zaterdag, september 5, 2026
    Home Hunebedden De typologie van Noordwest Europese megalithische grafconstructies onder de loep genomen. Deel...

    De typologie van Noordwest Europese megalithische grafconstructies onder de loep genomen. Deel 3: Het ganggraf.

    0
    297

    De sinds het midden van de vorige eeuw algemeen gehanteerde typologie van megalithische grafconstructies in Noordwest Europa leidt in de praktijk in een aantal gevallen tot onoverzichtelijke situaties. Deels veroorzaakt door voortschrijdend inzicht, deels tot verschillende inzichten van archeologen onderling en in het verlengde hiervan verschillende inzichten vanuit Deens-, Duits-, Pools en Nederlands perspectief. Niet alleen verschilt de naamgeving van megalithische grafconstructies in een aantal landen nogal, zelfs in Deense wetenschappelijke literatuur worden de typen “dolmen” en “ganggraf” soms door elkaar gebruikt en door elkaar gehaald. Er is internationaal gezien wel getracht om eenduidigheid te creëren, maar dit blijkt in de praktijk kennelijk lastig te zijn. Naast deze beide genoemde typen megalithische grafconstructies herkennen we het zogenoemde langgraf, het trapgraf, het galerijgraf en de steenkist.

    In een serie van 6 artikelen houd ik de typologie, nomenclatuur en definities van Noordwest Europese megalithische grafconstructies tegen het licht en tracht ik hierin enige fijn-slijperij, orde en eenduidigheid te scheppen. Herkomst-, winbaarheid en het transport van de stenen, alsmede de locatiekeuze en bouwvolgorde van de megalithische constructies vallen buiten het bestek van dit artikel. Vloer- en wandafwerkingen, dekheuvels, steenkransen en kwartierindelingen komen wel summier aan de orde. In de derde bijdrage:

    Het ganggraf.

    Daar waar bij een dolmen de ingangspartij per definitie aan een van de korte zijden (meest aan de zuid- of zuidoostzijde) is gesitueerd, dus in de lengterichting (axiaal) van de grafkamer, bestaat bij een ganggraf (Duits: Ganggrab, Engels: Passage grave, Deens: Jaettestue) per definitie de ingangspartij uit een (meestal) haaks (lateraal) op de grafkamer uitkomende gang (vandaar de term ganggraf) van een of meer trilithons (twee tegenover elkaar staande verticaal geplaatste draagstenen die een daar bovenop liggende horizontale deksteen ondersteunen). Zie afbeelding 1.

    Afbeelding 1

    Dolmens zijn overwegend Noord-Zuid georiënteerd; ganggraven overwegend Oost-West. Overigens worden draagstenen in de literatuur ook zijstenen, wandstenen of muurstenen genoemd, maar ik prefereer de term draagsteen. Er zijn een aantal varianten en een veelvoud aan (lokale) sub-varianten van het type  ganggraf, welke ik hier bespreek en zo mogelijk illustreer met foto’s en vooral plattegronden, omdat die de structuur goed laten zien.

    Via aanvankelijk houten grafkamers, behorend tot de zogenaamde Barkaerstructuren, en een tussenvariant van een zogenaamde dolmenkist met draagstenen van dun steenplaatmateriaal en een “deksel” van houten planken (er werd aanvankelijk geëxperimenteerd met een mix van zowel houten als stenen bouw-onderdelen), ontstonden in Denemarken vanaf ongeveer 3500 v Chr. de oudste typen megalithische grafkamers: de oerdolmen, de verlengde dolmen en de grote dolmen. Vrijwel gelijktijdig met deze laatste doorontwikkelde dolmenvorm en de variant polygoondolmen ontstond het ganggraf, ongeveer vanaf 3350 v Chr.  Eerst in Denemarken (in een ronde dekheuvel), spoedig daarna in het gehele TRB gebied (in een ovale dekheuvel). De constructie-details van ganggraven en grote dolmens zijn vrijwel identiek. Kamergrootte en ingangsconstructies verschillen echter structureel. Toch zijn er twijfels over de overgangsvormen van grote dolmens naar ganggraven. Zo waren de eerste megalithische ganggraven in Denemarken nog voorzien van een houten gang. In Nederland zijn de megalithische gangen even oud als de grafkamer. De reden dat men de constructies door ontwikkelde was omdat er behoefte was aan grotere en hogere grafkamers om meer doden te kunnen bijzetten. Net als bij de bouw van dolmens werden de stenen zorgvuldig geselecteerd op grootte, vorm en wellicht ook op kleur.  In alle gevallen verzamelden de bouwers stenen die aan één zijde plat waren; deze zijde werd aan de binnenkant (grafkamerzijde) geplaatst.

