Zwarte klei en glinsterzand, bodemlagen uit een oude ijstijd onder je voeten – potklei

0
140
De potklei in Leek is door stuwing geplooid, waarbij de klei totaal verbrokkeld werd. Bij droging toont de potklei krimpscheuren.

Oude bodemafzettingen kom je in ons land alleen maar tegen in streken als Oost-Twente, de Achterhoek en natuurlijk in Zuid-Limburg. De bodemlagen daar zijn in een grijs verleden ontstaan. Sommige zelfs een paar honderd miljoen jaar geleden. In het noorden van ons land moeten we het met minder doen. De bodemlagen daar zijn een stuk jonger; sommige zijn nog maar een paar duizend jaar oud. Toch loop je op verschillende plaatsen in Noord-Drenthe en Groningen, zonder het te merken, over bodemlagen, die er ook niet van gisteren op vandaag liggen. Het betreft hier tientallen meters dikke lagen met helder geelwit glinsterzand en pikzwarte klei

In het westen van Roden ligt de potklei-afzetting aan het oppervlak, soms bedekt door een dunne laag dekzand uit de laatste ijstijd. Keileem met zwerfstenen uit de Saale-ijstijd is slechts sporadisch aanwezig.

Beide bodemsoorten zijn in een tijd ontstaan toen het klimaat hier weer eens bar en boos was: de kou van de Elster-ijstijd. Het noorden van ons land lag toen onder een zeer dik pakket Scandinavisch gletsjerijs.

Zowel glinsterzand als klei zijn in deze Elster-ijstijd in smeltwatermeren en dito geulen ontstaan.

Van beide grondsoorten vormt het zand de hoofdmoot. Het is veelal fijnkorrelig en meestal erg licht van kleur: wit, groenwit en geel zijn de voornaamste tinten. Bij kinderen is zand favoriet vanwege zijn zandbakkwaliteit. In vochtige toestand is het namelijk prachtig bouwzand; je kunt er complete forten van bouwen. Droog loopt het zand echter als water tussen je vingers door. Kinderen hebben daar een naam voor: ‘zuurzand’. Waarom dit zo genoemd wordt, is mij niet bekend, maar wel dat deze uitdrukking al vele tientallen jaren lang door generaties kinderen wordt gebruikt. In het zand zitten kleine glinstertjes. Vooral in zonlicht vallen die op, vandaar de naam ‘glinsterzand

Fijn gelaagd glimmerzand uit de Formatie van Peelo bij Vries (Dr.). Onderaan het gestoken profiel toont de afzetting kriskras gelaagdheid, ten teken dat het smeltwater hier sneller stroomde. Het zand meer naar boven toont sheetflow-gelaagdheid. De dunne laagjes zand zijn in zeer ondiep water afgezet door een stromende waterfilm.
Het fijne zand uit de Formatie van Peelo wordt ook wel glinsterzand genoemd. Het zand bevat veel, kleine schubjes van zilverwitte mica, die in zonlicht opvallend schitteren.

Potklei, wat is het voor spul?

De onderliggende reden van dit verhaal is een cursus in het Hunebedcentrum om van pottenbakkersklei bekers, schalen en potten te maken naar modellen uit de Trechterbekertijd. De vraag of men ook wel eens gedacht had aan potklei en dat daarvan vroeger stenen (kloostermoppen) dakpannen en ook allerlei potten en schalen van gebakken werden, was onbekend. Reden dus om op excursie te gaan naar hét potkleigebied in Drenthe, ‘De Kleibosch’ bij Foxwolde, noordelijk van Roden. In een groot deel van Noordwest-Drenthe komt in de driehoek Peize, Roden, Nietap/Leek potklei ondiep in de bodem of aan het oppervlak voor.

