
In archeologische monumenten en mythologische figuren werden volksverhalen gedeeld rondom de Kabouterberg – een Romeinse grafheuvel bij Hoogeloon – en de Vorstengrafheuvel en de Zevenbergen bij Oss, allen in Brabant. De Kabouterberg wordt ook wel Witvrouwsberg genoemd. Ook werden in het artikel volksverhalen rondom de grafheuvels (en het verdwenen hunebed bij Mander) in Twente, Overijssel, gedeeld. In de volksverhalen rondom deze archeologische sites komen kabouters, feeën en Witte Wieven voor.
Er zijn nog veel meer vergelijkbare verhalen, in dit artikel volgen enkele voorbeelden van verhalen rondom Alvermannekes. Zij worden ook wel evermenkes, auwelkes, oavermensjere, auvelmannetjes, auvelemenkes, auvermennekes, oavermännekes, auvermenkes, alvermannen, auvelmoermännekes, hetsemännekes, hövelemenkes, Quärresmännche of aardmannetjes genoemd.
Alvermannekes zijn een type kabouter of elf. Een alf (meervoud alven) is naar oud-Germaanse en oud-Noorse opvatting een geest in lucht, het water of waar dan ook in de natuur. De wezens worden vaak met archeologische sites in verband gebracht.

In het Limburgs Sagenboek wordt verteld: “Op warme zomerdagen verschijnt de Houwvrouw boven de Afferdsche heide in de trillingen der hete lucht. Hoewel zij zelf onzichtbaar blijft, ziet men haar al maar drillend en draaiend door de lucht trekken en alles wat licht is opnemen in haar vaart dwars over den Schenckendijk tot zij gekomen is aan de Hussenberg of de Eerd. Daar rust zij uit, want zij is daar gekomen aan de woning van Aart met den grijzen baard, den koning der kabouters, die daar onder de aarde regeert met Wigant den strooper, Wim den visscher en Wieland den smid, de hoofden van ’t volk der alvermannetjes.” Vroeger zou er rook uit de vossenburchten en dassengangen zijn gekomen, er werd door de alvenmannekes in hun onderaardse ruimtes gesmeed.
Er is tegenwoordig een sportcomplex met de naam “De Alverman” in Afferden. Wieland de Smid (Oudnoords: Völundr, Oudfries Weladu) is de mythische halfgod-smid en leider van de Alven uit de Germaanse mythologie. In dit verhaal lijkt er een verschil te zijn tussen kabouters en alvermannekes, zij worden apart benoemd en de alvermannekes worden in verband gebracht met metaalbewerking.

In een ander verhaal huisden de alvermannekes op of in de Bolleberg van Broichhoven (Breberen, Duitsland). De alvermannekes verdwenen toen daar een kerk werd gebouwd. Zij konden het klokgelui niet verdragen.
Het gaat bij de Bolleberg om de overblijfselen van een mottekasteel. Een motte is een geheel of gedeeltelijk kunstmatige heuvel met een regelmatige vorm en steile zijden. De heuvel werd gewoonlijk omringd door muren of palissades en brede droge of natte grachten. Het kasteelcomplex van de Bolleberg heeft in de loop van de tijd verschillende verstoringen ondergaan, o.a. als gevolg van opgravingen, het gebruik als schietbaan en door onjuiste restauraties in de jaren tachtig. Het is een bekende toeristische attractie geworden.

Aan de Maas te Stein liggen de bouwvallen van het oude slot. De onderaardse gangen en keldergewelven waren vol leven in de tijd dat de aardmannetjes nog in Limburg verbleven. Na zonsondergang liepen ze in de huizen in de buurt rond om het keukengerei te lenen, waarin ze dan onder de grond hun potje kookten. Ook melkten ze de koeien en wisten twist te stichten onder de meiden.
Op de Heerlerhei ligt een Hetsemännekesberg. Op de hei vindt men ook nog de putten waar de Hetsemännekes in begraven zijn, met de knookskens (botten) er nog in. Ook in de Spekberg te Steil, waar men prehistorische vondsten heeft gedaan, huisden de aardmannetjes. Zij rookten er uit aarden pijpjes die men wel eens bij het uitbaggeren van grachten en bij zandafgravingen terugvindt. Ook in de Pijpersberg te Haelen en bij ‘den Bisschop’ tussen Nunhem en Heithuizen woonden alvenmannekes. Bij Lerop aan de Roer ligt de Hemelberg en ook daar zou een alvermanneke wonen.
