verzamelde en onderzocht men zwerfstenen als granieten en porfieren, en werden reizen georganiseerd om te achterhalen waar deze precies vandaan kwamen. Deze wetenschappelijke activiteiten sijpelden langzaam door naar de wereld van natuurliefhebbers. Het zoeken naar zwerfstenen en vooral zwerfsteenfossielen werd voor velen een liefhebberij, vooral na de Jaren twintig in de vorige eeuw. In de wetenschap in ons land verflauwde de belangstelling.

003 Grote ijskanter met gletsjerkrassen – Keientuin Hunebedcentrum. Stenen met sporen van ijstransport vormden het bewijs dat ook in ons land in de ijstijd sprake moest zijn geweest van een ijsbedekking.

Fossielen op de noordelijke Hondsrug

De smalle strook Hondsrug tussen Haren en de noordpunt van de stad Groningen staat vanouds bekend om de fossielen die bij graafwerkzaamheden tevoorschijn komen. Opvallend zijn vooral fossiele koralen met hun karakteristieke skeletstructuur. Naast koralen komen in de keileem ook veel kalkstenen voor. Deze zijn van Ordovicische en Silurische ouderdom. Als je deze kalkstenen doorslaat, kom je vaak prachtige fossielen tegen, waaronder trilobieten, brachiopoden, slakkenhuizen en bryozoën. De kalkstenen bij Groningen komen uit het Oostzeegebied bij Estland.

004 In keileem op de noordelijke Hondsrug tussen Haren en de noordpunt van de stad Groningen komen veel kalkstenen voor. Deze dateren uit het Ordovicium en het Siluur. Naast kalkstenen komen in de keileem ook relatief veel losse koralen voor. De meeste zijn van Silurische ouderdom. Op de foto is in het midden een zogenoemde kettingkoraal zichtbaar.

Kristallijne zwerfstenen kunnen ook mooi zijn en vooral interessant, maar zwerfsteenfossielen vond ik boeiender. Nadat ik in de beginjaren zestig van de vorige eeuw Bernard Boelens in Groningen had leren kennen en zijn fossielenverzameling had bewonderd, was het hek van de dam. Hij vertelde mij waar ik op moest letten en… waar te zoeken. In Groningen-Zuid was in de jaren zestig sprake van bouwwoede. Het landelijke Hondsruggebied met zijn prachtige heggen en houtwallen werd in een paar jaren tijds volgebouwd met scholen, woningen en villa’s. Op talrijke plaatsen werden in het gebied bouwputten uitgegraven en vijvers aangelegd. Voor fossielverzamelaars was dit een dorado, met als topper de enorme hopen uitgegraven leem met kalkstenen bij het Beatrixoord, halverwege tussen Groningen en Haren.

Ook het bouwrijp maken van de uitbreidingswijken Selwerd en Paddepoel leverden talrijke kalksteenfossielen op, waaronder het fossiele koraal Acervularia ananas. Deze is verderop in het verhaal afgebeeld.

Naderhand vond ik nog veel meer fossielen op het Engelse Kamp in Groningen. Hier werden rijkskantoren gebouwd en vond een verbouwing/uitbreiding plaats van het H.W.Mesdagasiel. Een aantal jaren achtereen kon ik er naar hartenlust zoeken. Kalkstenen waren er in overvloed te vinden. Dit alles resulteerde bij mij thuis in een steeds groter wordende verzameling Hondsrugfossielen, waarin zwerfsteenkoralen de boventoon voerden.

