dinsdag, oktober 6, 2026
    Home Fossielen Slakken in vuursteen, opruimers en jagers, maar ook prooi

    Slakken in vuursteen, opruimers en jagers, maar ook prooi

    0
    616
    Slak in de cortex van vuursteen Opaliopsis engelhardti, Potsdam (DE), foto Th. Lampe

    Noordelijke vuursteenfossielen


    In het noordelijk deel van Nederland is veel vuursteen te vinden en je kunt er prachtige fossielen in aantreffen. In 2023 publiceerde Mart Krook een boekje met een uitgebreid overzicht van vondsten uit de omgeving van Zuidwolde. Deze fossielen in vuursteen zijn in heel Noord-Nederland en Noord-Duitsland te vinden. Deze keer een artikel over slakken in noordelijk vuursteen.

    Slakken – opruimers en jagers, maar ook prooi

    cf. Turritella sp. (lengte 2,5 mm) in de cortex van vuursteen, Odoorn (Dr.), coll. T.Koops

    Slakken (Gastropoda)

    Slakken zijn de enige weekdieren, die zowel op het land als in zout en zoet water voorkomen. Ze worden ook wel buikpotigen genoemd, omdat ze zich voortbewegen met de gespierde onderkant (buik) of voet van hun lichaam.
    Sinds het Cambrium is het een van de meest succesvolle diergroepen op aarde. Er zijn ruim 65.000 beschreven soorten en met 170.000 bestaande en fossiele soorten is het ook de meest vormrijke en wijdverspreide klasse van weekdieren.
    De meeste slakken leven in onze zeeën, oceanen en binnenwateren. Ze vervullen diverse rollen in het ecosysteem en hebben zich goed aangepast aan hun verschillende woonomgeving, zoals koraalriffen, rotsplateaus en zandbodems.
    Er zijn jagers, opruimers en planteneters, maar de slakken dienen zelf ook als prooi voor allerlei roofdieren, zoals kreeftachtigen, zeesterren en vissen.

    Zo zijn er vleeseters onder de slakken, die een gaatje boren in de schelp van een ander weekdier en de inhoud dan opeten. Bij de wulk, ook een vleeseter die tegenwoordig in de Noordzee leeft, is goed te zien wat er dan gebeurt.
    Allereerst zoekt de wulk de prooi op met geur via tasters op zijn kop. Daarna wordt de radula gebruikt, een soort ruwe tong met tandjes, om een gaatje in de schelp te boren. Door dat gaatje verlamt of beschadigt de wulk de sluitspieren, waarna de schelp open kan en het zachte weekdier wordt opgezogen.

    Slakken (Gastropda), tweekleppigen (Bivalvia) en inktvissen (Cephalopoda) zijn allemaal ongewervelde weekdieren (Mollusca).
    Veel soorten gastropoda worden gebruikt als gidsfossiel, waarmee de ouderdom van aardlagen kan worden vastgesteld.
    Een belangrijke kenmerk van slakken is de uitwendige, tot spiraal gewonden schelp. Ze kunnen zich hierin volledig terugtrekken bij gevaar. De vorm kan variëren van eenvoudig tot ingewikkeld. Soorten als Turritella en Actaeonella hebben een langgerekte, torenvormige schelp, terwijl Nerinea een complexere vorm heeft.
    Er zijn natuurlijk ook slakken die geen schelp hebben en deze noemen we naaktslakken.

    Zeeslakken met een harde spiraalvorige schelp zoals Turitella sp. hebben groeiringen, die soms iets over de leeftijd kunnen zeggen. Maar ook andere factoren, zoals koude- of droge periodes of voedseltekort kunnen de groeiringen eveneens beïnvloeden.

    Er zijn groepen slakken die een beschermend dekseltje (operculum) hebben. Ze kunnen hiermee de opening afsluiten. Bij een aantal soorten is dit door evolutie gedeeltelijk of helemaal verdwenen.
    Slakken hebben geen tanden, maar de meeste hebben een rasptong (radula). Dit zijn duizenden kleine hoornachtige tandjes, waarmee ze voedsel, zoals algen van rotsen  afschrapen en opeten, Ze kunnen er ook een gaatje mee boren in de schelp van een tweekleppige.

