Klein plantje, groot verhaal – vlas

1
174
De man is vlas aan het keren tijdens het veldroten. De baas kijkt toe.

Je komt ze overal op het hunebedcentrum tegen. Van het 2e diorama in het museum tot in de boerderijen. Een lange gele stengel met gelige bolletjes gevuld met lijnzaad. De vlasplant. Uit deze plant haalt men ook vezels waarmee scholen armbandjes twijnen. Maar wat zit er nog meer achter dit plantje? Wist je bijvoorbeeld dat mummies in Egypte werden begraven in meerdere lagen linnen? Of dat het woord België waarschijnlijk verbasterd is van het Keltische woord belc’h wat vlas betekent? Al met al een bijzondere geschiedenis die nog verder terug gaat dan dat.

Vlasbundels in de ijzertijd boerderij

De oudste vlasvezel die men gevonden heeft is ongeveer 34.000 jaar oud. Deze werd gevonden in Georgië in het Kaukasus gebergte. In een artikel van de Harvard Gazette wordt het leren verwerken van vlas een belangrijke uitvinding voor de vroege mens genoemd. En het maakt een comeback omdat het een erg duurzaam materiaal is met een kleine ecologische afdruk. Maar hoe kom je van een plant tot een spinbaar materiaal? Dit wil ik hier beschrijven.

Vlas in het steentijdhuis op het Hunebedcentrum

De eerste stap is de prettigste grond vinden. De beste grondsoorten voor vlas zijn zandgrond, leemgrond en niet te zware kleigrond in een zacht en gelijkmatig klimaat met voldoende vocht en genoeg zon. Daarom kon men in Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk zulke goede kwaliteit vlas laten groeien. Dit viel ook de Romeinen op toen ze hier kwamen. Vooral de Morinen vielen op met hun prachtige linnen kleding. Dit komt door de grondkwaliteit en het klimaat. Daarbij werd er tot voor kort zelden in het 7e jaar vlas gezaaid zodat de grond tijd kreeg om zichzelf te herstellen.

Vervolgens gaan we zaaien. Dit gebeurt ongeveer op de 100e dag na de zonnewende, dus begin april. En na ongeveer 100 uur komt haar kopje al boven de grond. Daarom staat de vlasplant ook bekend als het plantje van 100. Wil je vooral lijnzaad? Dan zaai je met voldoende ruimte, zodat de plant veel zaaddozen kan ontwikkelen. Wil je de beste spinbare vezels? Dan zaai je de zaadjes wat dichter op elkaar zodat de plant harder zijn best moet doen om naar het licht toe te groeien. Hierdoor krijg je langere vezels.

Egyptenaren die na het ploegen het vlas zaaien.

Nadat je het zaad uitgestrooid hebt, sluit je de grond eerst met een eg, en daarna met een sleep. Het zaaien en verzorgen is een proces waar men veel aandacht aan besteedde. De grond moest onkruidvrij blijven, en om dit voor elkaar te krijgen, moest je heel voorzichtig en met de hand wieden. De vlasplant is in het begin een kwetsbaar plantje. Daarom werd dit tot begin 1900 nog met de hand vooral door de dames gedaan. Maar wanneer het vlas hoog genoeg stond, werden er af en toe ook wel eens kuddes schapen het veld op gestuurd als onkruidverdelgers.

Een man en een jongen trekken de eg om de grond te sluiten

Wanneer de blauwe bloemen verdwenen zijn en het veld geel begint te kleuren is het de tijd om te oogsten. Dit wordt ook wel slijten genoemd. Het beste slijtmoment is in de eerste helft van juli op ongeveer de 100e dag na het zaaien, wanneer de stengelblaadjes van de plant af vallen. Dan is het lijnzaad rijp, en is de vezel goed genoeg gevormd. Tijdens het slijten wordt de plant met wortel en al uit de grond getrokken. Dit om de optimale lengte van de vezel te krijgen. Daarna werd het vlas eerst gedroogd op het veld voordat het in hagen gebonden werd, waar ze verder helemaal konden drogen op het veld. Deze hagen werden zo vervoerd naar de volgende stap. Het repelen of boten. Dit zijn technieken die men gebruikte om de zaaddozen van de stengels te scheiden. Bij het repelen trek je het vlas over een ruwe kam waardoor je de zaaddoosjes eraf trekt. Bij het boten sla je de zaaddoosjes eraf met een boothamer. De zaden werden opgeslagen om later weer te zaaien, te verwerken tot olie of te verwerken in het eten voor mensen en dieren.

Van rechts naar links. Repelen, in hagen binden en slijten.

Wanneer de vlasstengels waren gescheiden van het zaad, was het tijd voor de volgende stap. Het roten. Het woord roten is afgeleid van rotten en is bedoeld om de lijmstof op te lossen die tussen de

schil, de vezels en de kern zit. In het filmpje (zie link: https://www.youtube.com/shorts/9gvrOXwmkcE) zie je het verschil, en waarom roten zo’n belangrijk onderdeel is van het verwerkingsproces.

Mannen die met de hand het vlas uit de rootput halen.

Roten kan op meerdere manieren gedaan worden. De oudste manieren zijn veldroten en blauwroten. Bij het veldroten leg je de stengels zo’n 3 tot 5 weken op het veld en keert het regelmatig om. De beste periode om dit te doen is eind september en begin oktober wanneer de herfst net begint, maar het nog niet veel vriest. Deze periode is gemiddeld genomen erg vochtig wat perfect is. Door het vocht lost de lijmstof, ook wel pectine genoemd op. Een klein schimmeltje en een aantal bacteriën helpen hier ook ontzettend bij. Na het veldroten moest het vlas weer gedroogd worden, zodat het klaar was voor de volgende stap.

