dinsdag, september 8, 2026
    Home De zoon van de maan - kronieken van een jeugd - 1 DE VORSTELIJKE DRIELING – 3 – Hoofdstuk 3

    DE VORSTELIJKE DRIELING – 3 – Hoofdstuk 3

    0
    246

    Sommige dingen zullen door de eeuwen heen wel nooit veranderd zijn. Als je verder wilt, zijn er altijd wel mensen die er nog niet zijn, want de gang van de natuur was dwingender. En als ze er dan allemaal zijn, dan kun je verder vertellen. De geschiedenis van de vorstelijke drieling. “Weet je wel waar je het over hebt, Bernt? Weet je zelf wel hoe het zit? Tot nu toe heb je het alleen nog maar over een tweeling gehad. Waar komen wij nu dan toch vandaan man, je maakt het alleen maar langer en spannender!” Zo ongeveer, zo kunnen we de reacties samenvatten. Bernt gaat verder, als iedereen er eindelijk weer is:

    “Die middag stapten schatbeurder van de grote hal en de nieuwe Ente, oftewel de voormalige Scheper, de kamer van de doodzieke vader binnen. De schatbeurder was helder. Om alle schande te voorkomen was het het beste dat de nieuwe Ente voor altijd Ente zou blijven. Niemand wist het verschil, vanaf het moment dat hij de kleding van de oude Ente had aangetrokken. Het hoge woord kwam eruit. Met zijn laatste adem hoorde vader aan hoe hij dacht alles onder controle te hebben, maar bedrogen was door zijn eigen knechten en onvrijen. De schatbeurder had altijd al geweten dat er meer kinderen waren geweest. Deze hoofdherder, de nieuwe Ente, dat was de verloren zoon. Of hij nu ooit Ente of Bouwe geweest, voordat vader zelf het bedje met inhoud over de grond liet rollen, het zou niet van belang zijn, hij was de betere versie van het andere kind. Dit was nu Ente. Hij zou blijven.

    Vader wilde zich nog tegen het besluit van de schatbeurder verzetten. Niet die schatbeurder, maar hij alleen had het voor het zeggen! Hij viel echter stil, toen de schatbeurder zei: “Ik heb het over mijn zoon, niet de jouwe! Denk je nu echt dat de kinderen jou zijn? Ik heb jouw familie gered, omdat jij voor niemand goed was en je vrouw troost bij mij zocht! Haar schoot en haar geest stootten alles af wat jij was, de mensen van je hoeves en landerijen, van de venen tot de zandgronden en tot ver over de zoutlanden in het noorden in het westen, ze moesten je niet. Ik bezocht ze in jouw naam en ja, ik inde de belasting, maar ik streek ook alles glad wat er mis was gegaan” Er viel een lange stilte. Vader sprak nooit weer. Hij stierf enkele dagen later. Hij heeft zijn kinderen nooit weer aan durven kijken. Vader was geen vader.

    De enigen die wisten van de van rol verwisselde scheper van de kudde van Echten, waren de jonge vrouwen, vrijen en onvrijen, van de hoeve met de grootste hal. Wat zouden die gaan doen? Ze hielden hun mond over alles wat ze wisten. Die aardige Ente, of Douwe, hoe hij ook zou heten, die man, daar kookte, waste, werkte je met plezier voor. Daar zou je eigenlijk alles voor over hebben, zoveel dat er zelfs eentje??? Ja, die vond hem wel erg geweldig. Ja, en alles beter dan wat ze hadden gehad, dat was zeker. De nieuwe Ente was als een droom voor hen. Er kon weer gelachen worden, er konden dingen misgaan zonder dat ze op de kop kregen, niemand zat aan je zonder dat je dat wilde. Hij was gewoon een lieve man, wat wilden ze nog meer?

