Workshop verhalen vertellen aan mensen met een visuele beperking in het museum

0
152

Het Hunebedcentrum wil graag dat iedereen zich welkom voelt. Dit geldt uiteraard ook voor mensen met een visuele beperking. Daar ligt alleen een kleine drempel: het museum is heel visueel ingesteld. Het binnengedeelte bestaat uit diorama’s, waar je het verleden ziet. Een rondleider is dan ook al gauw geneigd te zeggen: “kijk daar…”

Om eens te ervaren hoe iemand met geen of verminderd zicht het museum ervaart, kregen onze rondleiders een kleine workshop, die bestond uit drie delen. Eerst kregen ze een meer algemene inleiding over verteltechnieken. Ten tweede werd dieper ingegaan op manieren om een verhaal vertellen aan mensen met een visuele beperking. Hierbij luisterden de aanwezigen naar een fictief verhaal waarin zintuigelijke waarneming een belangrijke rol speelde. Het ging om een zetting die zij goed kennen, maar door het gekozen vertelperspectief niet allemaal herkenden!

Ten derde gingen ze het museum in, waarbij ze afwisselend een zicht-beperkende bril opzetten, of de rondleider waren. Omdat de workshop erg positief werd ontvangen – en zeker vaker zal worden gegeven, volgt hier een beschrijving van de aanpak.

Voor de workshop is gebruik gemaakt van informatie uit MuZIEum https://muzieum.nl/ in Nijmegen, materiaal van de stichting Oren en Ogen Tekort https://www.orenenogentekort.nl/ en kennis op basis van een aantal workshops die Karla in het verleden gevolgd heeft.

Deel 1. Hoe onthoud je een verhaal? Een paar algemene trucjes

  1. Verplicht jezelf niet om alles uit het hoofd te leren.

Voorlezen is soms juist wel zo rustig en duidelijk. Niemand vindt dat raar. Als je je thuis voelt in het verhaal, bijvoorbeeld na een paar keer, kun je altijd nog je papier wegleggen. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om een verzonnen verhaal of een wetenschappelijke conclusie die je wilt vertellen.

Als je een verhaal wilt leren, schrijf het uit en markeer de houvastpunten met een kleurtje of maak ze vet. Of maak een lijstje van bullet points.

  • De kracht van herhaling.

Gebruik motieven of ankerpunten als houvast voor jezelf.

Gebruik de kracht van herhaling. Ook al raak je zelf de draad een beetje kwijt; met een terugkerend element houd je de aandacht vast. En, geef je jezelf weer een ankerpuntje om verder te gaan.

  • Er zijn visualisatie trucs. Eentje is ‘maak een huis van je verhaal’.

Als je geen diorama voor je hebt op het moment van vertellen, zorg dan dat je zelf een beeld in je hoofd hebt. Beschrijf rustig alles wat je in je hoofd ziet.

Waarschijnlijk kun je mij nu precies vertellen hoe jouw woonkamer eruit ziet. Wie zit er op de bank en waar is diegene mee bezig?

En, je kunt ook vertellen wat er op het schilderij staat, dat boven je bank hangt. Je hebt hiermee een raamvertelling: het schilderij is een verhaal in het verhaal.

Maak van je verhaal een wandeling door een huis. In iedere kamer is een volgend deel van je verhaal.

Zorg je dat je weer uitkomt bij de voordeur, zodat je het verhaal weer kunt verlaten?

Deel 2. Tips voor vertellen aan mensen met een visuele beperking

  1. Gebruik alle zintuigen in je beschrijving.

De hoofdpersoon van je verhaal hoeft niet blind te zijn als dat niet logisch is. Een slechtziende moet zich wel in de hoofdpersoon kunnen verplaatsten. Belangrijk is dus dat je heel helder beschrijft, of dat je heel empathisch (invoelend) vertelt.

  • Gebruik zo mogelijk objecten.