De kabouters van den Reutberg te Beegden lapten en knapten alles op wat men aan de voet van den berg voor hen neerlegde, mits men er een bordje rijstepap of een andere lekkernij bij zette.
Op een hoeve te Doenrade onder Oirsbeek was men gewoon rijstepap voor de auvermannetjes te koken en ’s nachts voor hen klaar te zetten. Een knecht ruilde dit op een avond om voor versleten lappen leer. De auvermannetjes namen wraak, de volgende dag was de knecht een oog kwijt.
Bij Echt woonden de hövelemenkes op het Groenshöfke en bij Roggel woonde een stam kabouters op de Krekelsberg. Door toedoen van de kosters zijn de kabouters van de Krekelsberg verdwenen, want die hebben de avondklok geluid en daar konden de ventjes nu eenmaal niet goed tegen. In de Sint Pietersberg bij Maastricht zijn de alvermannekes verdwenen sinds men nieuwe werken ondernam in de mergelgroeven. Bij Valkenburg, onder aan de Schaelsberg, bevindt zich een verlaten mergelgroeve met een kalkoven met de naam Auvermansboschke. In Craubeek draagt een groeve de naam Auvermennekesloak (het aardmannetjesgat).
Te Hoensbroek herinnert de Auvermoerbeek nog aan hun verblijf. Hier woonden de auvermannekes in de Auverberg. De Auvermoerbeek wordt tegenwoordig de Caumerbeek genoemd en is in de volksmond ook wel bekend als ‘het Zilverbeekje’. In de nabijheid van de bron van de Caumerbeek stond in de Romeinse tijd de Romeinse villa Bovenste Caumer.
Bij Venray woonden ze in de Weverslose Berg en bij Riethoven lagen drie heuvels bij elkaar; de Elverberg, de Ooreberg (ook wel Nooren- of Noordenberg) en de Duvelsberg (of Duivelsberg). De mannekes van de Elver- en Duvelsberg kwamen bijeen bij de Ooreberg. Alleen de Duivelsberg bestaat tegenwoordig nog. Er is nog wel een straat met de naam Elverberg, deze komt uit bij akkers aan de Molenweg waar archeoloog Jan Hendrik Holwerda vele grafheuvels heeft onderzocht.
In Zutendaal verscholen zij zich in de Hesselsberg in hun Alvermannekeskuil. Bij Bunde aan het einde van de eenzame drassige Pas ligt in een wei de Averput. Hier zou een ridder met zijn vierspan in zijn verdwenen. Zijn lijk werd in de Maas gevonden, de alvermannekes hebben zijn vierspan nu en werden wel eens gezien terwijl ze er op zaten. Het Vrijbos in West-Vlaanderen zou ook een woonplaats zijn van het Alvervolk.

Op de Ketelberg, een half uur gaans van Venlo, werden ’s nachts vaak vuren gezien. Dat was ook het werk van de kabouters. Ten oosten van de stad kwamen ze, als het angelus geluid werd, achter de grote kerk uit de grond op en dansten op de lunet Beerendonk. Een lunet is een klein vestingwerk met twee schuine, naar buiten gerichte zijden en twee naar achter gerichte zijden.
Bij Sittard lag vroeger de Auveleberg of Auvermannskerberg. Dit was vermoedelijk een restant van een Romeinse grafheuvel. Bekend is dat er in vroeger tijden mensen werden terechtgesteld (brandstapel, galg, etc.) op de Auveleberg. Volgens een legende zouden in deze heuvel in ondergrondse gangen aardmannetjes leven. De Auveleberg lag in de Sittardse wijk Limbrichterveld op de plaats waar nu het winkelcentrum en de Sint-Pauluskerk liggen. De heuvel is in 1967 zonder bodemkundig onderzoek afgegraven. Er is nu nog een hotel met de naam Auveleberch op deze plek. Het Pieterpad loopt langs het hotel en in het logo van het hotel is een kabouter opgenomen.
