Op het eerste gezicht zou je ze misschien niet verwachten in het koude Europa van de ijstijd, maar er hebben hier zeker hyena’s rondgelopen. De bekendste daarvan was de grottenhyena, en die maakte als toproofdier flink de dienst uit op de mammoetsteppe. Daar kon je maar beter respect voor hebben.
Tegenwoordig heeft de hyena te lijden onder een negatief imago – versterkt door films als The Lion King, waarin hyena’s vooral als lui en gemeen worden afgebeeld. Dat beeld is niet helemaal onterecht: hyena’s staan bekend als stelende aaseters, en ze zijn ook niet vies van een beetje kannibalisme. Maar wist je dat hyena’s ook actieve jagers zijn? En dat ze karkassen veel efficiënter kunnen leegvreten dan bijvoorbeeld leeuwen of sabeltandkatten? De grottenhyena kon dat ook allemaal.

Evolutie en aankomst in Europa
De grottenhyena – Crocuta (crocuta) spelaea – was nauw verwant aan de huidige Afrikaanse gevlekte hyena. Hoewel ze sterk op elkaar leken, kon de grottenhyena wel twee keer zo groot worden als zijn moderne neefje. Uit DNA-onderzoek blijkt dat de voorouders van de grottenhyena zich ongeveer een miljoen jaar geleden afscheidden van de gevlekte hyena en vanuit Afrika vertrokken. Het is nog onduidelijk of ze twee ondersoorten zijn of aparte soorten.
De grottenhyena was overigens niet de eerste hyenasoort in Europa. Voor hem leefde hier de minder bekende, maar nog grotere Pachycrocuta hyena. Dat was een soort reuzenhyena. Hoewel we beide soorten als “hyena” bestempelen, zijn ze niet direct verwant. Ongeveer 800.000 jaar geleden stierf de Pachycrocuta om onbekende redenen uit in Europa. Zijn plek werd ingenomen door de kleinere (maar nog steeds forse) grottenhyena, die inmiddels via Azië Europa had bereikt.
Europees leefgebied
Hoewel grottenhyena’s zich goed wisten te redden op de open mammoetsteppe, bewijzen talloze fossiele vondsten dat ze ook graag in grotten verbleven. Vandaar de naam. De hele familie woonde er, en mogelijk gebruikten ze sommige ruimtes zelfs als opslagplaatsen, waar ze resten van hun prooidieren bewaarden op plekken die minder toegankelijk waren voor andere roofdieren zoals luipaarden en holenleeuwen.

Samen leven, samen jagen, samen eten
De grottenhyena was waarschijnlijk, net als zijn moderne tegenhanger, een echt groepsdier. Ze leefden in grote familiegroepen en deelden lief en leed. Dat was handig bij het jagen op grote prooien, of bij het afpakken van prooien van andere roofdieren, zoals leeuwen.
Verder waren het echte opportunisten. Ze jaagden actief op grote prooidieren zoals paarden, saiga-antilopes, oerossen, steppewisenten en diverse soorten herten en rendieren. Volwassen wolharige neushoorns of mammoeten zullen ze waarschijnlijk niet hebben aangevallen, maar hun jongen waren vast niet veilig voor een hongerige groep grottenhyena’s.
Naast hun favoriete jachtprooien waren ze ook niet vies van aas. Bijna elk karkas was welkom. En als het echt moest, gingen ze zelfs over tot kannibalisme van overleden soortgenoten.

Het voordeel van stevige kaken
Misschien heb je wel eens een karbonaadje gegeten. Het vlees is gaar, je neemt een hap – en dan ineens: krak! Een stukje bot tussen je kiezen. Pijnlijk! Hopelijk breekt er niets af… Ken je dat verhaal? Nou, grottenhyena’s niet!
Laat ik het uitleggen.
Neem bijvoorbeeld sabeltandkatten. Zij hadden indrukwekkende hoektanden, waarmee ze een prooi in seconden konden doden. Maar die tanden waren kwetsbaar: bij een verkeerde beet konden ze breken – met een pijnlijke en mogelijk dodelijke afloop. Daarom moesten ze voorzichtig zijn, zowel bij de jacht als bij het eten. Een onverwachte aanraking met bot kon fataal zijn.
Holenleeuwen waren anders. Net als moderne leeuwen hadden ze stevige, kortere hoektanden. Minder elegant, maar praktischer. Ze konden hun prooi doden door langdurig te verstikken, zoals je vaak in natuurdocumentaires ziet. Ook konden ze relatief veilig bij het vlees komen, zonder snel tanden te beschadigen.
En dan zijn er de hyena’s en voor ons in het bijzonder de grottenhyena. Deze dieren jaagden in groepen en konden samen een flinke prooi overmeesteren. Maar het grote verschil zat in hun kaken. De kaken van hyena’s zijn bijzonder krachtig, met veel en sterke spieraanhechtingen. Hun tanden en kiezen zijn beter bestand tegen druk dan die van leeuwen of katachtigen. Daardoor konden ze een karkas volledig leegeten – tot op het bot.
Letterlijk. Grottenhyena’s konden zelfs botten breken om bij het voedzame merg te komen, zonder hun gebit te beschadigen. Dat maakte ze tot uiterst efficiënte opruimers. Ze hadden minder prooidieren nodig om aan dezelfde hoeveelheid voedingsstoffen te komen als andere roofdieren.
Competitie met andere roofdieren en mensen
Kijk je een documentaire over de Afrikaanse savanne, dan zie je vaak leeuwen die hun prooi moeten verdedigen tegen opdringerige hyena’s. In het Europa van de ijstijd was dat waarschijnlijk niet anders. Holenleeuwen moesten hun buit beschermen tegen groepen grottenhyena’s die graag profiteerden van het gevaarlijke werk van een ander.
Ook holenberen waren niet erg blij met grottenhyena’s. Beide soorten gebruikten grotten als verblijfplaats, dus botsingen lagen voor de hand.
En dan waren er nog de neanderthalers. Ook zij maakten graag gebruik van grotten. Het lijkt erop dat mensen en hyena’s deze schuilplaatsen soms afwisselend gebruikten, en dat grottenhyena’s zelfs prooien van neanderthalers afpakten. Je kon in die tijd dus maar beter goed opletten als je een rustig plekje voor de nacht zocht!
Hunebedcentrum
Wist je dat we in het Hunebedcentrum een bot van een wolharige neushoorn hebben met knaagsporen erop? Mogelijk zijn deze sporen achtergelaten door grottenhyena’s. Je vindt het bot in een vitrine in het Trechterbekercafé. Zien we je snel?
Bronnen
Grottenhyena’s die kannibaliseerden: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/azo.12323
Artikel met nieuwe inzichten over hyenasoorten: https://www.schweizerbart.de//papers/pala/detail/322/101138/A_revision_of_the_genus_Crocuta_Mammalia_Hyaenidae?af=crossref