    Afbeelding 2

    Er werd gebruik gemaakt van een trilithonconstructie, waarbij de draagstenen bijna rechtop in de grond werden geplaatst (10 graden “uit het lood”; zie afbeelding 2) met de platte kant naar binnen. De dekstenen werden haaks op de lengte-as gelegd; ook met de platte zijde aan de binnenkant. De beide korte zijden werden gesloten met een of meerdere staande sluitstenen (ik prefereer de term sluitsteen boven eindsteen of “achterste draagsteen”).  De draagstenen werden doorgaans met “de puntige zijde” naar boven geplaatst, maar er zijn uitzonderingen. De draagstenen werden zo dicht als mogelijk tegen elkaar aan gezet. De open ruimten tussen de draagstenen- en dekstenen werden noordoostelijk van de Elbe opgevuld met zogenaamd “droog metselwerk”: een constructie van opgestapelde (rood)zandstenen platen van enkele centimeters hoog (zie afbeelding 3) en westelijk van de Elbe met keitjes. Overigens was het opvulwerk bij ganggraven grover, hoekiger en groter dan bij dolmens. In Nederland is opvulwerk aangetoond bij D21 Bronneger en D26 Drouwenerveld. Veel vulwerk is in de 18e en 19e eeuw gesloopt of weggehaald door keiendelvers, die aanvankelijk vanuit praktische overwegingen de kleinere stenen van een megalithische constructie prefereerden boven de grote stenen. De stenen werden onder andere gebruikt voor dijkverzwaring en wegenaanleg. Door het verwijderen van het vulwerk trad instabiliteit op van de trilithonconstructies.  

    Afbeelding 3

    Deze constructie werd noordoostelijk van de Elbe afgewerkt (“bepleisterd”) met een mengsel van gemalen vuursteensplinters en klei, waardoor een wind- en waterdicht geheel ontstond. Soms werd een vernuftig “afwateringssysteem” aangebracht. De lengte van de grafkamer werd bepaald door het aantal achter elkaar geplaatste trilithons en de breedte door de lengte van de dekstenen. De gemiddelde lengte van een ganggrafkamer is 8 meter. Het langste Nederlandse ganggraf (D27 Borger) meet 20 meter en bestaat uit 10 trilithons. Het langste Duitse ganggraf (Sprockhoff 980 Damme) meet minimaal 33 meter (de oostzijde is gesloopt) en bestaat minimaal uit 16 trilithons. De gemiddelde breedte is 2,4 m1.  In Denemarken varieert de lengte van 2,5 m1 tot 14 m1. In kleine (korte) kamers zijn overigens niet minder bijzettingen en grafgiften geweest dan in langere.

    De grafkamer heeft niet altijd een rechthoekige plattegrond; ook komen zogenaamde zandloper- en trapezoïde plattegronden voor en plattegronden met een rechte lange wand (aan de gangzijde) en een tegenovergelegen licht gebogen lange wand. Een voorbeeld van een Nederlands ganggraf met een trapezoïde plattegrond is D19 Drouwen en een voorbeeld van een rechthoekige plattegrond is D27 Borger. Evenzovele varianten zijn er in de constructie en lengte van de gang. De positie van de gang ten opzichte van de kamer kan sterk variëren. Bij de Nederlandse ganggraven komt de gang gemiddeld iets rechts van het midden van de grafkamer uit. Gangen werden altijd aan de zuidelijke- of oostelijke lange zijde van de grafkamer aangebracht. Technisch gezien kon een gang die exact in het midden van de grafkamer uitkwam alleen maar gebouwd worden bij een even aantal trilithons. Tot het eind van de 20e eeuw werd deze variant wel “Eemslander kamer” genoemd en de variant met een ingang excentrisch van het midden van de grafkamer een “Holsteiner kamer”. Beide begrippen worden niet meer gebruikt.