Volgens een legende over auvelmannetjes in Geulle, leefden deze in de Blomberg bij Moorveld. Zij maakten ’s nachts de ketels en pannen van de mensen van Geulle blinkend schoon. Toen op een keer het angelusklokje (de kleinste klok, met het hoogste geluid) van de kerk in Geulle begon te luiden, stortte het voorste deel van de Blomberg in. Hierbij is een beek ontstaan die de Heiligebeek werd genoemd. Toen zijn de auvelmannetjes uit de Blomberg naar België gevlucht en ze zijn nooit meer in Geulle teruggezien.
Vele jaren geleden hadden aardmannetjes hun thuis onder de Erdmannlistein (aardmannetjessteen) in Zwitserland. De kleine mannetjes waren heel betrouwbaar en deden allerlei dansjes en sprongen. Ze namen dankbaar kruiden, kool en rapen aan als beloning. Ze konden goed met mensen opschieten totdat twee jonge jongens op het idee kwamen een trucje uit te halen met de kleintjes. Ze gooide stenen in hun grot. Toen hoorde je een jammer en kreun. Sindsdien zijn ze aardmannetjes spoorloos verdwenen.
Er is een legende dat de Erdmannli weer tevoorschijn zouden komen als iemand zeven keer met ingehouden adem rond de Erdmannlistein zou rennen. De Erdmannlistein wordt gezien als Chindlistein, kinderen zouden hier vandaan komen en dit soort stenen worden in verband gebracht met vruchtbaarheidsrituelen (zie ook Kinderstenen).
De Hetzberg in een met donker struikgewas bedekt dal tussen Gressenich en de mijn Diepenlinchen in de gemeente Stolberg, Duitsland, is zeer berucht. Op de helling liggen verschillende zware kalksteenblokken op elkaar gestapeld. De stenen staan bekend als Römersteine, Quärrissteen of Zwergensteine. Römermännchen werden voorgesteld als kleine, bebaarde jongens die in het verleden in het gebied leefden. Er wordt gezegd dat de Römermännchen in grotten of gaten in de grond hebben geleefd.
Ze deden de mensen geen kwaad, maar waren ook niet bijzonder nuttig voor hen. Voor hun feesten diep onder de grond leenden ze soms serviesgoed dat ze de volgende dag schoon terugbrachten. Als hen de benodigde uitrusting werd ontzegd, haalden ze ’s avonds eenvoudigweg zelf potten en borden en brachten ze besmeurd met vuil terug. Römer kan vertaalt worden met Romeinen en het zou kunnen verwijzen naar de mijnbouw die al door de Romeinen op deze plek werd uitgeoefend.
Ervaren mijnwerkers beschouwen de kalksteenblokken op de Hetzberg als een natuurlijke verschijnsel van de rotsformatie. De mensen uit de omgeving zeggen echter dat de blokken door mensenhanden op elkaar zijn gestapeld. De Hetzberg is tot op de dag van vandaag nog steeds een gevreesde plek en er wordt gezegd dat het daar zelfs overdag geen goede plek is om te verblijven. Het is niet precies bekend waarom, maar er wordt gezegd: “Do ligge de ‘Quärresmännche’ begrave“; de stenen zouden hun begraafplaats aanduiden. Quärres is afgeleid van het oud-Duitse woord Querge, dat staat voor dwerg (in het Duits ook wel Zwerg).
Kinderen die het vee wilden hoeden, werden vroeger gewaarschuwd om uit de buurt van de kalksteenblokken te blijven met de woorden: “Do moß d’ net john, do ligge de ‘Quärresmännche’ begrave“. In 1965 werd officieel bekend dat er vergiftigingsverschijnselen bij rundvee waren ten gevolge van lood en cadmiumvervuiling in het water door de mijnbouw rondom Diepenlinchen. De omgeving is inderdaad niet een gezonde plek om vee te hoeden, misschien was dit ook al zo in een ver verleden toen er al naar metalen werd gedolven.
