
Op het grasveld voor het grote bord van Geopark De Hondsrug, naast het kantoorgebouw van de IJstijdexpositie van het Hunebedcentrum, liggen sinds enige tijd een aantal grote zwerfkeien. Ze vallen meteen op, niet alleen door hun formaat, maar vooral door hun uiterlijk en het verhaal dat ze meebrengen. Aan hun vormen en structuren is te zien waar ze vandaan komen, hoe ze ooit in gletsjerijs zijn meegevoerd en welke krachten ze in een latere ijstijd opnieuw hebben doorstaan.




Toch is dat niet het hele verhaal. Twee van deze zwerfstenen behoren tot een gesteentesoort die met explosief vulkanisme te maken hebben. Ze vormen met z’n beiden de twee grootste zwerfsteenexemplaren in Noord-Nederland. Bijzonder is dat beide zwerfstenen afkomstig zijn uit voormalig akkerland dat binnenkort plaats moet maken voor een nieuwe woonwijk. Het gaat om twee Dalarnaporfieren uit de gelijknamige provincie in Midden‑Zweden. Zwerfsteenliefhebbers weten hoe uitzonderlijk dat is: Dalarnaporfieren zijn vrijwel nooit groot. Meestal vind je ze in hand- of vuistformaat. Een exemplaar van twintig centimeter geldt al als een zeldzaamheid. De twee stenen die nu op het terrein liggen, doorbreken dat beeld volledig. De grootste is in alle richtingen ongeveer zestig centimeter, de andere iets kleiner, maar nog steeds indrukwekkend groot voor dit type gesteente. En wat nog meer bijzonder is, het zijn ook nog eens windkanters; weliswaar niet echt top, maar ze tonen heel duidelijk de zandstraalwerking uit de laatste ijstijd.
Daarmee liggen er sinds kort twee echte zeldzaamheden in de buitencollectie van het Hunebedcentrum, en dat is reden genoeg om eens iets langer stil te staan bij deze bijzondere vulkanische gesteenten, wat zijn het voor porfieren, waar komen ze precies vandaan en, belangrijk, hoe zijn ze ontstaan? Het gaat niet om de gewone vulkanische porfiersoorten uit Dalarne die je geregeld tussen andere zwerfstenen aantreft. In de grote keienhoop bij het Hunebedcentrum worden wel vaker porfieren gevonden, maar die zien er anders uit, zijn minder hard en dicht en zeker niet van het formaat van deze twee joekels.





Älvdalenporfieren
Zwerfsteenliefhebbers kennen de dichte, kleurige en vaak druk gevulde porfieren uit Dalarna als Älvdalenporfieren. Het zijn keiharde, compacte vulkanische gesteenten die in de provincie Dalarna in tientallen, waarschijnlijk zelfs honderden kleur- en structuurvarianten voorkomen. Ze zitten doorgaans vol met kleine pitjes, kristallen van gemiddeld anderhalf tot twee millimeter groot, die als eerstelingen worden aangeduid. Deze kristallen bestaan vooral uit kwarts en veldspaat en liggen bij de twee grote zwerfstenen op het grasveld ingebed in een grijswitte en gele matrix, waardoor het gesteente van dichtbij een fijn gespikkeld uiterlijk krijgt. Sommige porfieren tonen een structuur die aan vloeiing doet denken, maar dat heeft niets te maken met het stromen van lava; het hangt samen met hun bijzondere ontstaanswijze.

De lichte kleur van beide zwerfkeien is het resultaat van bleking en verwering tijdens hun meer dan honderdduizend jaar lange verblijf in de zandige bodem aan de Koesteeg van de Daalkampen. In die tijd is het oppervlak van het gesteente langzaam lichter geworden, terwijl de interne structuur vrijwel onaangetast bleef.
Binnen de zwerfsteencollectie komen Älvdalenporfieren voor in een aantal duidelijk te onderscheiden typen, die als gidsgesteenten verschillende namen dragen. Tot de bekendste behoren Blybergporfier, Orrlokporfier, Rode en Zwarte Rännasporfier, Klittbergporfier, Dysbergporfier, Kallbergetporfier en Gustavsporfier. Al deze varianten zijn rijk aan silica en hebben een vulkanische oorsprong, maar ze zijn geen lavagesteenten die zijn ontstaan uit langzaam afkoelende lava die uit een krater naar beneden stroomde. Silicarijk magma is zo stroperig dat het nauwelijks wil vloeien. De schijnbare ‘vloeistructuur’ in sommige Dalarneporfieren heeft dan ook niets met stromende lava te maken.