    Overigens werd in de typologie een ganggraf met een gang van slechts één trilithon tot het eind van de 20e eeuw een portaalgraf genoemd (Klok, Van Giffen). Deze variant behoort thans om verdedigbare redenen tot de ganggraven. In het verlengde hiervan prefereer ik de termen gangdraagsteen en gangdeksteen boven de (ingeburgerde) termen portaaldraagsteen en portaaldeksteen. Het begrip portaalgraf wordt niet meer gebruikt.

    De bouw van ganggraven verspreidde zich zeer snel over het TRB gebied en komen dan ook in meerdere varianten (naar het ontwerp van de gang en de positie van de ingangspartij ten opzichte van de grafkamer) in het gehele TRB gebied voor. Zo zijn vrijwel alle Nederlandse megalithische constructies ganggraven.

    De toegang tot de grafkamer verloopt via een gang (trilithonconstructie) met een lengte van 1 tot 4  meter (in Nederland en Duitsland; in Denemarken tot wel 8,5 meter), een breedte van gemiddeld 80 centimeter en een hoogte van gemiddeld 100 centimeter. Ook hier werden draag- en dekstenen gebruikt met één platte zijde, die aan de binnenzijde werd geplaatst, respectievelijk gelegd. Zie afbeelding 4a en 4b.

    Afbeelding 4a: vanuit de kamer
    Afbeelding 4b: naar de kamer toe

    De hoekdraagstenen (daar waar de gangconstructie aansluit op de kamerconstructie) bezit dan ook aan twee zijden een platte kant (Zie afbeelding 5). Overigens zijn de gangdraagstenen kleiner dan de draagstenen van de grafkamer en zijn ook minder diep gefundeerd. Ook de gangdekstenen zijn kleiner en platter dan de dekstenen van de grafkamer. De hoogte van de gang neemt van binnen naar buiten toe af en het laatste paar gangdraagstenen, aansluitend op de steenkrans, bezit geen gangdeksteen. Ganggraven met een lange gang en een ronde dekheuvel komen alleen in Denemarken voor; ganggraven met een korte gang en een ovale dekheuvel in Nederland en Duitsland. In Nederland bezitten de ganggraven gangen van maximaal 3 trilithons; in Denemarken soms wel tot 9 trilithons. De gangen konden op twee plaatsen worden afgesloten met grote platen. Er werden frameconstructies aangebracht met enkele of dubbele drempelstenen, die ongeveer een decimeter boven het vloerniveau uitstaken. Deze bevinden zich bij de ingang van de kamer en in het voorste deel van de gang. Zie ook afbeelding 4b en 4c.  De sluitplaten (“deuren”) konden aan de constructie worden bevestigd, of via de gang zelf of van bovenaf via geleide-openingen tussen de gangdekstenen. Zie afbeelding 6a en 6b.

    Afbeelding 5
    Afbeelding 4c
    Afbeelding 6a
    Afbeelding 6b

    Qua varianten onderscheiden we:

    Ronde of ovale grafkamer met de gang haaks op de grafkamer en de gangopening in het midden van de grafkamer. Zie afbeelding 7a.

    Afbeelding 7a

    Rechthoekige- of trapezoïde grafkamer met de gang haaks op de grafkamer en de gangopening in het midden van de grafkamer. Zie afbeelding 7b.

    Afbeelding 7b

    Plattegrond met een rechte lange wand aan de gangzijde en een tegenoverliggende licht gebogen lange wand met de gangopening in het midden van de grafkamer. Zie afbeelding 7c.

    Afbeelding 7c

    Grafkamer met zandloper plattegrond met de gang haaks op de grafkamer en de gangopening in het midden van de grafkamer. Zie afbeelding 7d.

    Afbeelding 7d

    Ronde-, ovale-, rechthoekige-, trapezoïde,- zandloper of plattegrond met een rechte lange wand aan de gangzijde en een tegenoverliggende licht gebogen lange wand met de gang haaks op de grafkamer en de gangopening excentrisch van het midden van de grafkamer. Zie afbeelding 7e.