Voelen bij het vertellen, geluiden laten maken bij het vertellen. In het museum staan mandjes klaar waarin voorwerpen zitten die horen bij het verhaal van de diorama’s.

  • Nu volgt een voorbeeld van een verhaal waarbij alle zintuigen een rol spelen.

Luister naar het verhaal. Sluit je ogen, of kijk naar een vast punt als dat veiliger voelt. Niet naar de verteller.

De woorden waar de verteller nadruk op wilt leggen, zijn hier dik gedrukt. Soms is dat een werkwoord over zintuigen (horen, voelen etc.), soms een woord waarmee de houding en het gevoel van de hoofdpersoon wordt omschreven. Het zijn ook de momenten dat de vertelstem van hoogte of kracht verandert.

Er sluipt een man door het bos. Plotseling staat hij stokstijf stil. Gehuil! Gejank – Niet bewegen.

Net liep hij nog door het donkere bos te speuren. Voor hem is het lichter, hij voelt meer wind en hij hoort de bladeren ritselen. Hij is aan de rand van het bos gekomen. Hij herkende het gejank uit duizenden: een wolf. Nu hoort hij ook het grommen van één, nee twee wolven. Alle bloed zakt naar zijn benen. De man beweegt zich niet en prijst zich gelukkig dat hij tegen de wind in liep. Voorzichtig ademt hij diep in. Ze hebben hem nog niet geroken. De man ruikt wel iets: de onmiskenbare geur van bloed. Van ijzer. En de geur van volle darmen die opengerukt worden. En dan hoort hij nog iets.

Ergens naast hem snuift een beer.

De man laat voorzichtig zijn pijl en boog zakken. Zolang de drie wilde dieren hem niet opmerken, heeft hij een kans. Heel stil voelt hij aan de punt van zijn pijl. Het vuursteen is goed scherp. Maar, het blijft één tegen drie. De man probeert rustig te blijven en zo weinig mogelijk adem te halen. Zijn hart klopt in zijn keel.

Ergens naast hem snuift weer die beer.

Heeft hij nog de gelegenheid weer achteruit te stappen, terug de struiken in? Beren en wolven kunnen zoveel beter horen en ruiken… Rennen heeft ook geen zin; ze kunnen zoveel harder. Bovendien, de boomwortels waar hij net al tegenaan liep, zullen hem onherroepelijk laten struikelen. De takken zullen in zijn gezicht slaan – als niet één van de dieren hem eerst te pakken heeft.

En weer snuift die beer naast hem.

De man kan de beer niet zien, maar de wolven moeten de beer toch in de gaten hebben. Zou het tot een gevecht om de prooi komen? Dan zijn ze afgeleid. Dan, denkt de man, zou ik naar voren kunnen rennen – zo snel mogelijk langs hen heen. Daar, achter die wolven moet in het veld het hunebed liggen. Als ik dat kan bereiken, heb ik hulp! Hulp van alle voorouders. En voorbij dat hunebed ligt dan het veilige dorp met de levenden, het vuur en onze grote hond.

En  naast hem snuift weer die beer…

Deel 3. Aan de slag

Ga in groepjes het museum in. Je bent rondleider met een groep mensen met een visuele beperking. Het heeft dus geen zin om te zeggen “de man die je achterin ziet staan”.  Wees creatief als rondleider, maar ook als ‘slechtziende’ deelnemer.

Hoe vertel je over een diorama dat je niet ziet? Kun je uit de voeten met een fictief verhaal waarin je het diorama tot leven brengt, of voelt  voor jou de rol aan gever van een ‘aangepaste rondleiding’ toch natuurlijker?

Probeer de brillen uit, geef elkaar voorwerpen aan en ontdek hoe je onze tentoonstelling beleeft, als je slecht ziet. (Wie zit daar nou toch steeds zo te huilen…?)

Foto’s workshop: Karla de Roest, foto diorama: Hunebedcentrum

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.