    Sommige slakken hebben op hun kop twee ogen op steeltjes. Ze zien er niet veel mee, maar kunnen wel licht en donker waarnemen.

    Gaatje in een tweekleppige gemaakt door een gastropode, Naturalis Licentie CC BY-NC-ND 4.0

    Sporen van Slakken (Gastropoda)
    Aan het strand kun je zo nu en dan tweekleppigen vinden met een gaatje, dat veroorzaakt is door een gastropode. Ook in fossiele exemplaren treffen we dit aan. Een slak is de boosdoener, die met z’n rasptong het gaatje boorde om daarna het weekdier op te eten. Het boorgat is een ichnofossiel en heeft de naam Oichnus paraboloides gekregen. In vuursteen zijn deze sporen moeilijk te vinden.
    In het sediment zal bij de vorming van vuursteen het gaatje in de schelp vermoedelijk zijn opgevuld met kiezel (siliciumdioxide/SiO2). We zien dat in noordelijk vuursteen de schelp van aragoniet of calciet na verloop van tijd door bijv. zuur grondwater volledig is opgelost en verdwenen. Er zou in dit geval dan een dun kolommetje van vuursteen moeten overblijven op de plaats waar het gaatje zich bevond. Dit zou dan op de kern, óf op de afdruk van de schelp kunnen vastzitten. Tot nu toe is dit nog niet gevonden in vuursteen, maar een mogelijkheid bestaat.
    Het herleiden van een sporenfossiel (ichnofossiel) naar de veroorzaker, is nauwelijks mogelijk. Vandaar dat deze sporen als ichnofossiel een eigen naam krijgen.
    Er zijn ook slakken die met hun rasptong algen van de ondergrond afschrapen. Dit geeft soms bochtige en ondiep, maar ook diepere sporen, afhankelijk van het formaat van de grazers. Graas- of schraapsporen van slakken zijn onder meer gevonden op kokers van de worm Ditrupa sp. Deze borstelwormen maken kokers om in te wonen en leefden eveneens tijdens het Krijt. Ze zijn ook teruggevonden in noordelijk vuursteen. Er zijn meerdere gastropoda die sporen achterlieten op het sedimentoppervlak. Deze graassporen van slakken kunnen misschien ook in vuursteen na het oplossen van calciet of aragoniet als negatief worden aangetroffen.

    Turritella sp. (19 mm) in corona Echinocorys sp. Sassnitz, Mecklenburg-Vorpommern (DE), coll. R.Matschke, foto H.Menzel-Harloff

    Fossiele slakken
    Slakken kwamen in de Krijtzee veel voor en ook het aantal soorten is tijdens het Boven-Krijt flink toegenomen. Bepalen van de soort vindt bijna uitsluitend plaats met behulp van de schelp. Kenmerken zijn dan het aantal bochten, de verhouding tussen hoogte en breedte, de aanwezigheid van een navel, het sifonaal kanaal of de lip.
    Er zijn nogal wat typen, die zelfs de opening van de schelp kunnen afsluiten met een deksel (operculum).

    Toelichting:
    – De navel is de kleine opening aan de onderkant van de schelp in het midden van de spiraal en
    te zien als de windingen niet volledig tegen elkaar aan liggen.
    – De lip van een slak is de soms verdikte of omgekrulde mondopening van de schelp.
    – Het sifonaal kanaal is een buisvormige verlengstuk van de mantelholte en komt vooral voor bij
    carinivore zeeslak
    Turritella sp. in vuursteen, Zuidwolde, Drenthe (NL), coll. en foto M.Krook (Hunebedcentrum)

    Ondanks dat gastropoda tijdens het Krijt veel voorkwamen, zijn ze als fossiel zeldzaam. De schelp van de slak is van aragoniet en het blijkt dat deze schelp in het krijtgesteente en in vuursteen bijna altijd is verdwenen. In het kalksteen zijn dan alleen nog maar de steenkern en de afdruk van de schelp terug te vinden. Vermoedelijk is het aragoniet in zuur (grond)water opgelost en er rest dan niets anders dan een smalle holle ruimte….. Desondanks zijn er in het Boven-Krijt van Rügen minstens 45 taxa (orde, familie, geslacht of soort) Gastropoda bekend (REICH & FRENZEL, 2002).

