vrijdag, oktober 16, 2026
    Home Hondsrug Een heel bijzondere Hondsrugkei

    Een heel bijzondere Hondsrugkei

    0
    481
    Sinds 1953 staat deze zwerfkei met zijn bijzondere levensverhaal voor de ingang van het sportpark in Haren (Gr.)

    Stel je voor dat stenen kunnen spreken. In het Hondsruggebied voelt die gedachte verrassend concreet, zeker wanneer je oog in oog staat met de enorme zwerfkeien van een hunebed. Deze enorme zwerfkeien zijn meer dan eenvoudig op elkaar gestapelde bouwstenen, het zijn stille getuigen uit een tijd die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. Hun vorm, structuur en stapeling vertellen niet alleen over het vakmanschap van de hunebedbouwers, maar bovenal over hun ontstaan in verre Scandinavische rotslandschappen, over gletsjerijs dat ze in de voorlaatste ijstijd meevoerde naar het Hondsruggebied. In Haren bij Groningen vind je een joekel van een zwerfkei die dit verhaal bijna woordelijk vertelt.

    De steen staat al sinds 1953 rechtop in het gras voor de ingang van het sportpark aan de Onnerweg, en is makkelijk ook met fiets en auto te bereiken. Met zijn bijna tweeënhalve meter hoogte trekt hij de aandacht, maar zijn werkelijke bijzonderheid zit dieper — veel dieper. Want nergens anders in Nederland vind je op in de openbare ruimte een vergelijkbare zwerfsteen die zo volledig zijn eigen levensloop laat lezen. De steen laat zien hoe precies hij ooit onderdeel uitmaakte van de harde Scandinavische rotsbodem, in welke richting het gletsjerijs over hem heen schuurde — iets wat je met je vingers kunt voelen — en hoe hij uiteindelijk op de noordelijke Hondsrug belandde. Zelfs zijn oorspronkelijke boven- en onderkant zijn bekend, uit de tijd vóór hij werd opgegraven. En alsof dat niet genoeg is: de steen verraadt ook uit welke richting de wind waaide, zo’n 11.700 jaar geleden.

    Tijdens de Saale-ijstijd breidde een enorme ijskap zich van Scandinavië uit over grote delen van Europa. Het landijs reikte tot in Midden-Nederland.

    Wat ging er aan vooraf?

    De reis van de steen begon in de Saale-ijstijd, zo’n 150.000 jaar geleden, toen het Scandinavische landijs hem uit het rotsverband rukte en het brokstuk meer dan 1500 kilometer zuidwaarts transporteerde. Toen het ijs smolt, bleef hij achter op de noordelijke Hondsrug, verborgen onder het zand van een aardappelakker aan de Nieuwlandseweg in Haren. De boer die het land bewerkte wist precies waar hij zijn ploeg moest optillen, om de steen te ontwijken. Pas toen het terrein werd afgegraven voor zand voor het sportpark, kwam de kei tevoorschijn. De vorm van de steen met vlakke voor- en achterkant maakten hem in 1953 ideaal als natuurlijk naambord bij de ingang van het sportpark.

    Wat volgde op de voorlaatste ijstijd was geen rust, maar een aaneenschakeling van klimaatomslagen die het Drentse landschap keer op keer hertekenden. Na de Saale-ijstijd brak de warmere periode aan van het Eemien. De kou keerde echter terug in de Weichsel-ijstijd daarna. Dit was de laatste grote ijstijd in een reeks die 2,6 miljoen jaar geleden was begonnen en 11.700 jaar geleden definitief eindigde, voorlopig althans..Het landijs bereikte ons land deze keer niet, de voorrand bleef in de buurt van Hamburg in Duitsland steken. Dit wil niet zeggen dat de ijstijdkou Drenthe onaangeroerd liet. In tegendeel, het landschap veranderde ingrijpend. Toendra’s en steppen wisselden af met open bossen, Neanderthalers trokken door het gebied, samen met mammoeten, wolharige neushoorns en wisenten.

    Vanaf zo’n 50.000 jaar geleden werd het pas echt koud. Het Pleniglaciaal brak aan: een periode van extreme vrieskou die tot ruim 18.000 jaar geleden zou duren. Drenthe veranderde in een poolwoestijn. De bodem bevroor meters diep, de Noordzee lag droog en in de barre leegte was er niets dat zand en stof kon vasthouden. Sneeuwstormen en ijzige poolwinden bliezen grote hoeveelheden zand over de bevroren ondergrond. Dat zand bedekte het oude landschap als een deken, vandaar de naam dekzand. De zachte glooiingen die zo kenmerkend zijn voor het Hondsruglandschap zijn er het resultaat van.

    In de warme periode van het Alleröd maakte de steppe-toendra plaats voor berkenbos, vaak in menging met jeneverbessen. Later in het Alleröd waren grote delen van het landschap bedekt met bossen van berken, grove dennen, lariksen en sparren. Beide laatste boomsoorten stierven bij ons aan het eind van de ijstijd uit.
    Tijdens het Alleröd is onder invloed van klimaat en vegetatie bodemvorming opgetreden, die in het dekzand te herkennen is aan de lichte kleur. De fossiele bodemlaag is in een oude zandontsluiting bij Donderen heel fraai waar te nemen. De zandlaag onder de Allerödzone is dekzand uit het Pleniglaciaal. Het zand boven de gebleekte zone is dekzand uit de Jonge Dryas.

