De bekers zijn leeg. Er is brood met honing rond gegaan. Er wordt wat vlees afgesneden. Er is vooral weer aandacht voor het verhaal van Bernt. Hij vertelt verder:
“Jaren later kwamen er een nieuwe koe en schaapherder, toen de pleegvader, de man van Neele, zijn ogen sloot en een nieuwe scheper, de Prins van de Velden, Heer van de vlakte, Koning van de moerassen, Keizer van de zoutvlakten en Grootmeester in de Wanorde van de Scheperij werd. Zo stelde hij zichzelf lachend voor, de nieuwe herder, oftewel: de Priester en Pastoor Dat laatste was ook een grapje. Herder, scheper dus, is in het latijn ‘Pastoor’. Dat had hij ooit gehoord van de Romeinse handelaren, waar hij wel huiden mee verhandelde. De nieuwe herder was zorgzaam, liefdevol, zuinig, vroom, aandachtig voor de mensen om hem heen, teveel om op te noemen. Alles wat ook zijn pleegvader, de oude herder was. Alles wat Ente niet was. Als die Ente al Ente was en niet Douwe. Wat maakte het ook uit. Ze waren zichzelf. Niemand zag meer gelijkenis met de oudste zoon van de stamleider, als dat al de oudste zoon was. De nieuwe herder droeg een baard tot op zijn borst. O ja, bijna vergeten, hij kon ook stijfkoppig zijn. Hij was niet alleen maar goed. Zijn doel was zijn doel. Zijn hoorn klonk steevast dagelijks over de velden.
“Welkom in het eerste Keizerrijk van het Noordelijke Rome”, riep de herder op een zonnige nazomermiddag, toen een ruiter met wat voetvolk op de weg van het zuider woud naar de dubbele voorde vastliep in een lome kudde, op weg naar de kooien. Heideschapen, wat geiten en bokken, een flinke koppel meegrazende koeien, het liep er allemaal. Ente keek al scheldend neer op de herder. Of deze schurk zich even snel wilde verwijderen. Hij hoorde zijn plaats te weten! “Die is in mijn kudde, Heer van het Loze Woord! Die is naast mijn hond, een dier, dat nooit zulke woorden zal gebruiken, mijn grootste verantwoordelijkheid!”, riep de scheper terug. “Uw rijk is zo groot als uw paardekont. Mijn onderdanige schapen zullen u vanzelf wel ontzetten. Ze gaan zo naar de kooi.” “U maakt de weg vrij, of ik maak schapenbout van uw onderdanen, jij luizige stokkrijger!”, riep Ente terug. De herder: “Gij zult mijn stok voelen als gij aan mijn onderdanen komt! Verdedig u, gij blazende boerhoorn!”
Ente sprong uit de wagen, trok zijn spatha (= zwaard) en beval de scheper onmiddellijk te maken dat hij wegkwam. Hij zou zich moeten verantwoorden op de volgende Lotting, de rechtbank. Daar zat de scheper niet mee. Een mens moest de kudde respecteren, dat was levend kapitaal, dat wisten alle boeren, vrijen, onvrijen en schepers. De herder raakte daarop het zwakke punt van Ente. “Toe nou, Heer van de Grootste Hal, u durft geen gokje aan? U en ik, wij kruisen onze wapens. Waar spelen we om?” “Wat heb jij wat ik zou willen?”, zei een geïrriteerde Ente. De herder: “Als ik plat ga of bloed, hoort gij alle belastingstreken van alle boeren uit de buurt. En als ik win, woon ik een week op het de hoeve van de grootste hal, en zorgt gij voor de schapen!” Er ging een geweldige gedachte door Entes hoofd. Hij zei dan ook volmondig “Ja!”. Want hoe het ook zou gaan, hij won altijd, dacht Ente.