    Na de begrafenis van de vader die geen vader was, kwam een stokoude Neele op in de grote hal. Ze had de hulpherder bij zich. Wat ze kwam doen? Natuurlijk was ze welkom, want ze had de kleintjes gered, maar ze deed wat geheimzinnig. “Stop deze man ook eens in bad en geef hem een stel nieuwe kleren. Je weet niet wat je ziet.” Ze vertelde van die dag, dat ze alleen was met vrouwe van de hoeve, de goede vrouwe Akke, voor wie ze een ander kind had moeten laten sterven. Het was niet alleen de nageboorte, die uiteindelijk nog kwam. Er kwam nog een jongetje. Vrouwe Akke was bevallen van een drieling. Drie gelijke kinderen. Ze wist wat dat betekende. Twee gaf al problemen, dan nog twee die door elkaar gehaald waren door een stommiteit van de vader die geen vader was, en dan nog een derde? Ze had het derde kind ook in haar mand verstopt. Ze had ondergebracht bij een min in het veld. Ze kon het niet over haar hart halen om ook maar één kind te laten sterven. Zo redde ze het leven van alle drie.

    De derde zoon heette Treie. Hij bleef de kudde leiden. Hij kreeg een flinke hoeve in de buurt, voor hem, voor zijn vrouw, zijn kinderen, zijn onvrijen, voor iedereen. De door Neele en haar man opgevoede hulpherder die hoofdherder was geweest bleef zijn leven lang Ente, de stamleider, de vorstenzoon. Hij viel goed in de smaak bij de vrouw die was beloofd aan de ‘oude’ Ente. Ze had een huwelijk steeds uit weten te stellen, maar met deze aardige man moest het er maar van komen, zei ze lachend, toen ze in vertrouwen sprak met de schatbeurder, haar natuurlijke schoonvader. Hun huwelijksfeest werd bezocht door families en stammen uit alle windstreken. Ze kregen een drieling. Ze besloten de drie kinderen in de toekomst over alle drie delen van Treante te laten heersen. De kist met goudstukken werd ontdekt door een van de meiden van de hoeve met de grootste hal. Met al die goudstukken, zilveren armbanden, een ketel, wat er al niet allemaal in de kist zat, kon Ente de Nieuwe alle zakelijke problemen en ruzies met Jan en Alleman beslechten. Tot de kist helemaal leeg was. Allemaal opgemaakt. Allemaal om de ruzies op te lossen. Zo werd verteld. Ja, zo werd verteld. En zo was er voor iedereen die geboren werd een wereld zonder ruzie. De nieuwe drieling zou een wereld vol vrede erven.

    Het ging dat jaar helemaal mis op de heide en de velden. De vurige herder liet zich regelmatig zien, maar niemand had last van hem. Daar zat Treie de schaap, koe en geitherder ook niet op te wachten. Maar Treie liet het er ook niet op aankomen. Hij had altijd een Dondersteen hangen (= fossiele versteende zeeëgel) in een zakje om zijn hals. Zo zou de bliksem hem nooit treffen. Zo kreeg zijn broer, de vurige herder, nooit macht over hem. Hij wilde vooral rust, voor zichzelf en de kudde. Al die drukte, geef mij alsjeblieft een beetje rust bij de schapen, geiten en de runderen. Toen die dag, dat het koord doorgesleten was, en het zakje met de Dondersteen ergens verloren werd, toen is dat hem fataal geworden. Treie werd gedood, werd gevonden op de heide, tussen zijn schapen, met een blaffende hond aan zijn zijde en zijn gezicht verbrand. Vervolgens begon het moorden in de buurt, bewoners en reizigers. Men vreesde voor nieuwe slachtoffers. Bij iedere dode klonk een hoorn over de velden.

    Ente en zijn werkelijke vader, de schatbeurder, haalden de ongelukkige Treie op, dwars over een paard gelegd….. en werden eveneens overvallen. De schatbeurder stierf door hartzwakte. Het was een stokoude man geworden. De spanning was hem teveel. Ze werden bijgezet in de grootste grafheuvel uit de verre omtrek. Ieder jaar op de langste dag werden er liederen gezongen, werd er gedanst, werd een nieuw begin gevierd, omdat de drieling een nieuw begin had gemaakt, en omdat de natuur een nieuw begin maakte. Ente, de nieuwe Ente, de vorstelijke zoon en de leider van de stam, wist dat het zo niet langer kon. Als stamleider moest hij ervoor zorgen dat de velden weer veilig werden Hij kon niet rusten voor het gevaar geweken was. De vurige herder zou het gebied blijven doorkruisen en was een levensbedreigend gevaar voor iedere reiziger, iedere herder, iedere bewoner van welke hoeve dan ook, als hij niet gestopt zou worden. Het werd zijn levensmissie.