De Kleibosch bij Foxwolde is een landschappelijk afwisselend gebied, dat voornamelijk in potklei ligt. Kleine graslandpercelen wisselen af met bomenlanen met forse zomereiken en essen. Het centrale deel wordt gevormd door een eeuwenoud hakhoutbos. In natte tijden is het bos vrijwel onbegaanbaar. Bovendien vallen uit de hoge ratelpopulieren regelmatig dode takken. Bomen en struiken wortelen in potklei. In het voorjaar is de bosbodem bedekt met een tapijt van bosanemonen.
In het Kleibosch ligt de potklei voor het opscheppen. Hiervan werden in de Middeleeuwen door het klooster van Aduard in veldovens stenen en dakpannen gebakken. De stenen werden via het nabijgelegen Peizerdiep en Aduarderdiep naar Aduard vervoerd.
In het bos en omgeving zijn oude met water gevulde kleigaten zichtbaar, waarin klei gedolven werd.

Potklei vormt in de ondergrond vaak vele tientallen meters dikke pakketten. Hetzelfde geldt voor een fijn type zand, dat uit dezelfde tijd dateert. Het merkwaardige is dat beide grondsoorten voornamelijk in brede, soms honderden meters diepe geulen in de ondergrond voorkomen, alsof het om oude begraven rivierbeddingen gaat. Toch zijn de geulopvullingen niet op te vatten als restanten van oude rivieren. Ze zijn namelijk gesloten, d.w.z. ze beginnen plotseling, vertakken of verenigen zich en houden na enige tientallen kilometers even plotseling weer op. Merkwaardig is ook dat de geulen tezamen een noord-zuid georiënteerd systeem vormen. Deze geulopvullingen met zand en potklei komen niet alleen in de ondergrond van Drenthe en Groningen voor. Ze zijn in een brede west-oost geöriënteerde strook aanwezig onder de Noordzeebodem en van daar verder naar het oosten tot in Polen.

In de Elster-ijstijd zijn onder het landijs door smeltwater talrijke diepe geulen in de ondergrond uitgeschuurd. De geulen lijken op begraven rivierbeddingen, maar zijn dit niet. Het geulenstelsel loopt vanaf het midden van de Noordzee door tot in Polen.

De afzettingen van glinsterzand en potklei zijn ontstaan door smeltwater onder hoge druk onder het ijs in de Elster-ijstijd. Beide afzettingen worden in de geologie tot de Formatie van Peelo gerekend. In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn deze afzettingen in een sluisput in Peelo bij Assen diepgaand onderzocht. Het fijne zand noemt men Peelozand, maar door de aanwezigheid van veel kleine zilverwitte micaschubjes wordt het ook wel ‘glinsterzand’ genoemd. Desondanks valt niet uit te sluiten dat een deel van de potklei-afzettingen is ontstaan in smeltwatermeren tijdens de vroege Saale-ijstijd.

Potklei ontsluiting Roden (Dr.)
De zeer fijnkorrelige potklei dankt zijn donkere kleur aan fijnverdeelde bruinkoolbestanddelen. De klei is in onverweerde toestand bijna zwart en is kalkrijk. Bos dat in deze klei wortelt is zeer soortenrijk: eiken, essen, esdoorns, populieren, wilgen, meidoorns, zoete kersen, lijsterbessen enz.

Fijn glimmerzand ( glinsterzand) uit de Formatie van Peelo bij Langelo (Dr.). De kleine zilverwitte micaschubjes in het zand schitteren opvallend in zonlicht.

In het landschap merk je doorgaans weinig van de aanwezigheid van potklei en Peelozand in de ondergrond. Er is wel enig reliëf in potkleilandschappen, zoals bij Roden en in de omgeving van Nietap en Leek, maar van het Peelozand in de ondergrond merk je niets. Toch ligt dit zand over grote delen van de Hondsrug aan de oppervlakte. Vooral op de oosthelling naar het Hunzedal is dit het geval. Ook op het Balloërveld, bij het Drentse Rolde, spelen kinderen ermee in de uitgestoven zandkuilen. En als er ergens aanvul- of ophoogzand nodig is voor bouwwerkzaamheden of wegenaanleg, dan is/was dat in de meeste gevallen ook Elsterzand, opgezogen in zandputten bij Ubbena, Amerika in Drenthe en in Friesland in de Weperpolder achter Veenhuizen.