Het werd het kortste gevecht dat zich ooit op de velden van Treante heeft plaatsgevonden. Ente had niet door dat een oude bok met nukken, aan zijn schoenveters vrat. Bij de eerste stap vooruit viel Ente languit over deze stokoude bok. Het scheelde niet veel, of Ente viel in zijn eigen spatha. De herder zette de kluitschop met zijn stok op Ente’s keel en vroeg: “Genade?” Er klonk een vreselijke vloek. Er zou nog meer komen. Toen stak de al genoemde schatbeurder van de hoeve met de grootste hal zijn hoofd om de hoek. Hij had zich verstopt achter de kont van het paard. “Heer Ente, U hoort als Heer van stand zich aan zijn woord te houden…” Na die woorden kwam er een demonische blik in Ente’s ogen. Hij zou die schatbeurder nog wel krijgen. “Heren, kleding wisselen”, zei de schatbeurder. “De week gaat nu in.” En “Heer Ente, leer het maar, de hoorn zal klinken op het veld.”
Ente van de grootste hal had geen verstand van schapen, geiten, bokken, koeien, stieren, en nog minder van omgaan met de boeren. De hond van de kudde had ook een bloedhekel aan hem. Er was echter een hulpherder op een keuterij bij de oude Reest, die al het werk wel voor hem wilde doen, nadat Ente hem een handvol Romeinse munten beloofde. Ente sjouwde een beetje mee. Hij gaf de hulpherder opdracht waar te gaan en staan, met al dat vee. Precies drie dagen later ging er een stoet van enkele wagens en ruiters over het pad dat dwars door Drenthe liep. Het was het transport van Romeinse handelaren, van de zuidkant van de Reest naar de noordelijke zoutwinningen, met waren, en met veel munten, om het zout aldaar te kunnen betalen. Het transport liep vast in de kudde.
Ente als herder maakte flink stennis, schreeuwde alle kanten op, sprong op een wagen, riep om het hardst dat ze die arme schapen niet zo moesten laten schrikken. Terwijl de ruiters hem voor iemand met verweekte hersenen aanzagen, Ente negeerden en wel het gesprek aangingen met de hulpherder, viel er een flinke kist met goudstukken van één van de wagens. Het viel niet op, zo tussen al de schapen, geiten, bokken, runderen, noem maar op. De ruiterij en de wagens trokken verder, terwijl Ente de kist in een kuil met snel geplukte heide overdekte.
Ente zocht die avond de plaats weer op, bond de kist aan twee snel gekapte boompjes en liet die aan weerszijden van een os met de kist erop het veld uit slepen. Het was aardedonker. Een vlot voer die nacht zwaar beladen over het oude diepje. Van daaruit werd een zijriviertje naar de hoeve met de grote hal opgevaren. Daar was een afdak met flink wat hout, dat te drogen lag. Daar tussen was een ruimte uitgespaard. De kist stond daar volkomen veilig. Het plan leek geslaagd. De scheper zou na een paar dagen met Ente van rol wisselen. Iedereen stapte terug in zijn eigen kleding. Tegen de tijd dat de bevelhebber van de Romeinse handelsmissie er achter zou komen dat er een kist met goudstukken mistte, en de ruiterij terug zou zijn, liep de oude herder weer in het veld en zat Ente weer op zijn plek op de hoeve met de grote hal. Dat was tenminste het plan. Alle verdenking zou op de herder vallen, niet op Ente. Er mistte nog één ding in het plan. De palenslede, die had sporen gemaakt. Zouden ze ongezien blijven? Ach, dat zou niemand interesseren.
Jawel, de priesteres van de stam zag de sporen. Sporen uit de heide naar het oude diepje, waar iemand een vlot miste. Hij vroeg de hulpherder. Deze wist echt van niets, maar had de andere herder, de hoofdherder voor wie hij werkte, een avond gemist. De priesteres dus naar de hoofdherder. Dat was voor haar een onbekende, hij kwam haar wel bekend voor, maar nee, dat kon niet, wie was dat dan wel? Niet de hoofdherder die ze kende. O nee? De hoofdherder beweerde bij hoog en laag dat hij zich eindelijk had geschoren, en nu kwam daar gezeur van omdat ze hem niet herkende? Hij deed het ook nooit goed. Goed, het was de hoofdherder, maar wist die echt van niets? “Ik magge starrem as ik der wat van wete!”, blufte Ente, in zijn rol als hoofdherder. De andere dag herhaalde deze hoofdherder deze woorden. Ente dus, als het niet toevallig Douwe was, maar hij ging door voor Ente, wat een gedoe zeg. Zelfs voor een derde keer zei hij zijn grote woorden.