Nabij Stolberg ligt ook het legendarische Gression. Deze stad verwierf grote rijkdom, voornamelijk door ertswinning. Er werden lood-, ijzer- en koperertsen gewonnen. De stad werd volgens de verhalen uiteindelijk vernietigd door een overstroming (de zondvloed) of door vijandelijk optreden. Misschien heeft de legende een historische kern.
Het woord álf (meervoud álfar) komt van dezelfde Proto-Indo-Europese wortel als waarvan het Latijnse woord albus (wit) afgeleid is. Meestal wordt aangenomen dat het daarbij om een woord uit een voor-Indo-Europese substraattaal gaat. Deze oorspronkelijke betekenis is onder meer karakteristiek voor de alven in de Noordse mythologie, die hun lichtverwantschap behielden als hun goddelijke status.
Het woord alf is etymologisch verwant met het uit het Engels ontleende elf, maar heeft in tegenstelling tot elf de negatieve betekenis bewaard die in de Middeleeuwen aan deze wezens werd gegeven. De christelijke kerk zag ze namelijk als demonen. Alven zijn alleszins sterk verbonden met de cultus van de vroege voorouders. De Duitse folklore over de Witte Wieven (Weisse Frauen) wordt geïnterpreteerd als een overblijfsel van voorchristelijke Duitse opvattingen over lichte elfen of nevels.

De aquarel toont een alf die oplost als mist nadat het een jongeman het moeras in heeft gelokt.
De latere folklore toont duidelijk dat het geloof in alven heel algemeen verbreid was bij de Germaanse stammen, en niet enkel beperkt bleef tot de oude Scandinavische cultuur. In het algemeen kende men ook magische psychische krachten toe aan deze wezens. Zij zouden mensen rechtstreeks beïnvloeden en deels betoveren. Bepaalde dromen en vooral nachtmerries zouden van hen afkomstig zijn. Het woord ‘oaf’ is een variant van het woord elf, maar verwees oorspronkelijk waarschijnlijk naar een wisselaar of naar een persoon die betoverd werd door elfen.
In Zeeland is een volksverhaal bekend waarin een persoon wordt ‘betoverd’ door een alf en hierdoor verdwaald. Een oude meid komt heel laat, met verwarde haren en onder de schrammen terug van haar wandeling en zegt van de als (alf, alve) verleid te zijn geweest. Alhoewel ze op bezoek bij een bekende ging die vlakbij woont, heeft ze erg ver gedwaald.
Hoewel elfen in sommige delen van de Engelssprekende samenleving als mooie en potentieel behulpzame wezens worden beschouwd, het zou gaan om een ‘doorschijnend of schemerachtig wezen’, worden ze in de Angelsaksische literatuur meestal gekarakteriseerd als demonen. Bijvoorbeeld in Beowulf: eotenas ond ylfe ond orcnéäs swylce gígantas (ogers en elfen en kwade fantomen en ook de reuzen).
Het manuscript met een van de vroegst bekende verwijzingen naar het woord ‘elf’ is gedigitaliseerd door de British Library en kan online worden bekeken. Het gaat om een koninklijk gebedenboek uit het einde van de achtste eeuw uit het koninkrijk Mercia. Het gebed waarin de elf wordt genoemd lijkt een exorcisme te zijn. De auteur van dit gebed heeft Satan mogelijk met een elf vergeleken om zijn of haar Angelsaksische toehoorders te helpen begrijpen wie Satan was en wat zijn krachten waren.
Zeer mooie vrouwen werden soms ook vergeleken met elfen, hoewel deze teksten suggereren dat een dergelijke elfachtige schoonheid tot problemen zou kunnen leiden. In het Angelsaksische gedicht over Judith wordt de Bijbelse heldin beschreven als ælfscinu, oftewel mooi als een elf. Elfen hebben in de Angelsaksische overlevering echter niet altijd een geheel negatieve connotatie. In de 9e, 10e en 11e eeuw gaven veel leden van de West-Saksische adel hun kinderen namen waarin het element ‘ælf’ voorkomt: misschien wel het meest opvallende voorbeeld is Alfred, of Ælf ræd.