    Afbeelding 7e

    Ovale grafkamer met de gang onder een schuine hoek ten opzichte van de grafkamer. Zie afbeelding 7f.

    Afbeelding 7f

    Grafkamer met een bijkamer. Deze kan achter de hoofdkamer zijn geplaatst of er naast. Zie afbeelding 7g en 7h. Komt alleen in Denemarken voor en is zeldzaam.

    Afbeelding 7g
    Afbeelding 7h

    Een klaverbladvormig grafkamercomplex, bestaande uit een hoofdkamer, een middenkamer en een achterkamer. Zie afbeelding 7i en 7j. Deze variant komt uitsluitend in Denemarken voor en is uiterst zeldzaam.

    Afbeelding 7i
    Afbeelding 7j

    Tweelingkamer met een of twee gemeenschappelijke draagstenen tussen de kamers in. De kamers kunnen verschillende afmetingen hebben en in een hoek ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. Zie afbeelding 7k, 7l en 7m. Komt alleen in Denemarken voor. Sub-varianten: zie afbeelding 7n.

    Afbeelding 7k
    Afbeelding 7l
    Afbeelding 7m
    Afbeelding 7n: diverse variaties Tweelinggraven

    Dubbel ganggraf: twee separate grafkamers zonder gemeenschappelijke draagstenen in dezelfde dekheuvel. De kamers kunnen verschillende afmetingen hebben en in een hoek ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. Zie afbeelding 7o. Dit is een regionale variant en komt alleen op de eilanden (geïsoleerde ligging) in Denemarken voor.

    Afbeelding 7o: diverse variaties dubbele graven

    Trapgraf. In het artikel over het trapgraf heb ik beargumenteerd dat het niet verdedigbaar is dat een trapgraf een type megalietgraf is, maar een variant van een ganggraf,  omdat de bouwperiode en de constructie van de grafkamer en de locatie van de ingangspartij vrijwel identiek is aan de constructie van de grafkamer en ingangspartij van een ganggraf. Slechts het ontwerp en de constructie van de ingangspartij wijkt af. Zie afbeelding 7p.

    De verandering in bouwtechniek van eenvoudige megalithische constructies naar uitgebreidere constructies vereiste meer specialistische kennis over drukverdeling en stabiliteit in de stenen constructie. Dit manifesteerde zich vooral bij het toepassen van een tussenlaag tussen de toppen van de draagstenen en de onderkant van de dekstenen, zoals wordt uitgelegd in de volgende alinea. De bouwers experimenteerden met de grote stenen en hun plaatsing in de constructie.  Dit gold behalve voor het toepassen van een tussenlaag ook voor de aansluiting van de gang op de grafkamer, waar soms een latei  ter overbrugging over de voorste ganggdraagstenen werd gelegd alwaar de corresponderende deksteen van de kamer op kon rusten. In Denemarken is aangetoond dat een aantal (identieke) megalithische constructies is gebouwd door dezelfde bouwploeg/architect.

    Een bijzonder fenomeen bij de Noord-Deense ganggraven is het soms toepassen van een tussenlaag of zelfs tussenlagen tussen de toppen van de draagstenen en de onderkant van de dekstenen. Doel was het verhogen van de grafkamer bij gebrek aan draagstenen met voldoende lengte. Zie afbeelding 8. Bij minstens één trilithon werd de deksteen wel “gewoon” op de toppen van de draagstenen gelegd; men deed dit om de hoogte van de grafkamer te bepalen. De tussenliggende stenen werden zo geplaatst dat ze laag voor laag in de structuur uitsteken, met een kleine verplaatsing naar binnen in de kamer voor iedere laag. Het was noodzakelijk om een groot gewicht aan de achterkant te hebben, zodat de constructie niet zou instorten door druk van bovenaf. De tussenlaag werd direct voor het plaatsen van de dekstenen aangebracht en de stenen werden ter plaatse op grootte en vorm uitgezocht, dan wel passend gemaakt om zo goed mogelijk de druk op te vangen.   

