
Hunebed D31, ook wel bekend als Exloo-Zuid, ligt in het Hunzebos tussen Exloo en Valthe. Anders dan het nabijgelegen hunebed van Exloo-Noord (D30) is het tegenwoordig geen indrukwekkend monument meer maar slechts een zwaar gehavend restant van wat ooit een goed bewaard hunebed was. Juist die teloorgang maakt het archeologisch en historisch interessant.
D31 werd gebouwd door de mensen van de Trechterbekercultuur, rond 3400 – 3000 v.Chr. Het hunebed was oorspronkelijk ongeveer 7,0 m lang en 3,3 m breed en lag op een lichte verhoging. Het was oost-west georiënteerd en bezat oorspronkelijk vijf dekstenen. In de omgeving liggen onder meer een grafheuvel uit de bronstijd en delen van een zeer oude route over de Hondsrug.
De oudste bekende schriftelijke vermelding van D31 dateert uit 1818 en wordt in de literatuur toegeschreven aan R. Boelken*). Rond 1820 werd het hunebed opgegraven. Twee jaar later, in 1822, werd het nog beschreven als “een voortreffelijk en wel bewaard hunebed, gekenmerkt door het bezit van vijf in den besten orde op hun draagstenen rustende dekstenen”- wat betekent dat D31 aan het begin van de negentiende eeuw nog vrijwel ongeschonden was.
Echter, tussen 1822 en het begin van de twintigste eeuw moet het monument zwaar zijn beschadigd. Wanneer dat precies gebeurde is onbekend, maar het resultaat was desastreus. Vrijwel alle dekstenen verdwenen, draagstenen werden verwijderd of omvergetrokken en het hunebed veranderde in een ruïne. In 1878, tijdens het bezoek van de Britse oudheidkundigen Lukis en Dryden (zie ook het verhaal over D5) was D31 al totaal verwoest. Alleen de sluitsteen en twee draagstenen stonden nog overeind, met daartussen de gekantelde overgebleven deksteen. Vijf andere stenen (waarschijnlijk draagstenen) lagen in de omgeving verspreid. Toen Van Giffen het monument in 1918 voor het eerst bezocht omschreef hij het als “in treurigen staat en onherkenbaar vernield”.
In tegenstelling tot D30, dat door Van Giffen uitgebreid is onderzocht, heeft D31 nooit een volledige wetenschappelijke opgraving gekend. Wel werd het hunebed in 1952 ‘gerestaureerd’, waarbij het, omdat het monument al zo zwaar verwoest was, vooral ging om conservering en om het zichtbaar maken van de oorspronkelijke structuur. In 1965 is er nog onderzoek gedaan naar de positie van de verdwenen stenen. Daarbij kon de locatie van twee ontbrekende draagstenen en de poortstenen worden vastgesteld. Deze worden tegenwoordig met markeringen aangegeven.
Hoewel D31 tegenwoordig een ruïne lijkt, is het voor archeologen en historici interessant omdat het laat zien hoe kwetsbaar hunebedden waren vóór de wettelijke monumentenzorg. De bronnen uit 1818 en 1822 tonen een vrijwel intact monument; een halve eeuw later was het grotendeels verwoest. Daarmee vormt D31 een van de duidelijkste voorbeelden van de achteruitgang die veel Drentse hunebedden in de negentiende eeuw hebben doorgemaakt**).




Voor meer informatie over D31 klik hier.
Het GIA (Groninger Instituut voor Archeologie) heeft in het najaar van 2024 veel oude foto’s van opgravingen digitaal ontsloten. Een ware schatkamer. De historische foto’s bij dit artikel zijn te vinden via https://dbc.rug.nl/digital/collection/GIA-fotos. Als u hier de zoektermen exloo en hunebed intikt vindt u onder meer de getoonde foto’s.
*) R. Boelken was waarschijnlijk een vroeg negentiende-eeuwse beschrijver van Drentse oudheden. Hij wordt door Van Giffen bij meerdere hunebedden (D30, D31, D34) als eerste vermelder genoemd. Over zijn persoon is tegenwoordig weinig bekend, en ook de exacte publicatie waarin deze vermelding zou zijn verschenen is vooralsnog niet vast te stellen.
**) De zware beschadiging van D31 in de negentiende eeuw krijgt nog een extra betekenis wanneer ook het nabijgelegen, verdwenen monument D31a in beschouwing wordt genomen. Dit kleine hunebed, of mogelijk steenkistgraf, werd in 1847 nog vastgelegd door L.J.F. Janssen, maar in de tweede helft van de negentiende eeuw verdwenen alle stenen. Wat resteerde was een kuil in de oorspronkelijke dekheuvel. Toch kreeg de plek nog een onverwachte tweede geschiedenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd deze uitholling gebruikt als onderduikershol. Toen archeologen onder leiding van J.N. Lanting in 1993 onderzoek deden naar D31a, troffen zij niet alleen sporen van het prehistorische grafmonument aan (onder meer delen van de keldervloer en zeer vroeg trechterbekeraardewerk), maar ook resten van het gebruik in oorlogstijd, waaronder door de onderduikers achtergelaten keukengerei. Daarmee vertelt D31a niet alleen een verhaal over de prehistorie, maar ook over de heel recente geschiedenis van het Drentse landschap.










