vrijdag, oktober 16, 2026
    Home Fossielen Beenvissen in vuursteen

    Beenvissen in vuursteen

    0
    801
    Een 3D recontructie van Xiphactinus sp. uit het Krijt, Foto Shutterstock, Esteban de Armas, ID:2104400540

    Noordelijke vuursteenfossielen

    In het noordelijk deel van Nederland is veel vuursteen te vinden en je kunt er prachtige fossielen in aantreffen. In 2023 publiceerde Mart Krook een boekje met een uitgebreid overzicht van vondsten uit de omgeving van Zuidwolde. Deze fossielen in vuursteen zijn in heel Noord-Nederland en Noord-Duitsland te vinden. Deze keer een artikel over beenvissen.

    Beenvis in vuursteen, cf. Mcconichthys sp. Vinzier (Schleswig-Holstein, DE), coll. S.Witteck, foto K.Witteck

    Beenvisachtigen (Osteichthyes)
    Straalvinnigen en kwastvinnigen zijn gewervelde vissen, waarvan hun skelet grotendeels uit bot bestaat. Dit in tegenstelling tot kraakbeenvissen (Chondrichthyes) zoals haaien en roggen, die een skelet van kraakbeen hebben.
    Straalvinnigen (Actinopterygii) en kwastvinnigen (Sarcopterygii) horen beide bij de enorm grote overkoepelende groep beenvisachtigen.

    Coulacanten en longvissen zijn kwastvinnigen en hun naam heeft te maken met de structuur van hun vinnen, die lijken op een kwast. Deze vinnen hebben botten en spieren, wat ze onderscheid van andere vissen, zoals straalvinnigen. Ze worden met hun vlezige vinnen dan ook beschouwd als een belangrijke evolutionaire link tussen vissen en landdieren. Coulacanten worden gezien als een levend fossiel, omdat ze de enige nog levende vertegenwoordigers zijn van een uitgestorven groep vissen. Tot 1938 dacht men dat de soort uitgestorven was, totdat voor de kust van Zuid-Afrika een levend exemplaar werd ontdekt.

    Coelacanth met stevige vinnen die botten en spieren bevatten. Foto: Shutterstock, Prachaya.R, ID: 1800166861


    Vissen met vinnen die een naaldvormige, straalvormige botstructuur hebben, worden straalvinnigen genoemd. De beenachtige structuur in de vin ondersteunt de huid. Bijna 99% van alle vissen behoren tot de straalvinnigen en komen in de hele wereld voor. Tijdens het Siluur, 420 miljoen jaar geleden, zijn overblijfselen van deze klasse vissen als fossiel teruggevonden.  

    Baars met benige of hoornachtige vinstralen in de vinnen. Foto: Shutterstock, Selhin, ID: 13359541

    Beenvissen (Teleostei)
    De grootste groep binnen de klasse straalvinnigen ( 96%) zijn de beenvissen. Ze hebben een goed ontwikkeld skelet dat volledig verbeend is. De kaakbeenderen zijn afzonderlijk van elkaar beweegbaar en kunnen naar buiten worden gestoken, waardoor een grote, ronde mondopening ontstaat.
    Ze kunnen hierdoor betrekkelijk grote prooien vangen en doorslikken. Het voorste deel van de bovenkaak (zie tekening straalvinnige pmx) is beweeglijk en zit los van de schedel.
    Beenvissen halen adem met hun kieuwen, die bedekt worden met benen kieuwdeksels. Hun huid is naakt of bedekt met schubben. Ze hebben twee borstvinnen, twee buikvinnen, een rugvin, een staartvin en een achtervin.
    Er zijn 28.000 soorten bekend, waaronder de zalm, kabeljauw, voorn, baars en goudvis. Wereldwijd komen ze in alle oceanen, rivieren en meren voor, in zowel zoetwater als in zoutwater.

    Het dieet van beenvissen hangt af van de soort en de omgeving waarin ze leven.
    Er zijn soorten die plankton eten, maar er zijn ook vissen die insecten, kleinere vissen, schaaldieren, wormen, weekdieren en planten eten. Natuurlijk staan ze zelf ook op het menu van grotere roofvissen, vogels, zoogdieren, kreeftachtigen en reptielen.

    De karakteristieke bouw van de schedel en kaak van een straalvinnige (baars). Tekening: Wikipedia f: frontaal, t: turbinaal, po: pre-orbitaal, io: infra-orbitale ring, mx: bovenkaak, pmx: voorste deel bovenkaak, m: onderkaak, d: dentair bot, s: boven schouderblad, o: operculum (orbitaal = rond de oogkas, operculum = kieuwdeksel). Tekening: Naar Sir Francis Day, Public domain, via Wikimedia Commons
    Visresten van Osteichthyes in vuursteen, Zuidwolde, coll. M.krook (Hunebedcentrum).
    Enchodus sp. uitgestorven beenvissen uit het Laat-Krijt en het Paleoceen, Foto: Creator: Dmitry Bogdanov, CC BY 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by/3.0, via Wikimedia Commons

    Beenvissen komen in allerlei soorten en maten voor. Zo is de larve van de maanvis Mola (niet de bekende aquariumvis) slechts 2,5 mm groot. De volgroeide Mola kan soms wel 360 cm groot worden en bij de Azoren is zelfs een exemplaar ontdekt dat 2744 kg woog! De oudste fossielen van beenvissen zijn bekend uit het Trias, 250 miljoen jaar geleden. Deze vissen vormen een van de meest diverse en succesvolle groepen in de geschiedenis van het dierenrijk.