    Rond 16.000 jaar geleden begon het klimaat langzaam te ontdooien De warmere fase die volgde, het Allerød-interstadiaal, veranderde Drenthe in korte tijd van een kaal en ijzig landschap naar open berken- en dennenbossen. Voor rendierjagers was het gebied aantrekkelijker dan ooit. Deze milde periode is nog altijd in de ondiepe bodem terug te vinden als een gebleekt, houtskoolrijk niveau in het dekzand, die bekend staat als  de Laag van Usselo.

    In de Jonge Dryas stelde plantengroei weinig voor. Hooguit groeiden er verspreid een paar bomen die geteisterd werden door het barre klimaat. Vooral de winters waren koud. Hoewel het in die tijd  relatief droog was, traden regelmatig hevige sneeuwstormen op.
    Arctisch landschap met op de achtergrond opgewaaid stof. Zo moeten we ons het landschap tijdens de Jonge Dryas voorstellen met van tijd tot tijd zand- en stofstormen. Die periode ligt nog maar 11.700 jaar achter ons.

    Maar de betrekkelijke warmte van de Alleröd-periode was van korte duur. De Jonge Dryas — een abrupte en felle koudegolf tussen 12.900 en 11.700 jaar geleden — maakte een einde aan het pas gevormde, jonge boslandschap. De poolwinden en sneeuwstormen keerden terug en bliezen nog meer dan eerder zand over het landschap, waaruit de dekzandruggen en paraboolduinen ontstonden die Drenthe nog altijd tekenen. Pas toen het klimaat rond 11.700 jaar geleden definitief omsloeg, begon het Holoceen – het warme tijdperk waarin we nu leven.

    De achterzijde van de kei in Haren toont het ruwe niet afgeschuurde diaklaasoppervlak met splijtreten. De roodachtige kleur is veroorzaakt door ijzeroxide
    De steen toont aan de zijkant een doorlopende barst (witte pijl). Dit is een diaklaasbreuk. Door vorstwerking zal in de toekomst dit deel heel langzaam van de steen afsplijten. Diaklazen zijn natuurlijke breuksystemen, die in alle gesteenteformaties voorkomen.

    Wat vertelt de grote kei voor het sportpark?

    De kei in Haren is een roodachtige granietsoort die door verwering lichter is geworden. Van De herkomst ervan is precies bekend: Zuidwest-Finland, meer specifiek de archipel van Åland, tussen de Botnische Golf en de Oostzee. Het is een microkliengraniet van 1,7 tot 2 miljard jaar oud. Opvallend is hoe weinig de kei tijdens zijn lange reis is afgeschuurd. De oorspronkelijke breukvlakken en splijtreten zijn nog altijd goed zichtbaar. Met name de evenwijdig lopende scheuren in de steen (=diaklazen), plus de voor- en achterzijde vormden en vormen, natuurlijke zwakke plekken in de granieten kei. De steen werd ooit door het vastgevroren ijs uit het vaste rotsverband losgebroken en dit is van alle kanten nog te zien.

    Het steenoppervlak aan de rechter zijkant (onder de witte vlek) is door het landijs afgeschuurd toen de kei nog deel uitmaakte van de vaste rots in Zuidwest-Finland. Door met de hand van boven naar beneden over het oppervlak te wrijven is goed te voelen hoe het ijs het graniet destijds in de bewegingsrichting glad heeft geschuurd.
    Aan de linker voorzijde van de kei is de rand van de steen merkwaardig glad afgesleten. De voorzijde gaat met een scherpe overgang over in de zijkant. De zone met donkere vlekken is begroeid met korstmossen. Dichter bij de rand is het gezandstraalde granietoppervlak daarvoor te glad.
    Detail van de glad gezandstraalde onderrand van de kei. Verstuivend zand heeft een ca. 8cm brede zone van de kei glad afgeschuurd. Het zand werd door de wind niet hoog opgewerveld, maar verstoof net zoals aan onze stranden voornamelijk salterend (=stuiterend) over het oppervlak.

    Dat we ook na meer dan 11.700 jaar nog precies weten hoe hij in de Harener bodem lag en welke kant naar het westen wees, is te danken aan een hoefijzervormig paraboolduin in het Hunzedal bij Annen, bekend als ‘De Bulten’. Dat duin laat onomstotelijk zien dat de wind in de Jonge Dryas overwegend uit het westen blies. Gecombineerd met de afgesleten en glad gezandstraalde rand van de kei levert dat een opmerkelijke conclusie op: de zijde met de gebeitelde naam was oorspronkelijk de onderkant. De gladde, door zand geslepen rand wees naar het westen. Aan d onderzijde zijn bovendien ondiepe uithollingen zichtbaar, uitgeslepen door rondtollende zandkorrels die de wind er onder door joeg.

    Oude luchtfoto van de groenlanden in het Hunzedal, oostelijk van Annen. Het grote paraboolduin, dat ter plaatse bekend staat als ‘De Bulten’ is in de Jonge Dryas in een spaarzaam begroeid landschap door overwegend uit het westen waaiende wind ontstaan.

    Het is een ogenschijnlijk gewone steen bij een sportveld langs de Onnerweg in Haren, waar de meeste voorbijgangers zonder de kei een blik te gunnen, langs lopen. Maar voor wie oog heeft voor wat hij te vertellen heeft, is het een boeiend boek over ijstijden, een reis van anderhalf duizend kilometer en klimaatwisselingen van tienduizenden jaren geleden. Indrukwekkender dan menig monument — en… gratis te bezoeken.

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.