In het tweede deel van dit verhaal ga ik dieper in op de bijzondere eigenschappen van het silicarijke magma en op de uitzonderlijke vulkanische omstandigheden die met het ontstaan van deze porfieren samenhingen.
Hoe Zweedse Dalarne- en andere porfieren koninklijke en zelfs keizerlijke gesteenten werden.
Dalarnaporfieren en vooral de eerstelingrijke varianten met hun karakteristieke ignimbrietische ‘vloeistructuren’ uit het Älvdalengebied, zijn niet alleen geologisch interessant. Hun voorkomen in Midden‑Zweden hangt samen met een enorm langgerekt gebied van magmatische gesteenten dat zich over bijna vijftienhonderd kilometer door Zweden uitstrekt. Deze aaneengesloten gordel van granieten en porfieren staat in de geologie bekend als de TIB‑gordel, de Transscandinavian Igneous Belt. Hij loopt ruwweg van Blekinge en Småland in het zuiden, via Värmland en Dalarna naar Härjedalen, en verdwijnt daar onder de dekbladen van de Caledonische gebergtevorming om uiteindelijk in Noorwegen bij de Lofoten weer aan de oppervlakte te komen.


Met de Älvdalenporfieren is bovendien iets bijzonders aan de hand. Sommige typen hebben een uitgesproken historische betekenis en zelfs een koninklijk tintje. Het gesteente werd eeuwenlang gezaagd, geslepen en gepolijst tot kostbare vazen, zuilen en ornamenten die in paleizen en musea terechtkwamen. De hardheid, kleur en levendige structuur maakten het tot een geliefd materiaal voor prestigeobjecten. Die waardering voor dit soort gesteente gaat echter terug tot ver vóór de Scandinavische koningshuizen. Al bijna tweeduizend jaar geleden, in de Romeinse tijd, was een vergelijkbaar porfiertype – de Porfido Rosso Antico – een van de meest begeerde steensoorten van het rijk. Door zijn diepe kleur, uitzonderlijke dichtheid en duurzaamheid gold hij als ‘keizerlijke steen’, voorbehouden aan monumenten en voorwerpen die macht en status moesten uitstralen. Hieronder lees je daarover meer.
In het tweede deel van dit verhaal kom ik terug op de bijzondere eigenschappen van het magma waaruit zowel porfieren als granieten zijn gevormd, en op de uitzonderlijke vulkanische omstandigheden die daarbij een rol speelden.

Elfdalenporfier en zijn kunstvoorwerpen en vazen
De twee grote zwerfstenen van Dalarna‑kwartsporfier bij het Hunebedcentrum staan in zekere zin symbool voor een opmerkelijke industrie die in de achttiende en negentiende eeuw tot bloei kwam: de verwerking van keiharde porfiersteen tot luxevoorwerpen. In Älvdalen, in Dalarna, ontstond in die tijd een ambacht dat geologie, technisch vakmanschap en koninklijke smaak op een bijna vanzelfsprekende manier met elkaar verbond. De omgeving van Älvdalen is rijk aan varianten van het ongeveer 1,7 miljard jaar oude vulkanische gesteente. Alleen al in dit gebied, in het Nederlands vaak Elfdalen genoemd, zijn meer dan honderd typen bekend, elk met een eigen kleur en structuur, gevormd door afzonderlijke vulkaanuitbarstingen die hun eigen signatuur achterlieten – van dieprood tot bijna zwart.
De porfiersoorten kregen meestal de naam van de plek waar ze werden gevonden, een traditie die we terugzien in onze zwerfsteenliteratuur. Tot de bekendste behoren Blybergporfier, Bredvadporfier, Brunnsbergporfier, Rännåsporfier, Kåtillaporfier, Dysbergporfier en Rännasporfier. Voor siervoorwerpen was vooral Blybergporfier geliefd. Dit gesteente, gewonnen op de Blyberget ten zuiden van Älvdalen, heeft een donker grijsbruine tot bijna bruinzwarte grondkleur, met lichte veldspaatkristallen en soms groenige of roodachtige vlamvormige strepen. Het was het porfiertype dat het vaakst werd gebruikt voor vazen, schalen en ornamenten. Bredvadporfier, meestal bleek‑ tot steenrood met roze, witte of grijzige eerstelingen, had eveneens een vaste plaats in het ambacht. Voor zeer grote voorwerpen greep men vaak naar Garberggranit, onder de handelsnaam ‘granitell’. Strikt genomen is dit geen porfier, maar een fijnkorrelige graniet die minder snel scheurde en daardoor geschikt was voor objecten van indrukwekkende afmetingen.
Dat men uit zulke harde gesteenten vazen, bokalen, urnen, kandelaars en tafelbladen kon maken, blijft indrukwekkend. Porfier is veel harder dan marmer, dat zich met hamer en beitel relatief eenvoudig laat vormen. Bij porfier begon alles met het in vorm brengen van een ruwe steen, waarna werd gezaagd, geboord, geslepen en eindeloos gepolijst. Het echte vormgeven gebeurde vooral door langdurig afslijpen, een proces dat maanden, soms jaren kon duren. Uit historische bronnen uit Älvdalen weten we dat het zagen van een blok porfier van ongeveer zestig centimeter dik tot een tafelblad wel een jaar kon vergen in een tijd waarin vrijwel alles nog handmatig gebeurde.