Op het Balloërveld bij Rolde ligt het fijne Peelozand in de zandverstuivingen en ook op de paden aan het oppervlak.
In een bouwput bij Steenbergen waren zowel donkere potklei als glimmerzand uit de Formatie van Peelo ontsloten. Bijzonder is dat overal in de provincies Groningen en Drenthe zowel het Peelozand als de potklei intensief ijstektonisch gestuwd zijn. De potklei is in de ijstijd in bevroren toestand gestuwd en daarbij verbrokkeld. Pas op diepten van meer dan dertig meter zijn stuwingsverschijnselen afwezig. Deze stuwing dateert uit de eerste fase van de vergletsjering van ons land in de Saale-ijstijd, toen de rand van het landijs halverwege Drenthe stagneerde.

Hoewel potklei op enkele plaatsen aan het oppervlak voorkomt, is de donkere klei bij het publiek een stuk bekender dan het glinsterende, fijnkorrelige witte zand. Dat heeft vooral met emotionaliteit en de dagelijkse praktijk te maken. Potklei bezit namelijk een paar beroerde eigenschappen. Op een enkele verdwaalde boer na, wilde vroeger niemand in een gebied wonen waar deze klei voorkwam. De grond viel door de stugge klei niet te bewerken, landbouw was met de gereedschappen van toen niet mogelijk Het was of te nat en te moerassig of te droog en dan steenhard. Voor regenwater is de waterdoorlaatbaarheid van potklei vrijwel nihil. Waar potklei aan de oppervlakte voorkomt is deze met handgereedschap  bijzonder moeilijk te bewerken. De klei is zeer stug en compact. Dit laatste komt omdat de klei voorbelast is. In de Saale-ijstijd zijn de lagen met potklei door het gewicht van het dikke pakket landijs samengeperst en deels ontwaterd. Een ander nadeel is het graven in de klei. Een kluit potklei aan de schep moet je er met de voet met kracht afschuiven en eenmaal onder de schoenen laat het zich maar met moeite verwijderen. In natte toestand vormt de klei een zeer kleverige pasta, zo fijn smeerbaar is het. Echter, eenmaal droog is het steenhard, harder nog dan de zware Groninger knikklei. Vandaar ook dat de potkleigebieden in de Middeleeuwen weinig of niet werd bewoond. Boeren wisten er met hun gereedschappen geen raad mee. Alleen waar de klei bedekt was met een dunne laag dekzand, zoals bij Roderwolde, was enige landbouw mogelijk. Voor het overige was het gebied te nat en eigenlijk alleen maar geschikt voor grasbouw en veeteelt.

In het gebied Peize, Roden, Nietap en Leek zijn hele woonwijken met tuinen op een potkleiondergrond gebouwd. En dat merkt men. In het natte jaargetijde is het een kletsnatte boel. Op veel plaatsen woont men in herfst en winter op een bak met water.

Onverweerde gestuwde potklei in Leek bij Zevenhuizen
De potklei in Leek is door stuwing geplooid, waarbij de klei totaal verbrokkeld werd. Bij droging toont de potklei krimpscheuren.
Roestbruin verweerde potklei uit een gegraven kikkerpoel bij Lieveren.

In verweerde toestand is potklei grijs, bruin of grijsgroen met gele en bruine roestvlekken. Meer naar onderen verandert de kleur al snel in donker grijszwart.Toch is niet alles kommer en kwel, potklei had en heeft ook positieve kanten. Ten eerste bepaalt deze grondsoort mede door de vegetatie het aanzien van een aantal bijzondere landschappen in Noord-Drenthe. Zo is het Kleibosch bij Foxwolde een eeuwenoud hakhoutbos en in botanisch opzicht een pareltje, dat in de potklei wortelt. De stugge klei biedt in sommige beekdalen veel weerstand aan uitschuring. De oversteek van het Lieversche Diep bij Lieveren is illustratief. Het beekdal is door de aanwezigheid van de potklei zeer smal, niet meer dan zo’n 100m. Opvallend zijn de tamelijk steil oplopende dalflanken.