    Afbeelding 8

    Algemeen:

    Voor alle genoemde ganggraven geldt:

    Nadat  de zorgvuldig uitgezochte bouwlocatie boomvrij werd gemaakt, werd een ondiepe bouwput met vlakke bodem gegraven (iets groter dan de afmetingen van de geplande grafkamer) en werden de draagstenen ingebed in een “keien-nest” op de bodem van de standkuilen dat de funderingsput bekleedt. Afhankelijk van de lengte van de draagsteen werd of een funderingssleuf gegraven of een individuele funderingsput. 

    De vloer werd geplaveid met vuistdikke keitjes of zandsteenplaten en de vloerafwerking van ganggraven was doorgaans een mengsel van klei of leem en verbrande vuursteensplinters of verbrand granietgruis. Vaak werd een dubbele bodemafwerking, dus boven elkaar toegepast; soms zelfs driedubbel.

    De constructies werden wind- en waterdicht gemaakt met een mengsel van klei, keitjes en verbrande vuursteensplinters of zandplaten.

    De meeste constructies werden afgedicht met een dekheuvel, soms omsloten met een steenkrans aan de voet van de dekheuvel in een ronde vorm, zie afbeelding 9a en 9b (Komt in Denemarken veel voor; de doorsnede varieert van 10 tot 30 meter en de maximale hoogte is 4 meter; de gang kan wel tot 8 meter lang zijn), soms ovaal (komt in Nederland en Nedersaksen veel voor; de gang is doorgaans niet langer dan 3 meter (3 trilithons)), zie afbeelding 10 en soms een zogenaamde “langgraf-constructie” in een rechthoekige vorm of rechthoekig met afgeronde korte einden zoals D43 Schimmeres. Een trapezoïde vorm komt bij ganggraven vrijwel niet voor. Er zijn ook varianten met een dubbele steenkrans of een combinatie van bovengenoemde varianten. Soms werden dekheuvels tot in de bronstijd meerdere malen opgehoogd of verlengd. Dekheuvels zijn opgebouwd uit vijf verschillende lagen: een paklaag (voor het ondersteunen en stabiliseren van de draagstenen), een cultuslaag, een vullaag (het eigenlijke vulmateriaal als zand, stenen en zoden), natuurlijke lagen (producten van natuurlijke sedimentatie; door de wind aangevoerde zandafzettingen en vegetatiegroei) en andere afzettingen. Niet alle megalithische constructies met een dekheuvel (in welke vorm dan ook) beschikten over een steenkrans. Bij sommige steenkransen werd ook vulwerk tussen de kransstenen toegepast zoals bij D43 Schimmeres. Niet om een waterdichte functie te creëren, maar om uitspoelen van de dekheuvel te voorkomen. Bij recent onderzoek zijn aardewerkscherven gevonden onder het onderste profiel van de dekheuvel, waaruit geconcludeerd kan worden dat de “oplevering” van de megalithische constructie feestelijk werd ingeluid, nog voordat de dekheuvel werd aangebracht.  

    Afbeelding 9a
    Afbeelding 9b
    Afbeelding 10

    Sommige ganggraven zijn met een maximum van 3 geclusterd in een met kransstenen omsloten langgraf-constructie en behoeven per definitie niet tegelijkertijd te zijn gebouwd en er is geen verband tussen de lengte van de langgrafconstructie en het aantal grafkamers. De oriëntatie van de kamers kan in de lengterichting (axiaal) van de lange dekheuvel (“langgraf”) zijn, maar ook haaks op de lengterichting (lateraal) en soms zelfs diagonaal. In het artikel over “langgraven” wordt dit nader uitgelegd en geïllustreerd. In een uitzonderlijk geval zijn een ganggraf en een dolmen omsloten door dezelfde dekheuvel.

    Deense archeologen hebben de zogenaamde “erosietheorie” ontwikkeld: het slinken van de grafheuvel door de eeuwen heen (zie afbeelding 11). Dit kan ook de datering van zogenaamde cupmarks verklaren. Cupmarks vindt men over het algemeen aan de bovenzijde van de middelste deksteen en kunnen niet zijn aangebracht op een deksteen die op dat moment volledig was bedekt door een dekheuvel, maar wel op een moment dat de dekheuvel door erosie was geslonken. Over cupmarks volgt nog een separaat artikel.