Van handwerk naar waterkracht
De echte doorbraak voor de porfierindustrie in Älvdalen kwam met de mechanisatie. Rond 1796–1797 verrees er een grote, door waterkracht aangedreven werkplaats waar het harde gesteente efficiënt kon worden bewerkt. Het water dreef de machines aan, en via assen, houten wielen en leren riemen werd die beweging doorgegeven aan zaag-, boor-, slijp- en polijstwerktuigen. In een oude werkplaats in Älvdalen is die oorspronkelijke opstelling nog te zien.Op de benedenverdieping werden de ruwe porfierblokken gezaagd en geboord, terwijl op de verdieping daarboven de grote vlakslijpers en kleinere slijp- en polijstmachines stonden opgesteld. Het vormgeven van porfier was geen kwestie van snijden, maar van langzaam en geduldig wegslijpen. Met steeds fijner slijpwerk en uiteindelijk langdurig polijsten kreeg het oppervlak zijn karakteristieke, bijna glasachtige glans, die de kleuren en veldspaatkristallen zo spectaculair tot leven bracht.
De band tussen deze porfierverwerking en het Zweedse koningshuis was opvallend sterk, sterker zelfs dan louter belangstelling voor fraaie vazen. Het Älvdalens Porfyrverk werd in 1788 opgericht, mede om de arme bevolking van Älvdalen aan werk te helpen. Een jaar eerder was al een van de eerste porfieren urnen uit Elfdalen aan koning Gustav III aangeboden. Toch begon de echte bloeitijd pas onder Karl XIV Johan. In 1810 werd de Franse maarschalk Jean‑Baptiste Bernadotte door de Zweedse Rijksdag geadopteerd als kroonprins, omdat de kinderloze koning Karel XIII geen opvolger had. Bernadotte nam de naam Karel Johan aan en regeerde van 1818 tot 1844 over Zweden en Noorwegen als koning Karl XIV Johan, de stamvader van het huidige Huis Bernadotte. In 1818 kocht hij het verlieslijdende porfierbedrijf met privévermogen, formeel op naam van zijn zoon kroonprins Oscar, en tot 1856 bleef het bedrijf in handen van de koninklijke familie.

Karl XIV Johan werd bovendien de belangrijkste opdrachtgever. Hij liet kostbare vazen, urnen, tafelbladen en andere pronkstukken vervaardigen voor de koninklijke paleizen, maar gebruikte ze ook als diplomatieke geschenken aan Europese vorsten. Zo werd Älvdalenporfier een soort visitekaartje van Zweden: het toonde niet alleen de bijzondere natuurlijke rijkdommen van het land, maar ook het vakmanschap van ambachtslieden die een extreem hard gesteente tot verfijnde kunst konden vormen. Twee monumentale vazen gingen naar de Britse koning George IV; andere stukken vonden hun weg naar vorstenhuizen op het continent. Ook latere Zweedse koningen zetten die traditie voort.