Alven worden genoemd in de Edda, bijvoorbeeld in Alvísmál (de toespraak van Alvis). Dit is een gedicht in de Oudere Edda dat beschrijft hoe de god Thor de ‘dwerg’ Alvis met een list overwint als die met zijn dochter wil trouwen. De dwerg vertelt “Alvis heet ik, ik woon onder de grond, mijn huis staat onder een steen“. Thor blijft net zo lang met de dwerg praten tot de zon opkomt, waarna de dwerg in steen verandert.
Verhalen over verstening komen vaker voor, zie bijvoorbeeld Verstening en Gekerstende stenen. In Duitsland ligt een dolmen met de naam Alversteen aan de kust bij Strukkamp op het eiland Fehmarn.
Het is bekend dat er feesten werden gevierd voor de alven, dit blót (feest met rituelen, het woord is te vertalen als ‘aanroepen met bezweringen’) ging om het aanbieden van voedsel om de alven gunstig te stemmen. Vaak ging men naar een speciale plek om het blót uit te voeren; een Hov of Hof. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat veel van de oudste kerken in Scandinavië zijn gebouwd op plekken waar voorheen een hof stond.
Taalkundig gezien hebben de woorden “hov” en “hof” wat voor “heiligdom” en “tempel” kan staan, dezelfde wortel als het Duitse Hof met de betekenis “prinselijk huis” en “boerderij”. Het woord komt voor in veel IJslandse en Noorse plaatsnamen, terwijl het in Denemarken minder gebruikelijk is. In Noorwegen komt het woord “hov” 22 keer voor als het tweede deel van plaatsnamen, waarbij het eerste deel de naam van een god is; deze plaatsen liggen precies op of nabij oude kerklocaties.

Het offer zelf vond waarschijnlijk plaats op een steen of stapel stenen genaamd hørg, wat vertaald kan worden met heidense plaats van aanbidding. In de buurt van Sumba op de Faeröer ligt een plaats genaamd Hørg, er wordt aangenomen dat de naam van de Scaniaanse stad Höör dezelfde oorsprong heeft. Het woord hørg werd vaak gebruikt in de Vikingtijd en had naast heiligdom nog verschillende andere betekenissen, waaronder steenzetting, heuvel of klif.
In veel bronnen is de religieuze functie van het hørg echter duidelijk. Uit deze bronnen blijkt dat een hørg bestond uit een stel stenen waar mogelijk godenbeelden omheen waren geplaatst. Op sommige plaatsen zou een bouwconstructie rond de steen kunnen zijn opgetrokken, maar over het algemeen stond deze waarschijnlijk in de open lucht. In het IJslandse gedicht Völuspá wordt vertelt dat de Æsir in de oertijd hörg ok hof bouwde.
In de latere Scandinavische folklore werd op verschillende plaatsen een traditie rond offers aan de elfen (in verband met de vruchtbaarheid en de voorouders) in stand gehouden. Een voorbeeld zijn de Zweedse älvkvarnars uit de bronstijd die tot in de moderne tijd zijn gebruikt om voedsel aan de alven aan te bieden. Voorbeelden worden gegeven in Boter, vet en stenen, Verhalen over offerstenen en Verhalen over offerstenen – 2. In Nederland noemt men deze älvkvarnars napjesstenen. De napjesstenen worden wel in verband gebracht met het voorkomen van ziektes. In verband hiermee werden de älvkvarnar ingevet met reuzel, talg of boter.
Alven worden vaker met ziektes in verband gebracht, zoals in de ballade “Herr Olof Och Älvorna”. Olof rijdt bij zonsopgang weg en komt elfen tegen die dansen in het bos. Een van de elfmeisjes nodigt hem uit om met haar te dansen, maar hij weigert en vertelt haar dat hij de volgende dag gaat trouwen. Ze bezorgt hem een dodelijke ziekte. Als hij thuiskomt, is hij stervende. Hij spreekt zijn laatste wensen uit.
Er zijn talloze varianten op dit verhaal die van elkaar afwijken. In veel Deense versies danst Olof bijvoorbeeld met de elfen, soms tot de dood. In sommige versies in Denemarken, Noorwegen en Zweden wordt de dood van Olof aanvankelijk verborgen gehouden voor zijn bruid, maar uiteindelijk komt ze erachter. In de IJslandse versies wordt de bruid helemaal niet genoemd, en Olavs weigering om te dansen komt voort uit zijn christelijk geloof. In een Faeröerse variant wordt gesuggereerd dat Olav al een tijdje een relatie heeft met de elfvrouw; het verhaal begint met het feit dat zijn moeder zijn dood voorspelt.

