Het was in de tweede maanperiode na de geboorte van Maone, dat Friede, een jonge onvrije, bij Gudrun werd geroepen. Friede betekende: de vrouw die we beschermen. Ze was een dochter van een broer van Gudruns vader bij een onvrije vrouw. Ze was meegekomen naar de hoeve van Gudrun, op de dag dat Gudrun bij Garm op de hoeve kwam wonen. Friede was veel jonger, maar ze was vertrouwd, en Gudrun kon wel wat hulp gebruiken. Friede woonde aan het vuur in de schuur of de kleine hoeve op het erf van Garms hoeve, waarin onvrijen onder dak waren gebracht. Een mooie jonge vrouw. Maar Gudrun mistte wat, en daar wou ze het eens met Friede over hebben.
“We hebben de laatste tijd geen maanddoeken van jouw gewassen of te drogen zien hangen?”, zei Gudrun. “Hoe gaat het met jou? Gaat het wel goed met je?” “Friede zweeg. “Wat wil je me niet vertellen, Friede?” Friede zweeg. “Kinderen, naar buiten!” De deur ging dicht. Gudrun keek Friede strak aan. “Doe je peplos eens uit, Friede. Ik wil je zien.” Friede verwijderde één voor één de beide fibula’s van haar schouder, en het doek van de jurk gleed over haar lichaam naar beneden. Ze stond in het licht dat door het rookgat naar binnen viel. Haar volle borsten tekenden een schaduw over haar groeiende buik. Ze zei nog steeds niets. “Je borsten zijn flink gegroeid sinds die keer dat we samen baadden in het diepje. Je buik groeit mee”, zei Gudrun. “Wat is er wat jij niet wilt vertellen, Friede? Hoe lang gaan we hier beiden staan wachten?”
Stukje bij beetje kwam stamelend over Friede’s lippen, wat haar was overkomen. Ze was aan het werk geweest, op de rand van de akker en het bos. Ze sprokkelde hout. Ze boog zich voorover, wilde wat van de grond oppakken, en voelde ineens twee handen op haar heupen en de druk van een manlijk lid tegen haar peplos. Ze hoorde de stem van Garm zeggen… “Ga maar op je knieën, Friede, niemand ziet ons zo achter het hoge graan.” Daar trok hij haar peplos omhoog, toen ze voorover gebogen op haar knieën zat, en ging hij zijn gang tot hij buiten adem was. “Nu niks tegen Gudrun zeggen, Friede, zomaar een keertje dat kan toch geen kwaad?”, zei Garm nog. Hij verdween weer, ongezien, want Friede zat nog op haar knieën op de grond. Enkele raven vlogen geschrokken weg, toen Garm zo plotseling vertrok. Dat was alles. Niemand had iets gemerkt.
Gudrun sloeg haar armen oom Friede heen, en trok haar tegen zich aan. Ze wist dat het een recht van de leider was om zijn wil te doen met een onvrije vrouw. Ze wist dat Friede zich niet mocht verzetten. Ze wist ook dat ze kookte van woede. Als je je vrouw lief hebt, dan kun je geduld opbrengen tot ze zelf weer zover is, zei Gudrun tegen Friede. Ze zou Garm met zijn neus op de feiten drukken. Vervolgens stuurde ze Friede naar haar schuur. “Zoek je spullen bij elkaar, je komt bij ons in de hoeve wonen. Bij ons aan het vuur.” “Mamma, wat gebeurt er?” Eén kind was al die tijd nog aanwezig in de hoeve. Vanuit een donkere hoek had Freya alles gehoord en gezien, zonder zelf opgemerkt te worden. “Jij hebt meer gehoord dan goed is voor een meisje van jouw leeftijd, lieverd”, zei Gudrun. “Maar ik zal je stukje bij beetje alles uitleggen, als je oud genoeg bent.”
Als even later Garm terugkomt van de akkers, vraagt Gudrun of hij even met haar mee kan komen. Ze lopen naar de andere kant van die akkers, bij de rand van het bos, waar ‘het’ is gebeurd. Niemand verstaat precies wat er tegen Garm gezegd wordt, maar iedereen op de hoeve is het dan duidelijk dat een woedende Gudrun Garm volledig onderuit haalt. Er is niet één woord meer over gesproken. Garm heeft zoveel ontzag gekregen voor Gudrun, meer nog dan hij al had, dat hij de bedeesdheid zelve wordt, als Gudrun in de buurt is. Het duurt bijna een jaar voor hij weer bij Gudrun onder de deken bij het vuur mag slapen. Er is niet één verkeerd woord gevallen over de aanwezigheid van Friede bij zijn vuur. Hij heeft alles geslikt en voor de mensen op de hoeve, en de hoeves er omheen, is al snel duidelijk wat er aan de hand is. Ach, dat gebeurt wel meer, hoor je dan zeggen. Als je maar goed zorgt voor het kind van de onvrije, dan is het geen schande. Maar het kind zelf zal ook een onvrije zijn, tenzij het door de stamleider geadopteerd zal worden, en dat zit er niet in. Er zijn al drie zonen…..