    In vuursteen zijn doorgaans alleen nog de contouren van de gastropode te herkennen.
    Goed geconserveerde en verkiezelde slakken worden soms wel op de cortex (buitenkant) van een vuursteenklomp gevonden. De zuurgraad van het sediment, de aanwezigheid van organisch materiaal en de diepte van het sediment kunnen allemaal invloed hebben op de conservering van schaaldieren.

    Drie achtereenvolgende ijstijden en de begrenzing van het landijs in Duitsland en Nederland. De blauwe lijn is het Elsterien (465.000 – 418.000 jaar geleden, de gele lijn het Saalien (238.000 – 126.000) en de rode lijn het Weichselien (116.000 – 11.700 jaar geleden). (Bewerkt naar Botaurus op German Wikipedia, Public domain, via Wikimedia Commons)

    Slakken in noordelijk vuursteen
    Er zijn in noordelijk vuursteen maar enkele vondsten van gastropoda bekend. Dit is vast ook de reden, dat er geen publicaties zijn geweest op dit gebied.
    Tot nu toe zijn er in Noord-Nederland een Turritella sp. uit Zuidwolde (Dr.) (KROOK, 2023) en een Turitella sp. uit Odoorn (Dr.) gevonden. Bij de eerste is alleen de omtrek van de slak te zien, waardoor verdere determinatie niet mogelijk is. Het betreft een hoge spiraalvormige schaal met diep ingesneden naden en de binnenkant ervan is volledig opgevuld door vuursteen.
    Bijzonder is, dat de schelp van cf.Turritella uit Odoorn (Dr.) in de cortex van de vuursteen als chalcedoon is geconserveerd. Helaas is de basis beschadigd en de kiel niet echt duidelijk te zien is, vandaar dat determinatie moeilijk is.

    We zien vaker, dat aan de buitenkant van vuursteen een schelp van aragoniet of een schaal van calciet goed bewaard blijft. Conservering op deze plek voorkomt blijkbaar ook het oplossen van deze mineralen, zoals binnenin vuursteen wel gebeurt.

    Andere vondsten in Noordelijk vuursteen

    In Noord-Duitsland zijn meerdere gastropoda in vuursteen gevonden. Fritz J. Krüger schrijft hierover in 2005 in het tijdschrift ‘Fossilien’. Alle besproken vuursteenfossielen zijn afkomstig uit het Boven-Krijt van Denemarken en Noord-Duitsland. In de deelstaten Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen, Mecklenburg-Vorpommern en Brandenburg is tijdens het Saalien veel sediment afgezet. De laatste twee deelstaten hebben ook te maken gehad met het Weichselien. In deze periode zal er ook sediment vanuit het noorden zijn versleept.
    Krüger meldt de vondst van 19 slakken in vuursteen (KRÜGER, 2005) uit diverse verzamelingen. Het gaat daarbij om afdrukken, waarbij de versieringen aan de buitenkant van de schelp goed te zien zijn. Determinatie van het genus is dan zeker mogelijk. Het gaat hierbij om Epitonium sp., Turritella sp., Riselloidea sp.Van losse vuurstenen steenkernen, dus de met vuursteen opgevulde binnenkant van de slak zijn er een aantal gevonden. Omdat de kenmerken voor het bepalen van de genus hier meestal niet aanwezig zijn, is determinatie moeilijk. Het betreft cf.Trochacteon sp., Pleurotomaria sp., Epitonium sp., verder vermoedelijk cf.Trochus sp. en een Turritellide.
    Soms worden slakken ook volledig opgenomen in vuursteen. De buitenkant van de schelp is dan niet meer zichtbaar. Het komt regelmatig voor, dat bij een doorsnede de contouren van de schelp goed te zien zijn. De mate van de verkiezeling zal dan bepalend zijn of er nog genoeg kenmerken aanwezig zijn. Zo zijn er wel enkele Turritella-achtige gastropoden in vuursteen gevonden.