    Ente zwoer niet te zullen rusten voordat hij de vurige herder had verslagen. Er was één keer een gevecht geweest tussen een stamleider en een herder, dat had hij gewonnen, al was het ook door de ene bok waar die over struikelde, en dit keer zou er opnieuw een gevecht de doorslag geven. Hij nam zijn oude werk weer op. Hij werd opnieuw de schaap, koe en geitenherder van Treante. De oude kledij weer aan, baard laten groeien, flink insmeren met schapemest, en niemand herkende hem aan geur of kleding. Onder de bescherming van een Dondersteen om zijn nek, én voor de zekerheid onder de bescherming van een Dondersteen in een tasje aan zijn riem, zou geen kwaad hem meer kunnen treffen. Hij zwoer met alle eden die hij bedenken kon, dat hij al het kwaad van Treante zou vernietigen.

    Deze krijger van het goede en deze vurige herder, de Heer van het Licht, en de Vurige Zwarte heer van het kwaad, bestrijden elkaar al sinds die tijd. Waar een gewoon mens al lang uit de tijd zou zijn, is de nieuwe stamleider Ente tot op de dag van vandaag in leven, omdat hij zijn eed nog niet gestand had kunnen houden, want het kwaad was niet bedwongen. De strijd gaat ver. Uit alle hoeken van Treante gaan geruchten over een vurige herder en een belager met een Dondersteen om zijn nek en aan zijn gordel. Slechts tweemaal per jaar is er rust. De ene keer rijdt er een witte Vrouwe door het veld, vergezeld door twee andere witte vrouwen, een vrije en een onvrije. Het is de Vrouwe van Treante, op zoek naar haar Heer, om samen de nacht door te brengen. Het zijn de bruiden van het lot. Ze dragen de mooiste kledij, alsof ze alle drie naar hun bruiloft gaan. Ze zijn op zoek naar de beschermer van de velden. Iedere keer als ze hem hebben gevonden, is hij na zeven lange nachten verdwenen.

    Dan is er nog die andere week. Dan komt Ente de herder aan bij een hoeve. Het kan overal zijn. Hij neemt een bad in de beek, ruilt nieuwe kleding voor een stel schapen, eet en drinkt, vertelt, slaapt, slaapt veel, geniet van de rust, en hij geniet. Alles kan dan, behalve zijn baard scheren. Hij vertrekt dan net zo onverwacht als hij gekomen is. Niemand weet waarheen. Hij gaat naar buiten en is….. weg….”

    Wie durft de lange stilte te onderbreken? Er komt een vraag: “En waar komen wij nu vandaan dan?” Ja, dat was de beginvraag. “Vecht je tegen onrecht en kwaad, of is je alles wel goed, ook al wordt je er het slachtoffer van? In het eerste geval ben je van de kinderen van de nieuwe vorst van Treante. In het andere geval ben je van die derde zoon, Treie. Maar je ontkomt zelden aan de strijd tussen goed en kwaad.”

    “Wel moeilijk om al die mensen uit elkaar te houden. Oude herder, hulpherder de nieuwe herder, de Ente’s, het lijkt allemaal op elkaar.” “Goed gehoord. Alle mensen lijken op elkaar. Dus moet je zuinig op ze zijn.” Waar komen de onvrijen eigenlijk vandaan?” “Heb je gehoord van andere kinderen dan wat we net zeiden? De onvrijen zijn dus ook vorstelijke mensen. Ze hebben zich zo te gedragen en wij hebben ze zo te behandelen, het zijn onze broers en zussen.”

    “Wie geboren wordt, komt dus in een wereld zonder ruzie? Waar komt de ruzie dan vandaan?” “Die maken de mensen zelf wel.” “Waar staat die grote hal?” “Waar jij je thuis voelt en waar jij je veilig weet, met alle mensen die bij je horen.” “Hoe kan een dondersteen je beschermen?” “Als jij erop vertrouwt, wordt je rustig, en vindt je alle kracht die je nodig hebt, alleen of samen met anderen.” ”Die steen zelf doet dus helemaal niets?” ”Hoezo, je vond toch kracht genoeg?” “Waar komen vrouwen dan vandaan?” “Als je weet hoe mannen op de wereld komen, komen die vrouwen ook wel.” “Waarom moest dit zo lang duren?” “Had je vijf woorden serieus genomen?”

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.