Sporen- of ichnofossielen in noordelijk vuursteen

0
132
Graafgang in vuursteen

Ichnofossielen zijn sporen die een dier of plant achterlaat; dus geen resten van een dier of plant, maar bijvoorbeeld pootafdrukken, kruipsporen, graafgangen of boorgaten.
Ook beschadigingen door vraat kunnen sporen achterlaten op de schaal van een ander dier. Uitwerpselen worden ook tot de ichnofossielen gerekend.
Sponzen, tweekleppigen, gastropoden, bryozoën, zee-egels of kreeftachtigen zijn soms de veroorzaker. Sporen van zeedieren komen geregeld voor in kalksteen of vuursteen.
Het koppelen van de sporen aan een dier is heel moeilijk, omdat sporen vaak onduidelijk zijn en meestal niet te achterhalen is, welk dier het veroorzaakt heeft. Ichnofossielen krijgen dan vaak een eigen naam. Soms weten we wel wie de maker is, zoals de borende spons Cliona. Deze woont in boorgaten, die bekend zijn als Entobia.
In vuursteen zijn kleine, gelijkmatige, vertakkende gangen gevonden, die lijken op de wortels van een plant. Ze worden Chondrites genoemd en het is niet bekend hoe ze ontstaan.
In Krijtgesteente zie we regelmatig graafgangen van wormen en kreeften. Ook dit zijn ichnofossielen die iets vertellen over de activiteiten van deze dieren die ooit leefden.

Het herkennen van ichnofossielen in vuursteen is niet gemakkelijk. Het heeft er mee te maken, dat tijdens de vorming van vuursteen de schaal van de zee-egel of de tweekleppige vaak verdwenen is. Op de oorspronkelijke kalkschaal van de zee-egel kun je soms resten van de boorspons Entobia vinden. Omdat in vuursteen de kern van de zee-egel een afdruk is van de binnenkant van de schaal, zul je Entobia alleen aantreffen op de buitenkant van de zee-egel, dus op de afdruk van de schaal in vuursteen.  

Ichnofossielen van Zuidwolde
Er worden hier een aantal ichnofossielen beschreven, die allemaal uit Zuidwolde (Dr.) afkomstig zijn. Het herkennen ervan is in vuursteen lastig, omdat de conservatie nét even anders is dan in het oorspronkelijke kalksteen.
Compleet is het overzicht zeker niet. Zo zijn wel boorgaten gevonden van vertegenwoordigers van de familie Teredinedae, maar niet van de familie Mytilidae. Van deze laatste is in vuursteen het genus Brachidontes bekend. Vooral de tot 1 cm grote langgerekte boorgaten in stenen en schelpen zijn van deze tweekleppige te herkennen.

Chondrites
Kleine, gelijkmatige, vertakkende gangen, die lijken op de wortels van een plant. Het is niet bekend hoe ze zijn ontstaan. Er wordt gedacht aan een voedingsspoor van een sediment-eter, waarschijnlijk een wormachtige.

Lepidenteron lewesiensis
In vuursteen komen regelmatig overblijfselen van beenvissen (Osteichthyes) voor. Onder de beenvissen zijn er alleseters, vleeseters en planteneters. Schubben, graten en botjes zijn vaak door kreeftachtigen opgegeten en daarna gebruikt om hun gangen steviger te maken. De graafgangen vinden we terug in vuursteen, maar het is zelden of nooit mogelijk van deze visresten de soort te bepalen. De graafgang is een sporenfossiel met de naam Lepidenteron lewesiensis.

Ichnofossiel Entobia cretacea
Entobia is een sporenfossiel dat regelmatig in een harde ondergrond, zoals de schaal van een tweekleppige of van de zee-egel Echinocorys wordt aangetroffen. Na de dood van de zee-egel is de schaal aangetast door een boorspons met een vertakkend netwerk van kamers. Deze behoort tot de familie Clionaidae. De schaal van calciet loste op, waarbij de holle ruimte van het tunnelnetwerk van Entobia (Ichnofossiel) later werd opgevuld met kiezelzuur dat vuursteen werd. Zo zijn de achtergebleven kamers met verbindingstukjes in vuursteen nu zichtbaar op de afdruk van de buitenkant van de schaal van Echinocorys.

Op de afdruk van de tweekleppige Spondylus zijn de resten van een boorspons aangetroffen. Voor deze sporen is het ichnofossiel Entobia beschikbaar; vermoedelijk gaat het om het sponzengenus Cliona of Aka (zie pijltjes).

Het Ichnofossiel Trypanites mobilis in de stekel van de zee-egel Tylocidaris sp.
In het boekje ‘Vuursteenfossielen van Zuidwolde, Drenthe’ staat het ichnofossiel Trypanites mobilis al beschreven bij het sponsje Porosphaera globularis, dat behoort bij de kalksponzen (Calcarea). Trypanites mobilis is ook bekend als boorgang van een onbekende worm. We kennen dit ichnofossiel in de knotsvormige stekels van de zee-egel Tylocidaris sp. Er wordt gesuggereerd dat de boorgaten na de dood van de spons of zee-egel werden gegraven door wormen om hen een mobiel en beschermend onderkomen te bieden. De soortnaam (species) mobilis verwijs ernaar.

Reconstructie van een sipunculide worm in een knotsvormige stekel van een Tylocidaris. (Naar: Neumann, Wisshak & Bromley, 2008) Deze worm heeft een cilindrisch lichaam dat taps toeloopt aan de achterkant en in samengetrokken toestand op een pinda lijkt, vandaar de naam pindaworm.

Het sponsje Porosphaera globularis met Trypanites mobilis

Porosphaera globularis met ichnofossiel cf. Maeandropolydora isp.
Herkenbaar is het kalksponsje Porosphaera dat in vuursteen niet erg zeldzaam is. Na de dood van de spons is er een worm binnengedrongen die gangen heeft aangelegd en die nu als ichnofossiel aangezien mogen worden. Het bepalen van de soort is lastig maar vermoedelijk gaat het om het ichnogenus Maeandropolydora.

De paalworm Apectoichnus isp.
Een fossiele tweekleppige van het geslacht Teredinidae. We kennen deze tegenwoordig als paalworm, die berucht is om het boren in hout. Fossiel waren er meer soorten paalwormen in de familie Teredinidae, alle met twee gereduceerde klepjes en aparte schelpstukjes die bovenop de klepjes liggen. Deze worden paletten genoemd; hun vorm is vaak een goed determinatiekenmerk. Paalwormen boren in hout; de boorgang die zo ontstaat is bekleed met een kalklaag en is geen onderdeel van de klepjes. Deze wordt om die reden als zelfstandig ichnofossiel opgevat, waarvoor de naam Apectoichnus isp. is ingevoerd.

Graafgang van een onbekend fossiel

Ichnofossielen als graafgang
In vuursteen worden veel gangen en doorboringen aangetroffen, waarbij voor de hand ligt dat dit door een dier is veroorzaakt. Sommige gangen hebben een kalklaag, andere weer niet. Ook de diameter ervan kan erg uiteenlopen. Vaststellen van de soort is zo goed als onmogelijk.

Bronnen:
Kutscher M. (1972) Fossile Lebenssuren in der weissen Schreibkreide (Unter Maastricht) der Insel Rügen. Aufschluss 23, 26-34.
Marquet R. Gids voor ichnofossielen van België.
Rudolph F. “Nur” Donnerkeile. Geschiebesammler jrg.47-1, 3-24

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.