005 Silurische koralenkalk – Zwerfsteen van Haren (Gr.). Te zien zijn twee kleine kolonies van een bijenraatkoraal (Favosites). Verder schelpdoorsneden en kleppen van brachiopoden. Rechts is naast een geribbelde brachiopode is het staartstuk zichtbaar van een trilobiet (Proetus sp.)
006 Vervellingsrest van een Ordovicische trilobiet (Neoasaphus nieszkowskii). Aan het fossiel ontbreken het achtste rugsegment en het staartstuk.
007 Kalksteen met twee vlakke dorsale klephelften van de brachiopode Strophomena pecten. Brachiopoden waren veelvoorkomende schelpdieren met een boven- en onderklep. Brachiopoden zijn op een paar soorten na uitgestorven. Deze dieren zijn niet verwant zijn aan onze huidige strandschelpen. Dit zijn mollusken.
008 Ordovicische kalksteen met een fragment van een langwerpige, kegelvormige schelp van een nautilus-achtige (Endoceras sp.). De voorzijde van de gekamerde schelp werd bewoond door een inktvis.

Trilobieten en Co

Bij het doorslaan van kalkstenen kwam ik regelmatig kop- en staartstukken tegen van trilobieten. Deze kreeftachtige fossielen intrigeerden mij. In de loop van de tijd vond ik talloze soorten, een enkele maal zelfs een complete. Maar het kon nog erger. Ik vernam van een Duitse kennis dat bij het doorslaan van Laat-Cambrische stinkkalken vaak honderden trilobieten tevoorschijn kwamen. Voor mij was dit een keerpunt. Cambrische trilobieten in grote aantallen?  Die moest en zou ik ook vinden. Dit was overigens wel een dingetje. Cambrische stinkkalken kwamen hier nauwelijks voor, op de Hondsrug zelfs helemaal niet.

00 Laat-Cambrische stinkkalk met op het laagvlak vervellingsresten van de kleine trilobiet Agnostus pisiformis. Stinkkalken heten zo omdat deze bij het aanslaan met de hamer de geur van rottende eieren afgeven (zwavelwaterstof).

Om deze te vinden moest ik naar Sleeswijk-Holstein in Noord-Duitsland. In zandgroeves daar, maar vooral op de steenstranden langs de Oostzeekust waren ze wel te vinden. Een nadeel was, dat ik bepaald niet de enige was die het op die donkere kalkstenen voorzien had. Duitse zwerfsteenliefhebbers verzamelen vrijwel allemaal fossielen. Granieten en andere gidsgesteenten zijn nauwelijks bij verzamelaars in beeld. Kristallijne zwerfstenen spreken blijkbaar niet aan.

In een aantal jaren tijds vond ik langs de Oostzeekust tijdens vakanties en excursies vele honderden stinkkalkzwerfstenen, de meeste met trilobieten. Het bijzondere van deze kalkstenen is dat je op de laagvlakken tientallen en soms honderden kop- en staartschilden van verschillende soorten trilobieten aantreft. In iedere gevonden stinkkalk zijn het meestal maar tot één of twee soorten.

010 Sterke vergroting van een jeugdvorm van een trilobiet. Op de foto is het kleine gesegmenteerde schildje (protaspis) zichtbaar. Het is het eerste stadium na uit het ei sluipen in de ontwikkeling naar een volgroeide trilobiet.

Bijzonder was dat ik als eerste ontdekte dat in fijnkorrelige, ogenschijnlijk fossielvrije stinkkalken jeugdvormen voorkwamen, en wel in allerlei stadia van ontwikkeling. Die ontdekking bracht reuring in de wereld van fossielenverzamelaars. En daar niet alleen. Ook op het Geologisch Instituut in Groningen baarde dit opzien. Trilobieten maakten een geleidelijke ontwikkeling door van ei tot volgroeid exemplaar. Door het harde buitenskelet moesten de dieren tijdens hun ontwikkeling soms meer dan twintig maal vervellen. Tijdens het uitharden van het nieuwe skelet konden ze in grootte groeien. Het zijn dus vooral vervellingsresten die we in de stenen tegenkomen.

Ik vond in stinkkalken alle bekende jeugdvormen, van de nog geen kwart millimeter grote protaspis (het eerste stadium na het ei) tot complete exemplaren en alles wat er tussenin ligt. Dit was een jarenlange ontdekkingsreis. Deze fossielen zijn onlangs naar het Hunebedcentrum in Borger verhuisd.