De man is vlas aan het keren tijdens het veldroten. De baas kijkt toe.

Bij het blauwroten graaft men vierkante putten van ongeveer een meter diep waarin men het vlas rechtop in zet en met bijvoorbeeld graszoden en stenen onder water houdt. Dit proces duurt bij warm weer ongeveer een week en bij koud weer ongeveer 2 weken. Wanneer het klaar was, trok men het uit de put, en legde men het op het naastgelegen veld om nog een paar weken na te roten. Wel regelmatig keren! Het trekken van het vlas uit de rootputten was een karweitje met een flinke lucht! De geur van het rottende vlas was in de wijde omgeving te ruiken op de dag dat het getrokken werd. Maar men maakte er wat gezelligs van op die dag met speciale gerechten en een goede borrel na die tijd! Hierna liet men het vlas drogen om vervolgens verder te gaan met het verwerkingsproces. Deze techniek heeft de naam blauwroten gekregen omdat de plant tijdens het roten een lichte blauwige waas krijgt van het blauwe algje dat zich in de sloten in de modder bevind. De kwaliteit vlas was iets beter dan met het veldroten, maar ook veel arbeidsintensiever.

Er zijn meer technieken om te roten. Zo heb je rivierroten, chemisch roten en kunstmatig roten. Maar de bovenstaande technieken zijn het oudste en daarom heb ik deze technieken kort beschreven.

Na het roten gaan we de korst en kern braken of brakelen. De kunst is om de stengels zo te breken dat je de schors en de kern goed breekt, maar de vezels heel laat. De lange vezels zijn het meest waardevol. Daarom begon men te brakelen door er met een steen op te slaan op een zachte ondergrond. Om de plant nog beter te beschermen bond men soms een stuk leer om de steen.

Ook liet men wel eens de dieren over de planten heenlopen of deed men dit zelf. Later werden hier ook een speciaal soort schoenen voor uitgevonden wat zich weer doorontwikkelde in de eerste handbraak. Op deze langwerpige balk met gleuf legde je het vlas in de breedte neer en hield het vast. Daarna drukte je platte spaan in de gleuf om zo het vlas te breken. Doe je dit te ruw, dan breek je de vezels en is je vlas veel minder waard. Wat men ook wel eens gebruikte was een brakelhamer. Met deze techniek leg je het vlas in een cirkel om je heen en sla je er met een hamer met kerven of lamellen op om hetzelfde principe te krijgen. De korst en de kern van het vlas breken. Maar niet te hard.

Maar dan moet je de houterige kern en schors nog verwijderen van de vezels. Deze delen noemt men lemen en dit deed men door het zwingelen. Dit doe je door met een stomp mes, stok of spade en een zwingelplank met een bepaalde beweging de lemen uit het vlas te slaan. Dit proces was erg tijdrovend, maar bepaalde een groot deel van de kwaliteit van je vlas. Je houdt je vlas tegen een rechtopstaande plank met een inkeping om je handen te beschermen en houdt het vlas zo op zijn plaats.

Zwingelbord zonder inkeping. Het vlas leg je er boven overheen en slaat met een spaan de lemen eruit.

Vervolgens sla je met je andere hand je de houterige stukjes eruit. Je begint met de puntjes en werkt zo stuk voor stuk de plant af. Deze techniek heeft echt oefening nodig voor je dat door hebt. En dit mag je absoluut niet in de buurt doen van een vuurplaats of zelfs kaarslicht. De goed gedroogde houterige vezels vatten erg snel vlam en vliegen alle kanten op, dus het is een brandgevaarlijk

klusje. Op de meeste schilderijen zie je dan ook dat men dit buiten of in een schuur deed. De lemen werden vroeger verkocht als goedkope en snelle brandstof, en tegenwoordig vaak verwerkt in spaanplaat.

En als laatste een klusje met een hekel. Het hekelen. Hekels zijn ook een soort kammen die je grof en fijn kan krijgen. Dit is de laatste stap voor men het vlas kan gaan spinnen. Waar een repel op een steel staat (denk aan Repelsteeltje) en dus met de punten naar boven staat, staat een hekel op de grond en wijst met de punten van je af. Je zit erachter op een kruk en trekt het gezwingelde vlas naar je toe vanaf de grond. Vaak eerst met een ruwe kam en daarna met een fijnere kam. Dit zorgt ervoor dat de vezels allemaal in dezelfde richting liggen en het werk van de lange vezels gescheiden worden. Het werk is een naam voor de korte vezeltjes die tijdens het verwerkingsproces toch gebroken zijn. Deze vezels tref je meestal in het Hunebedcentrum voor het twijnen van armbandjes, maar werden ook als bijvoorbeeld kussenvulling gebruikt. Ikzelf spin er dikkere draden van die geschikt zijn om bijvoorbeeld netten of touwen van te maken.

Links een hekel met grove naalden en rechts een hekel met fijne naalden.

En na al die stappen kan het vlas naar de spinners en spinsters toe, die er draad van maken wat weer verweven kan worden tot kleding, tafellakens en beddengoed. Al met al een flinke reis voor je het kan gaan spinnen. Dit verwerkingsproces is in de loop van de jaren niet gek veel veranderd. Er zijn hier en daar modernere machines en hulpmiddelen ontwikkeld om het vlotter en efficiënter te doen, maar het basisprincipe blijft hetzelfde. Ikzelf vind het een enorm interessant onderwerp waar ik nog veel meer over uit wil vinden en ik ook zeker meer van wil leren. Want het is een klein plantje met een groot verhaal.

Vlasbundels in het 2de diorama in het museum

Bronnen:

B. Dewilde (1983). 20 eeuwen vlas in Vlaanderen.Uitgeverij Terra -Lannoo

Afbeeldingen: uit Dewilde en eigen foto’s Gerdien

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.