De overgang van het beekdal langs de Mensingheweg bij Lieveren is zeer smal door de aanwezigheid van potklei in de directe ondergrond. Waar de potkleiafzetting dieper ligt, verbreedt het beekdal zich.

De oversteek van het Taarlosediepje – een zijtak van de Drentsche Aa – tussen Balloo en Loon is landschappelijk al even opmerkelijk. De es van Balloo loopt vrij steil af naar de beek en loopt aan de overzijde als Looner gebied weer steil omhoog. Ook daar is potklei de oorzaak van de smalle doorgang. Waar de potklei dieper ligt of zelfs afwezig is verbreden de beekdalen zich sterk.

Ook opzij van de Zuides van Gasteren, naar het dal van het Gastersediep, ligt een gebied in potklei. Goed te zien is dat regenwater slecht naar de ondergrond weg zijgt. De begreppeling van een paar graslandpercelen daar is erg nauw, om het regenwater sneller af te voeren.

Potklei als grondstof

Een andere, zeg maar economisch, positieve kant van de potklei is zijn geschiktheid om er potten en belangrijker nog, stenen en dakpannen van te bakken. Bij Nietap en Winschoten werd deze kleisoort nog tot in de vorige eeuw in een paar groeven gewonnen. Potklei werd ook gegraven door lekebroeders en monniken van het voormalige St.Bernhardklooster van Aduard. Dat is weliswaar al heel wat jaren geleden, maar het blijft bijzonder omdat men bij wijze van spreken aan de achterdeur van het klooster in Aduard geschikte klei voor het opscheppen had. Waarom dan toch in de Middeleeuwen klei graven in een voor die tijd zo’n afgelegen en verlaten gebied als Foxwolde? Het antwoord is eenvoudig: Bij Nietap was voor het bakken van stenen brandstof voorhanden in de vorm van turf. Het klooster had grote bezittingen in deze streken, waaronder ook uitgestrekte stukken veenland. Met de turf werden veldovens gestookt, waarin stenen en dakpannen konden worden gebakken. De nabijheid van het Peizerdiep, dat overigens verbonden was met het gegraven Aduarderdiep, bracht de stenen bij het klooster aan de voordeur.

De abdij van het Sint Bernhardklooster in Aduard is het enige overblijfsel van het uitgestrekte kloostergebied in de Middeleeuwen. De kerk was het voormalige hospitaal van het klooster. Het gebouw is opgetrokken uit kloostermoppen die van potklei uit De Kleibosch zijn gebakken.
In Aduard zijn nog woningen en gevels aanwezig die uit karakteristieke kloostermoppen zijn opgetrokken

Potklei, turf en boetedoening

Er was nog een andere reden waarom het klooster van Aduard in het Noordenveld actief was. Veldnamen bij Nietap als ‘Ter Helle’ (=Terheyl) en het ‘Vagevuur ‘ duiden op minder aantrekkelijke zaken. Het klooster in Aduard behoorde tot de orde van de Cisterziensers, een religieuze gemeenschap met strenge regels. Monniken brachten de dag door met bidden en mediteren. Lekenbroeders waren hier voor een deel van vrijgesteld. Maar voor je het wist had je wel op een of andere manier tegen de regels gezondigd. Het verhaal wil dat men daarvoor boete moest doen.

In ernstige gevallen bestond dit uit een verbanning naar het gebied rond Nietap en Foxwolde. Eén middagje potklei graven met een slechte schep en je krijgt een goede indruk wat deze monniken weken en misschien wel maandenlang in de Middeleeuwen hebben moeten ondergaan. Nee, het was geen pretje daar in het Nietapse Natuurschoon, waar het Vagevuur zich bevindt. Het veen daar is allang verdwenen, maar de oude kleiputten bij Foxwolde, waar de potklei is gegraven, zijn hier en daar in het Kleibosch bij Foxwolde nog goed zichtbaar.