011. Jeugdvorm van de Laat-Cambrische trilobiet Parabolina spinulosa in zwarte bitumineuze kalksteen – Zwerfsteen van de Brodauer Ufer, Oostzee (Dld.). Dit stadium wordt meraspis genoemd. Tijdens iedere volgende vervelling worden extra rugsegmenten aan het dier toegevoegd.

Koralen en bryozoën

Na een flink aantal jaren verflauwde mijn belangstelling voor trilobieten. Dit komt bij mij vaker voor als ik het gevoel heb een bepaald onderdeel van mijn zwerfsteenhobby helemaal uitgemolken te hebben. De switch was eigenlijk de schuld van fossiele koralen en bryozoën. Deze fossielen komen relatief veel in de keileem van de noordelijke Hondsrug voor. Bovendien vind je die vooral los. Doorslaan met de hamer is dus niet nodig. Dankzij graafactiviteiten op het Engels Kamp in Groningen en in Haren bouwde ik in betrekkelijk korte tijd een grote collectie fossiele zwerfsteenkoralen op. De bekroning ervan vond plaats in Haren, waar ik bij het NS-station een vrijwel complete kolonie van een Favosites (‘honingraatkoraal) uit de keileem opgroef. Dit koraal met zijn prachtige (jaarlijkse?) groeiringen is ruim 20 cm groot. Het fossiel is momenteel opgesteld in een vitrine in het Hunebedcentrum.

012 Fossiele Silurische koraal (Acervularia ananas) – Zwerfsteen van Groningen

Vrijwel alle Ordovicische en Silurische koraalsoorten die uit kalksteenafzettingen in het Oostzeegebied in Russische publicaties beschreven zijn, vond ik ook in de keileem van de noordelijke Hondsrug. Ik heb er veel onderzoek aan verricht, waarbij gaandeweg bijzondere inzichten ontstonden, zoals twijfel aan hun identiteit. Om meerdere redenen werd mij duidelijk dat het merendeel van de zwerfsteenkoralen – met name de groep tabulate koralen – hoogstwaarschijnlijk geen koralen zijn, maar kalksponzen. Vanwege hun skeletbouw noemt men deze ook wel koraalsponzen (= Sclerospongia). Nazaten ervan leven vandaag-de-dag nog in de oceanen.

Ook de bekende groep ‘zonnesteenkoralen’ en tal van massieve bryozoën (=mosdiertjes) uit de keileem van de noordelijke Hondsrug zijn waarschijnlijk geen koralen en bryozoën. De bekendste is de zonnesteenkoraal Heliolites interstinctus. Het gaat in dit verband wat ver, maar veel mosdierkolonies, die bekend staan als trepostomaten, lijken qua kolonie- en skeletbouw sprekend op heliolieten. Het lijken wel miniatuur uitgaven van deze. Deze organismen waren hoogstwaarschijnlijk ook koraalsponzen.

013 Onder de tabulaten vormen de heliolieten een aparte en bijzondere groep koralen. Op de foto een deels afgesleten kleine kolonie van Heliolites interstinctus afgebeeld. De ronde buisjes (corallieten) waren de woonruimten van de vermeende koraalpoliepen. Deze zijn van elkaar gescheiden door een fijnmazig tussenweefsel (coenenchym).
014 Een bolvormige mosdiertjeskolonie van Diplotrypa petropolitana. De kolonies van deze massieve bryozoën lijken met hun skeletstructuur veel op heliolieten.

De zwerftocht van zwerfstenen

In 1972 kwam ik als geologisch conservator en tentoonstellingsbouwer in dienst bij het Natuurhistorisch Museum in Groningen. Vlak daarvoor was het museum verhuisd van het karakteristieke Prinsenhof naar een nieuw onderkomen. De overgang van een kunststofkeuken specialist naar gemeentelijk ambtenaar en geologisch conservator was groot, maar spijt heb ik er niet van gehad. In tegendeel.