Ook in huizen komt dit offeren aan de alven voor. Kerstmis is een van de feestdagen waarbij veel elementen van oudere heidense rituelen zijn doorgegeven. Een voorbeeld is rijstpudding, waarvan een enkele portie aan de alf op zolder wordt gegeven. Tot voor kort werd de alf op veel plaatsen gezien als de beschermer van het huishouden en het was een wijdverbreide overtuiging dat het nodig was om offers te brengen aan deze beschermer om rampen te voorkomen.
Het onderscheid tussen dwergen, kabouters, feeën en elfen kan niet eenvoudig worden gemaakt. In Denemarken en Zweden werd het woord ‘alfer/älvor’ in de 19e en 20e eeuw vaak gebruikt als vertaling voor de Britse ‘fairys‘, in Nederland wordt dit wel vertaald met ‘feeën‘ of ‘elfen‘. Feeën of fadas worden in verband gebracht met veel megalithische monumenten, zie bijvoorbeeld dolmen en feeën in Frankrijk.
Marinda Ruiter

Bronnen
https://www.verhalenbank.nl/items/show/127162
https://www.verhalenbank.nl/items/show/38939
https://www.verhalenbank.nl/items/show/42825
https://www.verhalenbank.nl/items/show/42823
https://hotels.nl/sittard/hotel-auveleberch-sittard
https://www.verhalenbank.nl/items/show/51228
https://www.dbnl.org/tekst/sinn008limb01_01/sinn008limb01_01_0021.php
http://www.stolberg-abc.de/htdocs/zzhoffm.htm#252
https://www.persinfo.org/nl/nieuws/artikel/serie-filmlocaties-johan-en-de-alverman/43046
Wikipedia
Afbeeldingen
Motte Bolleberg – Von Romaine – Eigenes Werk, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=46176313
Älvalek – Af August Malmström – http://webart.nationalmuseum.se/work/work_image.aspx?id=18229, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2247449
Alvismal – By W.G. Collingwood (1854 – 1932) – The Elder or Poetic Edda; commonly known as Sæmund’s Edda. Edited and translated with introduction and notes by Olive Bray. Illustrated by W.G. Collingwood (1908) Page 25. Digitized by the Internet Archive and available from https://archive.org/details/elderorpoeticedd01brayuoft This image was made from the JPEG 2000 image of the relevant page via image processing (crop, rotate, color-levels, mode) with the GIMP by User:Haukurth. The image processing is probably not eligible for copyright but in case it is User:Haukurth releases his modified version into the public domain., Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4657650
Overblijfselen van een Hov op de Faeröer – Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=45523
Koning Olav in Tors Hov – Af Halfdan Egedius – Book: Snorre Sturlaśon – Heimskringla, J.M. Stenersen & Co, 1899., Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=975616
Römersteine – http://www.stolberg-abc.de/htdocs/rtxt.htm#Roemersteine
De Sint-Martinuskerk in Geulle – Door Romaine – Eigen werk, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11969652
Het slot te Stein – Door Romaine – Eigen werk, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=25024481
Norske folke og Huldre eventyr – Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=466362
De muizen lopen in een rij en houden de staart van hun voorganger vast. In de achtergrond zwaait een kabouter. – By Rijksmuseum – http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.628182, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=85013981
Elfenbesuch bei den Zwergen – Door various – Scan from the original work, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=108295467
Reclame uit 1888 voor Dixon’s Stove Polish – Door Boston Public Library – https://www.flickr.com/photos/24029425@N06/8962233396/, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=108920300
Plucked from the Fairy Circle – Door T. H. Thomas – Google Books version of Sikes, Wirt (1880). British Goblins: Welsh Folk-lore, Fairy Mythology, Legends and Traditions pp. 74. London: Sampson Low, Marston, Searle, & Rivington., Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3672038




