Een groepje van drie ruiters zocht de route af. Ze waren een dag eerder gekomen dan Ente had ingeschat. Er was nog niet van rol geruild. Had de herder ergens iets zien liggen? Was er een kist gevonden? “Ik magge starrem……” De woorden werden niet afgemaakt. De bliksem sloeg uit een stralende heldere lucht. Een ogenschijnlijk allesverterend vuur leek Ente aan het oog te onttrekken. De vlammen doofden uit. De paarden van de ruiters steigerden en sloegen op de vlucht, hun berijders met zich meesleurend. Daar, in het veld, stond een vurige verschijning. Tot op de dag van vandaag wordt er op de heide op de meest onverwachte momenten een vurige herder gezien….. Een demon in menselijke gedaante.
Hoe verging het de schaapherder, de jolige man die de rol van Ente had overgenomen? Hij zou te gast zijn op de hoeve met de grote hal. Hij was te vies om hem bij je in de buurt te hebben. Een zwempartij en wat waterspelletjes in beek in de buurt deden wonderen, later tevens gevolgd door een flinke scheerbeurt, jaja een man van edel voorkomen had een glad gezicht, en de knechten en onvrijen verschoten van kleur. Daar stond Ente, de zoon van de stamleider. “Nee hoor, ik ben gewoon de Pastoor”, hield de herder vol. Zo ging het, tot de dag dat er weer geruild zou worden. De herder, in de rol van Ente, had genoten van de rust, het eten, de aardige mensen om hem heen, de heerlijke mede, de kleren van de beste wol en fijn linnen die zo lekker zaten. De herder had alle aandacht van de dienstmeiden, die zich bij hem veilig voelden. Het was echter snel voorbij, dacht de herder. Op de heide zou er weer worden geruild. Er zou echter geen Ente verschijnen. In de verte zag de oude herder de nieuwe verschijning van de vurige herder. Er liep ook een hulpherder rond. Maar Ente?
De hulpherder had de hele kudde goed onder controle. Van de kist wist hij niets. Dat was ook geen onderwerp van gesprek. Ook de oude hoofdherder wist niets van een kist. Het enige onderwerp van gesprek was de vurige herder, op afstand te zien. Een wildeman met een herdersstaf, wild in het rond gooiend met kluiten aarde en steentjes, alsof zijn kluitschop een oorlog moest beslechten. Een machteloos figuur, waar de bliksem op insloeg, bleef inslaan, en door wie alles in brand vloog dat hij aan leek te raken, tot hij in een geweldige knal uiteen spatte. En dan zo ineens was hij er weer, begon het opnieuw. Daar, op een stuk paarse heide, gloeide het vuur nog na in een oplichtende eenzame vliegden, terwijl de ooievaars uit de buurt in paniek wegvlogen en terwijl hij zelf in de verte wegrende. Om enkele dagen later weer gezien te worden. Speelbal van zeer boze goden. Wat te doen? De oude hoofdherder zag op dat moment geen andere weg dan zich weer te melden op de hoeve met de grootste hal. Hij droeg de hoorn over aan de hulpherder. Hij zou hem nooit weer ophalen. Dat dacht hij tenminste. Er werden grote stappen gezet. Stappen naar een ander leven. En onderweg sloeg de bliksem weer in op de vurige herder, terwijl de ooievaars van schrik opvlogen……..”
“Het wordt wel iedere keer erger”, zegt Grootmoeder lachend. “Ja, dat zal wel”, zegt Bernt, “het blijft ook knallen en iedere keer als ik het vertel heeft het weer een hele tijd langer geknald, dat moet je ook niet vergeten.” Sommigen kunnen hun lachen niet inhouden. Het verhaal wordt ook zo mooi verteld. Iedere keer weer. En waar moet je nu anders van genieten, dat op die hoeves in Treante, als het niet is van de mooie verhalen? Maar het is nog niet uit. Er komt nog meer……