Thuis in Hoogezand had ik mijn fossielencollectie ondergebracht in een aparte kamer. Naast mijn werk in het museum verzamelde ik nog zeer actief. Thuis was ik vooral bezig met het onderzoek aan fossiele Hondsrugkoralen. Voor dit doel moest ik veel fotograferen en zelf ook de donkere kamer in. Ik kon aan fotozaken niet uitleggen waar met het ontwikkelen en afdrukken precies de nadruk op gelegd moest worden. Koraaldetails waren hun volslagen vreemd. Daarnaast ontwikkelde ik een methode om fijne skeletstructuren van fossiele koralen beter te kunnen bekijken en te onderzoeken. Het maken van acetaat peels was in de paleontologie al wel bekend, maar ik ontwikkelde de methode verder uit en was in staat om zeer detailrijke preparaten te maken van complete koraalkolonies. Deze kon ik onder de microscoop bekijken en bestuderen. Ik ontdekte verder dat acetaat peels zich als ‘negatief’ ook goed leenden om er in de donkere kamer fotoafdrukken van te maken.  

015 Acetaat peel van een dwarsdoorsnede door een takvormige kolonie van Favosites. Met acetaat peels maak je perfecte afdrukken van een met zuur geëtst kalksteenoppervlak. Zeer fijne details van het koraalskelet worden hierdoor zichtbaar. Ze vormen a.h.w. afgietsels van het kolonieoppervlak. Peels bestudeer je onder de microscoop, maar je kunt er ook scherpe zwartwit fotoafdrukken mee maken.

Na een tijdje begon het wat te wringen. Om naast het werk in het museum ook nog een of meer privé-collecties te hebben, was geen ideale combinatie. Ik had gehoord van situaties en gebeurtenissen…  Kortom, mijn fossielenverzameling verhuisde naar het museum. Zwerfsteenkoralen, trilobieten, brachiopoden en een menigte andere kalksteenfossielen gingen op reis en werden samengevoegd met de museumcollectie. Zo konden fossielliefhebbers en museumbezoekers er ook van genieten. In die tijd gaf ik veel lezingen en cursussen over zwerfstenen en zwerfsteenfossielen.

In 1984 nam het inmiddels tot Natuurmuseum Groningen omgedoopte museum zijn intrek in een groter gebouw in het centrum van Groningen. Het museum moest totaal opnieuw ingericht worden. Dat was mijn werk. Ook de collectie kreeg een nieuwe plaats. Naast kalksteenfossielen werd ook vrij veel tijd besteed aan het samenstellen van een representatieve verzameling kristallijne zwerfstenen en zandstenen. Eerder had ik al een uitgebreide verzameling kristallijne zwerfstenen en gidsgesteenten, maar toen kalksteenfossielen bij mij in beeld kwamen, moesten deze het veld ruimen. Spijt kwam pas later. Naast een overzichtscollectie met zwerfsteensoorten, legde ik ook een collectie gidsgesteenten aan. Rapakivi-granieten en al hun variëteiten hadden daarin mijn bijzondere belangstelling.

Ook de verwerving van collecties van derden, hebben veel aan het sortiment zwerfstenen toegevoegd. Het gevolg was wel dat het Natuurmuseum aan de St.-Walburgstraat in Groningen steeds meer uit zijn vestje groeide. De grootte, en vooral het gewicht van de geologische collecties op de bovenverdieping werd een toenemend en niet te onderschatten probleem. Veel andere mogelijkheden waren er niet. Ook de vaste tentoonstellingen en het gebrek aan een goede ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen speelde parten. Gelukkig ontdekten we begin jaren negentig van de vorige eeuw licht aan de horizon.