Tussen Gudrun en Friede verandert er veel, vanaf het moment dat Friede bij haar aan het vuur slaapt. De boosheid op Garm zakt langzamerhand weg. Daarvoor komt in de plaats: de zorg voor Friede. Het gaat niet altijd zo goed met haar. Ze is ziek, duizelig, ze verliest kracht, en met goed eten en de aandacht van Gudrun komt ze er langzamerhand bovenop. Eigenlijk zou Friede moeten helpen bij de zorg voor de kinderen. Er wordt een andere onvrije vrouw erbij gehaald. Ze woont op de hoeve van een neef van Garm. Ze is ervaren met alles wat met kinderen te maken heeft. Ze is ook een ervaren vroedvrouw. Zoveel ervaring heeft ze, dat ze ook mag helpen bij vrije vrouwen. Dat is wel een verandering, haar aanwezigheid. Ze weet veel en al haar woorden lopen zo veelvuldig uit haar mond, dat haar hele omgeving met haar meeleeft en mee leert. Friede heeft haar volle aandacht omdat die nog niet eerder een kind heeft gehad. We luisteren mee:
“Na de geboorte is de moeder degene die het allerbeste voedsel aan het kind kan geven. Dat komt omdat het kind van binnen, toen het nog niet geboren was, dat voedsel al gewoon was. Daarom moet je als moeder ook zoveel mogelijk zelf het kind voeden, en het niet door een vreemde zoogster laten doen, alsof dat de eigen moeder was, want dat zou teveel verandering geven. Dan zou het voor het kind ook te zwaar zijn, niet makkelijk te verteren. Daar krijgt het kind alleen maar ziektes van. Nee, je moet het zelf doen. Als je je kind niet zelf zoogt, drogen je borsten op, maar dat moet je alleen laten gebeuren als je door ziekte echt niet zelf kunt zogen. Als moeders toch anderen laten zogen, zonder reden, zijn ze geen kinderen waard. Is het toch nodig een voedster te kiezen, dan kies je iemand die op de moeder zelf lijkt, zowel in kracht als in manieren. Is de moeder sterk en kloek, dan moet de zuigster het ook zijn, is ze tenger en broos, dan zoek je ook zo’n zuigster. Zowel de voedster als de moeder moeten zich, zolang ze zogen, van de bijslaap onthouden. Doen ze dat niet, dan zullen de kinderen braken, want de melk zal gaan veranderen, dus dan doe je je kind tekort. En wil je goede melk hebben, dan eet je vers vlees, voornamelijk van lammeren, kalveren, vogels, verse melk, baars, snoek, rapen, wortels. Pas op, kersen, erwten bonen, pruimen, appels, peren, het is allemaal vol zuur en schadelijk voor de melk. Wel is het goed om zoet bier te drinken. Maar zorg wel dat je van niets teveel neemt. Als je je overlaadt, kan je melk niet goed worden, dus matig eten en drinken. O ja, en als het kind geboren is, dan was je hem voorzichtig in lauw bier met wat boter erin.”
Zo verstrijken de maanden, met op de achtergrond steeds één zeer geïnteresseerde toehoordster: Freya. Hoe jong ze ook is, ze is als een emmer die al het water opslurpt dat op haar afkomt. Zo neemt ze alle kennis in haar op, verstrekt uit de mond van de onvrije vrouw, uit de ervaringen van moeder Gudrun, of de belevingswereld van Friede. Friede groeit goed. Als ze in het begin van de winter bevallen gaat, mag Freya erbij zijn. Grootmoeder Rana ziet ook de interesse en de kunde van Freya in het omgaan met de babys, ziet hoe goed ze al zorgt voor Maone, en belooft Freya alles te leren wat ze moet weten om zelf vrouwen te kunnen helpen. De bevalling van Friede loopt voorspoedig. Zo liggen al spoedig twee kleintjes bij elkaar in een bedje, tussen de huiden en dekens, gewikkeld in doeken. Maone vindt het maar wat interessant, dat er iemand naast hem ligt. De kleine, hoe zal die gaan heten? Gudrun beslist. Zoals het hoort, als vrouw van de stamleider, als er een onvrije vrouw aan haar vuur bevalt. Garm moet even schrikken, als hij de naam hoort. De zoon van Friede heet Ravan. Omdat zijn begin tussen de raven was, en omdat de raven de boodschappers van de goden zijn. En als waarschuwing om je te gedragen zoals de goden zouden willen.
Vragen over de vader van Ravan, die zijn er amper of niet. Dat Friede aan het vuur van Gudrun en Garm kwam, dat zei eigenlijk al genoeg. Je hoeft ook maar één keer naar de beide jongetjes te kijken, en dan weet je ook al genoeg. Ze lijken op elkaar als twee druppels water. Gudrun, Friede en Rana nemen Freya en de kleine jongetjes mee naar het ven, waar ze al zingend de Vrouwe van het Ven danken voor hun voorspoedige geboorte. Ze brengen een broodoffer. Dan ineens, dan verschijnt er een zwaan in het ven. De zwaan zwemt langzamerhand in hun richting. Rana herkent het als een belangrijk teken. Maone was geboren met de helm, met een vlies over zijn hoofd. Ravan en Maone zijn bijzondere kinderen, Rana weet het zeker. Ze vertelt ook nog jaren later dat ze achter de zwaan een vrouw in het ven heeft zien waden. Het was de Vrouwe van het Ven persoonlijk, die hen wilde zien en groeten. Maone en Ravan. En de anderen……