Hoewel een aardig verhaal, en wellicht een kern van waarheid bevat, was de werkelijkheid toch iets anders: In het jaar 1437 verpachtten de markegenoten van Roderwolde het gebied van De Kleibosch aan de Abdij van Aduard. De monniken van Aduard zagen brood in de potklei die hier letterlijk voor het opscheppen lag. Ter plekke lieten ze er in veldovens dakpannen en kloostermoppen van maken, die later per schuit via Peizerdiep en Aduarderdiep hun weg vonden naar bouwplaatsen in het noorden van het land. Na de middeleeuwen schakelde de Groninger steenindustrie over van potklei op zeeklei. Toch was er bij Nietap tot in het begin van de vorige eeuw nog een groeve in de potklei.

Hoe is het diepe geulensysteem met zand en potklei ontstaan?

Terug naar het raadsel van de vorming van de geulen in de ondergrond met hun zeer dikke zand- en potkleiafzettingen.

Op de ijskap van Groenland ontstaan in de zomermaanden grote smeltwatermeren, soms met een inhoud van vele kubieke kilometers. Het omlaag storten van het water via spleten zou verantwoordelijk zijn voor de diepe uitgekolkte geulen in de ondergrond van Noord-Nederland. De werkelijke ontstaanswijze is anders (zie verhaal).

Om deze diepe, soms wel een paar honderd meter diepe geulsystemen te verklaren, wordt door sommige geologen wel gedacht aan het van de ijskap omlaag storten van gigantische hoeveelheden smeltwater, wellicht van hoogten van enige honderden meters. Het is bekend dat zich op ijskappen smeltwatermeren kunnen vormen, soms met een inhoud van vele kubieke kilometers water. Deze smeltwatermeren kunnen in de instabiele frontzone van het landijs via spleten en scheuren leeglopen. Stromend water heeft tot gevolg dat het ijs waarlangs het water stroomt zeer snel wegsmelt. Men vermoedt dat dergelijke smeltwatermeren tijdens de Elster-ijstijd her en der op en in het landijs aanwezig zijn geweest en dat ze ook zijn leeggelopen. Dit moeten zeer indrukwekkende watervallen van ijskoud water zijn geweest.

Een sterk vervlechtende smeltwaterrivier in Noord-Canada. We moeten ons voorstellen dat in een dergelijke, traag stromende smeltwaterrivier het fijnkorrelige Peelozand in zeer ondiep water is afgezet, vaak in de vorm van een zgn. sheetflow-afzetting.

Een van de redenen waarom het Elster landijs in ons land weinig sporen van zijn aanwezigheid heeft achtergelaten zou kunnen zijn dat het ijs waarschijnlijk een veel grotere dikte had dan tijdens de Saale-ijstijd. Ook is het waarschijnlijk zeer schoon ijs geweest met weinig morenemateriaal. Hoe dan ook, het neervallende water zou de ondergrond met onvoorstelbare kracht uitgekolkt kunnen hebben en het losgewerkte zand uit de ondergrond met geweld hebben meegevoerd. Nadat het water uit de smeltwatermeren was weggelopen vulden de uitgekolkte geulen zich in de loop van de tijd op met zand en klei. Opvallend is dat onderin de geulen doorgaans grof grindhoudend zand is afgezet. Verder naar boven komt vooral fijn zand voor met zeer veel kleine glimmerblaadjes. Verder naar boven zijn vooral de fijnste bestanddelen afgezet: de potklei.

De laatste jaren is men echter steeds meer geneigd bovengenoemde ontstaanswijze te vervangen door uitschuring van de ondergrond door het landijs zelf. Recente onderzoekingen aan ijsbewegingen op ijskappen hebben laten zien dat ijs door zijn grote druk lokaal in staat is zich samen met smeltwater geulvormig in de ondergrond in te snijden. Dieptes tot meer dan 300m zijn daarbij goed mogelijk. Niet helemaal duidelijk is hoe in dit geval de opvulling van de geulen is verlopen. Merkwaardig is dat vergelijkbare geulvormingen tijdens de landijsbedekking in de Saale-ijstijd daarna niet of nauwelijks zijn opgetreden. Al met al lijkt het er op dat de gedragingen van de landijskappen in beide ijstijden in ons land volstrekt verschillend zijn geweest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.