    Beenvissen in vuursteen
    Na de dood van de beenvis, komt het kadaver meestal op de zeebodem terecht en verteert het vrij snel of valt ten prooi aan aaseters. Al na een korte tijd laat het bindweefsel tussen de skeletdelen los en worden de graten, botjes en schubben verspreid over de zeebodem, waarna ze soms meteen, of later worden bedekt met zand, slib of kalkresten. Na verloop van tijd verhard de zeebodem in gesteente door fysieke, chemische en biologische veranderingen. Dit gebeurt onder betrekkelijk lage druk en temperatuur, en omvat processen zoals compactie, waarbij afzettingslagen worden samengedrukt en cementatie, waarbij mineralen sedimentkorrels met elkaar verbinden. Dit proces noemen we diagenese.

    Na de vorming van vuursteen in kalksteen, zien we dat losse botresten van beenvissen vooral als afdruk goed bewaard zijn gebleven in vuursteen. Complete skeletten zijn in vuursteen zeer zeldzaam en losse fragmenten zijn nauwelijks te determineren, omdat ze door hun fragiele vorm en mate van fossilisatie niet meer worden herkend.
    In Vinzier (DE) is in vuursteen een skelet van een uitgestorven beenvis gevonden. Het gaat hier vermoedelijk om Mcconichthys sp.

    Zowel in Behrensdorf als in Eckenförder Bucht (Schleswig-Holstein, DE) zijn eind vorige eeuw in vuursteen een reeks bij elkaar horende wervels, met graten en/of schubben gevonden van een beenvis. Vondsten als deze zijn in vuursteen zeer zeldzaam.

    Wervels van een beenvis in vuursteen, matrix 18x10x6 cm, Eckenförder Bucht (DE), coll. W.Bilz
    Skeletresten van een beenvis in vuursteen, lengte 5 cm, Behrensdorf (DE), coll. K. Muhs
    Afdruk wervel van een beenvis in vuursteen, Anderen (Dr.) coll. G.van Veen (T.Koops)

    Losse wervels en schubben zijn als afdruk wel bekend in noordelijk vuursteen.
    Het visskelet uit Behrensdorf bestaat uit 8 wervels van ± 5 x 5 mm, die in de lengte zijn doorgesneden en eveneens behoorlijk verweerd en verbrijzeld zijn. Aan de ene kant zijn zes graten te zien en aan de andere kant vier stuks. De doornuitsteeksels van de wervels zijn voor een deel als holle ruimte bewaard gebleven. 
    In Anderen (Dr.) is een vuursteen gevonden met de afdruk van een prachtig geconserveerde wervel van een beenvis!

    Veel fragmenten van beenvissen in vuursteen worden gevonden in graafgangen en zijn niet echt zeldzaam. Het zijn vooral schubben, graten, wervels, botjes van de schedel en de kaak, die door kreeftachtigen zijn opgegeten, waarna ze waarschijnlijk deze resten gebruikten om hun gangen steviger te maken.
    In vuursteen vinden we deze graafgangen regelmatig terug, maar het bijna onmogelijk van deze visresten de soort te bepalen. Door de verscheidenheid aan soorten beenvissen en de afzonderlijke botjes (zie tekening schedel baars) lukt dit helaas niet.
    De graafgangen zijn vermoedelijk gemaakt door een kreeftachtige, maar welke is onbekend. Vandaar dat de graafgang een ichnofossiel of sporenfossiel is en de naam Lepidenteron lewesiensis heeft gekregen.

    Graafgang kreeftachtige met visresten (Osteichthyes) in vuursteen, Zuidwolde, coll. G.Zomer

    Borstvinstraal van een beenvis
    Meestal is het niet eenvoudig een botfragment van een kraakbeenvis of een beenvis te determineren. Bij de vondst van een borstvinstraal van een beenvis werd eerst gedacht aan een kleine, gladde rugstekel van een kraakbeenvis, zoals de haai Squalus. Ook een mogelijkheid was een rugvinstekel van een draakvis, nauw verwant aan haaien en roggen. Beide mogelijkheden klopten niet omdat de basis, dus het gedeelte dat verbonden is met de ondergrond, er anders uit zag.

    Borstvinstraal van een beenvis in vuursteen, Rinsumageest, coll. J.Seinstra

    Het botfragment, dat gevonden is in Rinsumageest, is waarschijnlijk de eerste borstvinstraal, het benige staafje, graat of stekel van de borstvin van een beenvis. Deze straalvinnige vissen hebben aan weerszijden van het lichaam, net achter de kieuwen, gepaarde vinnen. Deze hebben een stekelachtige structuur, die het vlies van de vin ondersteunen. De vinnen zijn verbonden met de schoudergordel en zijn zeer beweeglijk. Ze spelen een belangrijke rol bij het sturen, stabiliseren en veranderen van de positie van de vis in het water.

    Eerste vinstraal (rood) bij de borstvin van een beenvis. (naar Goodrich,, 1859)

    Er zijn beenvissen waarbij borstvinnen zich in de loop der tijd hebben ontwikkeld en aangepast aan hun leefomgeving en de manier van voortbeweging. Zo zijn er vissen die met hun borstvinnen in de bodem kunnen graven, of zich vastklampen aan de ondergrond. Ook zijn er vissen die ze gebruiken als vleugels. Bij meervallen is dit heel kenmerkend, maar zij hebben borstvinstraal met aan één zijde van het botfragment een grof gezaagde structuur. Bij het gevonden exemplaar is dit niet het geval. Zie bij een meerval:
    https://brilmans.tumblr.com/post/151899555836/een-indrukwekkende-vondst

    Op welke manier de gevonden borstvinstraal heeft gefunctioneerd, is met het gevonden fragment niet te achterhalen. Het is wel bijzonder dat het zeer goed geconserveerd is in vuursteen.

    Kaakresten van een beenvis in vuursteen, Zuidwolde, coll. M.Krook (Hunebedcentrum)

    Bronnen:

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.