    Bij slakken die in de cortex van vuursteen worden aangetroffen, is de aragonieten schelp vaak omgezet in chalcedoon en zo goed herkenbaar. Heel bijzonder dat in een holte aan de buitenkant van de kern van een Echinocorys sp. een nieuwe soort gastropode werd gevonden: Opaliopsis engelhardti. (Holotypus Nr.NMB-670-G)

    Opaliopsis engelhardti in vuursteen, (lengte 6 mm), zwerfsteen van Fresdorfer Heide, Potsdam, (DE), coll. Staatliches Naturhistorisch Museum Braunsweig, leg. en ded. G.Engelhardt 2001, Foto Th.Lampe

    Manfred Kutscher publiceerde in het blad ‘Geschiebekunde Aktuell’ over krijtslakken in vuursteen (KUTSCHER, 2021). Het betreft zeven insluitsels, afdrukken en steenkernen in vuursteen van het Rügener Krijt (Maatrichtien). Over het algemeen gevonden op stranden, maar ook als zwerfsteen (Jasmund, DK). Voor 1970 hadden paleontologen het idee, dat in het Noord-Duitse Krijt weinig slakken voorkwamen. Aanname was, dat gastropoda weinig zouden voorkomen in de zachte bodem en natuurlijk ook door de slechte conservering van de schelp van aragoniet. Dit inzicht veranderde pas, toen men het bewijs kreeg dat behalve slakken, veel andere gravende organismen zoals zee-egels en tweekleppigen zich er goed thuis hadden gevoeld. Er werden in die tijd 56 verschillende diersoorten beschreven. Taxonomische toewijzing van het genus blijkt bij de meeste gastropoda nauwelijks mogelijk. In twee gevallen wordt gesuggereerd dat ze bij de familie Turritellidae en Trochidae horen. Slechte conservering, waardoor weinig kenmerken te zien zijn, maken determinatie dan zo goed als onmogelijk.

    Vuursteenkern cf. Trochactaeon sp. doorsnede 10 mm, Sulingen, Nedersaksen (DE), foto en coll. H.Schöning

    Een pelikaansvoetslak in vuursteen
    Fossiele vondsten van een pelikaansvoetslak zijn in het Krijt en in vuursteen zeldzaam. Deze gastropode is afkomstig uit Glowe Noord-Rügen (DE) en komt daar uit het Boven-Krijt (Maastrichtien). Fossiele slakken worden gevonden als steenkern en als afdruk en daarom moeilijk te determineren. De vroegere aragonietschelp is volledig opgelost en behalve de omtrek er is nauwelijks iets te zien. Dankzij de drie- of vierpuntige uitgeprepareerde buitenlip, die lijkt op de zwemvliezen van een pelikaan, herkennen we de pelikaansvoet. 

    Doorsnede pelikaansvoetslak Aporrhaidae (30 mm) in vuursteen Glowe Rügen, MecklenburgVorpommern (DE), coll. K.Thiede, foto H.Menzel-Harloff
    cf. Epitonium sp. in vuursteen, lengte 3 cm, Mankmoos bij Wismar, Mecklenburg-Vorpommern (DE), coll. en foto R.Kautz
    cf. Trochus sp. in vuursteen (doorsnede tweede winding 8 mm), Fresdorfer Heide, Potsdam, Brandenburg (DE), collectie G.Engelhardt en foto Th.Lampe
    Slak (kern) van de familie Pleurotomariidae in vuursteen (doorsnede 45 mm), Zarrentin, MecklenburgVorpommern (DE), collectie en foto N.Thiede
    Links: doorsnede van een slak (25 mm), Sassnitz, Rügen, Mecklenburg-Vorpommern (DE), coll. R.Matschke en foto H.Menzel-Harloff Rechts: afdruk van Turritella cf. verneulliana (16 mm x 3,5 mm), Witsum, Föhr, Sleeswijk-Holstein (DE). coll. B.Peppmüller, leg. F.J.Krüger, foto Th.Lampe

    Bronnen:

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.