016 Bert van Straaten in zijn element op een hoop zwerfkeien in de zandgroeve van Werpeloh (Dld.)

Met de nieuwbouw van het Groninger Museum tegenover het NS-station, kwam het oude gebouw aan de Praediniussingel vrij. Om kort te gaan, het Natuurmuseum ging opnieuw de verhuiswagens in. Hier kwam bij dat wijlen prof. Bert van Straaten, na zijn emeritaat als hoofd van het Geologisch Instituut aan de Melkweg in Groningen, zijn omvangrijke collectie na de sluiting van het instituut in 1985 onder mocht brengen in het Natuurmuseum. Deze collectie bestond uit een grote variatie aan gesteenten en fossielen, die hij op zijn talloze tochten over de hele wereld verzameld had.

Het vrijwilligerswerk van Van Straaten in het Natuurmuseum heeft het museum en ook mij geen windeieren gelegd. Hij interesseerde zich gaandeweg steeds meer voor zwerfstenen en omgekeerd maakte ik dankbaar gebruik van zijn kennis. Een paar jaar achtereen kreeg ik tijdens werktijd privé-colleges van hem over geologische processen, gesteentesoorten e.d. Hij had er plezier in en ik kon van zijn encyclopedische kennis gebruik maken. Een en ander leidde ertoe dat wij samen zo nu en dan op excursie gingen, waaronder een veertiendaagse studiereis naar het geologisch zeer interessante Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen. Mijn kennis van zwerfstenen uit het Oslo-gebied kwam in Noorwegen goed van pas. Zijn verbazing was geregeld groot dat ik die bijzondere gesteenten zo makkelijk herkende. Van hem leerde ik in het veld verbanden te zien. Door de vondsten van bijzondere gesteenten drong hij er bij mij op aan dat ik kristallijne gesteenten ook microscopisch ging onderzoeken. Hoewel interessant was dat voor mij een brug te ver, net zo goed als zijn voorstel om geologie te gaan studeren. Ik vond mijn werk om tentoonstellingen te ontwerpen en te bouwen naast het geologiewerk te interessant. Bovendien viel er als geoloog in Nederland geen droge boterham te verdienen.

017 In de sandr-afzettingen bij Werpeloh komen geulvullingen voor met doorgaans sterk afgeronde zwerfstenen. Tussen de vijf en tien procent van de gidsgesteenten in deze smeltwaterafzettingen worden gevormd door zwerfstenen uit het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen.
018 Rhombenporfier – Zwerfsteen van Werpeloh (Dld.). Dit vulkanische gesteente is in talloze varianten te vinden. Het is een van onze mooiste zwerfsteenporfieren uit Scandinavië.

Het zwerven hield niet op

Het Natuurmuseum belandde na 2005 in zwaar weer. Door allerlei onverkwikkelijke ontwikkelingen, niet in de laatste plaats bij het gemeentebestuur zelf, viel in 2007 het besluit om het museum te sluiten. De drogreden dat de museale educatieve activiteiten van het museum niet meer aansloten bij de behoefte van het onderwijs, had tot gevolg dat voor de verzamelingen van het museum een nieuwe bestemming gezocht moest worden. Stenen en fossielen gingen opnieuw op reis.

De geologische collecties werden overgenomen door het Universiteitsmuseum. Samen met die van de universiteit ontstond zo de ‘Collectie Groningen’. Om de zwerfsteencollecties en ook de verzameling van Van Straaten verantwoord te kunnen bergen en beheren, werd het depot uitgebreid met verrijdbare stalen bergkasten. Ook de uiterst waardevolle mineralencollectie van Hekman verhuisde mee naar het Universiteitsmuseum. Als vrijwilliger verhuisde ik mee en werkte zo’n zeven jaar, drie dagen in de week, aan de verzamelingen. Op het laatst kwamen hier de bestaande universitaire collecties bij, die ik ook heb onderzocht en geïnventariseerd.

019 Op de foto is een deel van de uitgebreide landencollectie van Van Straaten te zien.

Het zwerven komt tot een eind

Zwerfstenen hebben gezworven. Dat is inmiddels duidelijk. Ze doen hun naam daarom eer aan. Gedwongen door ruimtegebrek waren de collecties van het voormalige Natuurmuseum niet langer relevant. Ze pasten niet langer in het universitaire museumbeleid. De objecten uit de collecties van het Natuurmuseum hebben geen binding met universitair onderzoek, vond men en ze zijn in het verleden ook niet voor colleges gebruikt. Wat nu?