    Afbeelding 11

    Met betrekking tot de bouwperiode, de architectuur, kamergrootte, afwerking en materiaalkeuze van de afwerking van de constructies zijn er verschillen waar te nemen in de TRB Noordgroep (noordoostelijk van de Elbe) en de TRB Westgroep (westelijk van de Elbe). Zie afbeelding 12. De chronologische opeenvolging van megalithische graftypen en hun varianten is nog steeds een punt van discussie. We kunnen er van uit gaan dat diverse doorontwikkelde varianten nog lange tijd tegelijkertijd gebouwd en gebruikt werden en dat er (handels)contacten waren tussen de mensen van de Westgroep, de Noordgroep en de Altmarkgroep. Er is geen discussie over het feit dat ganggraven jonger zijn dan dolmens.

    Afbeelding 12

    In het gehele TRB gebied, maar ook in de aanpalende KAK cultuur in Polen werden grafkamers van ganggraven (uitgezonderd de oerdolmens) vanaf de bouw ingedeeld in kwartieren. Dit heet dan ook kwartierindeling of compartimentering. Dit deed men door middel van het dicht op elkaar plaatsen van (rode) zandsteenplaten van gemiddeld 35 x 15 centimeter, die met de lange zijde in de  dunne kleilaag in de dekvloer werden gezet, zodat ze ruimten afbakenden langs de dwars- en lange zijden van de grafkamer. Zie ook afbeelding 13 a ,13b en 13c. Het ligt voor de hand om als motivatie een sociale gelaagdheid te vermoeden, maar dit blijkt nauwelijks zo te zijn: sociale gelaagdheid blijkt meer uit de meegegeven grafgiften dan uit kwartierindelingen. Toch gebeurde de kwartierindeling weloverwogen, maar het gebruik in de tijd gezien was slechts beperkt. Op een moment werd de kwartierindeling genegeerd en werden de platen verwijderd of hergebruikt. In Nederland is dit fenomeen alleen bewaard gebleven bij D19 Drouwen; in Duitsland hoofdzakelijk in Mecklenburg en in Denemarken is het veel voorkomend.

    Afbeelding 13a
    Afbeelding 13b
    Afbeelding 13c

    Veel grafkamers werden na de laatste bijzettingen (in de Enkelgrafcultuur) opzettelijk volgegooid met zand, leem en keien en waren daarmee definitief onbruikbaar voor eventueel toekomstig gebruik.

    Sprockhoff 370, Katelbogen, Landkreis Rostock (Duitsland)
    Sprockhoff 581, Borkowo (Polen). Dit is het meest oostelijke ganggraf van de TRB cultuur.
    Listrup Jaettestue (Denemarken)

    Bronnen en literatuur:

    • De Hunebedden in Nederland (2 delen + atlas) – A.E. van Giffen
    • Atlas der Megalithgräber Deutschlands (3 delen+atlas) – E. Sprockhoff
    • Hunebedden, monumenten v/e Steentijdcultuur – E. van Ginkel / S. Jager / W.A.B. vd Sanden
    • Die Mecklenburgischen Megalithgräber – E. Schuldt
    • The Dutch Hunebedden – J.A. Bakker
    • Megalithic Research in the Netherlands – J.A. Bakker
    • Danske Dysser – K. Ebbesen
    • Passagegraves in Denmark – S.I. Hansen
    • Jaettestuebyggerne – S.I. Hansen
    • Hunebedden in Nederland, zorgen voor morgen – R.H.J. Klok
    • Steinzeitzeugen (Straße der Megalithkultur) – A. Bußmann
    • Großsteingräber der Altmark – H. Bock / B. Fritsch / L. Mittag
    • Kritische nabeschouwingen – J.N. Lanting
    • Dolmens in Denmark – P. Eriksen en H. Andersen
    • The Megalithic Architectures of Europe – L. Laporte
    • Les Dolmen – Le Baron de Bonstetten

    Tekst en foto’s: Willem Donker

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.