Na overleg met Harrie Wolters is besloten om de collecties in beheer over te nemen. De kalksteencollectie van de noordelijke Hondsrug met zijn honderden Ordovicische en Silurische fossielen is geologisch erfgoed. Dit mag niet verloren gaan. De kans om ooit nog eens zo’n collectie aan te leggen, is te verwaarlozen. Dit geldt eveneens voor de uitgebreide deelcollectie kristallijne zwerfstenen, met veel gidsgesteenten uit de noordelijke Hondsrug. Zwerfstenen uit het midden- en zuidelijke deel van de Hondsrug zijn in het Hunebedcentrum goed vertegenwoordigd, van de noordelijke Hondsrug ontbreken die.

Ook is een deelcollectie aanwezig met fossielen en gesteenten uit verschillende geologische perioden. Deze vormen een referentiecollectie, die goed gebruikt kan worden bij tentoonstellingen, voor presentaties e.d. Tenslotte had het Natuurmuseum nog een uitgebreide verzameling zwerfstenen uit het Noorse Oslo-gebied in beheer. Die moesten het depot op Zernike in Groningen eveneens verlaten.

020 In de stelling liggen de laatste dozen met zwerfstenen uit het Oslo-gebied te wachten op transport naar Borger.

Het Oslo-gebied in Zuid-Noorwegen staat bekend om zijn bijzondere geologie en zeldzame gesteentesoorten. Sommige gesteenten zijn uniek. Ze komen nergens anders ter wereld voor. Het bekendste gesteente is rhombenporfier, een van de mooiste vulkanische porfiergesteenten die we kennen. Zwerfstenen hiervan zijn ook in Drenthe gevonden. De Oslostenen heb ik vooral verzameld in het Emsland in Duitsland. In de zandgroeven rond Werpeloh zijn in de loop van de tijd nagenoeg alle gesteentesoorten gevonden, die ook in het Oslo-gebied beschreven zijn.

De collectie Oslo-zwerfstenen heeft het kenmerk van een lokaalverzameling en is mede daardoor voor Noordwest-Europa van grote waarde. Een vergelijkbare verzameling gesteenten kan vandaag-de-dag alleen in de Limfjord in het noorden van Jutland nog verzameld worden.

021 Erik Wiffers in actie bij het depot van het Universiteitsmuseum.

Erik Wiffers, ook een kei

Een verzameling accepteren betekent dat deze vervoerd moet worden. De verhuizing van het zwaarwichtige materiaal bleek geen sinecure. In het Hunebedcentrum zelf was te weinig ruimte. Gelukkig konden we beschikken over een depot in Stadskanaal en hadden we Erik Wiffers om dit in goede banen te leiden. Met zijn ‘Hunebedbus’ reed Erik een aantal weken achtereen welgemoed op maandag naar het Zernike-terrein in Groningen. Ondanks hulpmiddelen, was het zwaar werk, dat Erik echter met een glimlach zonder morren uitvoerde. Ook zelf heb ik mijn auto een aantal malen volgeladen met dozen, fossiele zoogdierbotten en kratjes met kleine verkiezelde fossielen. Ik wilde niet dat die door elkaar zouden raken. Veel werk zou dan voor niets zijn geweest.

Erik heeft niet alleen de stenen en fossielen naar Borger en Stadskanaal vervoerd. Er waren ook nog eens vele tientallen metalen ladenkastjes beschikbaar, die deels ook gevuld waren met stenen. Deze hebben inmiddels door hem een plaats gekregen in de Granietzaal en in de stenenkelder. Erik, je bent een kei. Nog bedankt voor al het werk.

022 Voor het verrijden van de zware dozen en kratten maakte Erik gebruik van een pompkar.
023 Vanaf de pompkar was het tillen en stapelen. Bedankt Erik. Goed gedaan!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.