Een van de beroemdste voorbeelden is de enorme Rosendalsvaas bij Rosendals slott in Stockholm. Deze werd in 1823 besteld en was in 1825 voltooid. Het gevaarte, ruim 3,5 meter hoog en ongeveer negen ton zwaar, werd niet uit porfier maar uit een blok Garberggraniet gemaakt, dat onder de handelsnaam ‘granitell’ bekendstond. Dit gesteente was minder breukgevoelig en daardoor geschikt voor zulke monumentale objecten. Ook de enorme sarcofaag van Karl XIV Johan in de Riddarholmskerk werd uit dit graniet vervaardigd.
De porfierbewerking in Älvdalen kreeg zo bijna een koninklijk karakter. Die verbondenheid werd in 2016 nog eens benadrukt met de tentoonstelling Porfyr – Den Kungliga Stenen in het Sven‑Harrys kunstmuseum in Stockholm, geopend door prinses Sofia. In 1989 werd de Dalarnaporfier officieel uitgeroepen tot landschapssteen, en in de streek staat een eigen Porfyrmuseum, in 1988 geopend door koning Carl XVI Gustaf, waar nog altijd op kleine schaal porfiervoorwerpen worden gemaakt.


De combinatie van een zeldzaam en uitzonderlijk hard Zweeds gesteente, maandenlang slijpwerk, door water aangedreven machines en koninklijke opdrachten maakte van deze afgelegen streek in Dalarna een producent van luxevoorwerpen die hun weg vonden naar de paleizen van Europa. Het is dan ook geen wonder dat porfier in Zweden nog altijd bekendstaat als den kungliga stenen — de koninklijke steen.
Een porfier uit Egypte van keizerlijke allure
Bijna tweeduizend jaar voordat de Zweden hun Älfdalenporfieren tot schitterende voorwerpen verwerkten, hadden de Romeinen hun eigen porfiergesteente. Even hard en even weerbarstig als het Zweedse. Maar net anders van samenstelling, was het diep purperrode Porfido Rosso Antico het ultieme symbool van keizerlijke macht. De kleur van het gesteente verwees rechtstreeks naar de purperen toga van de keizer, waardoor dit keiharde vulkanische porfiergesteente vrijwel exclusief was voorbehouden aan de keizer en zijn familie. Een object van purperporfier was meer dan luxe: het verkondigde de goddelijke en eeuwige status van het rijk, zichtbaar in elke zuil, sarcofaag of schaal die ervan werd gemaakt.

De Romeinen wonnen het gesteente op één specifieke plek in Egypte, in de oostelijke woestijn bij de berg Mons Porphyrites (Gebel Abu Dukkhan), niet ver van het huidige Hurghada en zo’n 45 kilometer van de Rode Zee. Het was een afgelegen, bloedheet gebied op ongeveer 1400 meter hoogte, dat pas rond de jaartelling onder keizer Augustus, of kort daarna, werd ontsloten. De winning was uitzonderlijk zwaar. Het gesteente maakte deel uit van een ongeveer zeshonderd miljoen jaar oud vulkanisch complex, en zijn karakteristieke paarsrode kleur ontstond door het mineraal piemontiet, een mangaanrijke epidootsoort die de fijne grondmassa haar diepe tint gaf.


Rond 18 n.Chr. ontdekten de Romeinen de porfierlocatie, en al snel werd het gebied ingericht als een streng bewaakt militair‑industrieel complex. Honderden veroordeelden, slaven en gestrafte christenen werkten er onder extreme omstandigheden, ver van bewoonde gebieden, bewaakt door forten en afhankelijk van schaarse waterputten. De logistiek was al even indrukwekkend als de winning zelf. De loodzware porfierblokken werden via een speciaal aangelegde route, de Via Porphyrites, over honderden kilometers op houten sleden naar de Nijl gesleept. Vandaar gingen ze per schip verder naar Rome, waar ze hun weg vonden naar paleizen, tempels en mausolea.
Waarom werd een porfiertype als ‘Porfido Rosso Antico’ zo beroemd?
Juist omdat het gesteente zo moeizaam kon worden gewonnen, zo moeilijk te bewerken was en zo kostbaar om te vervoeren, groeide deze porfier uit tot hét symbool van keizerlijke macht. Het diepe purperrood werd direct geassocieerd met de purperen mantel van de keizer, en al snel gold de Porfido Rosso Antico als een exclusief privilege van het keizerlijk huis. Van dit gesteente werden sarcofagen gemaakt voor keizers en hun familie — de beroemdste zijn die van Helena en Constantia, nu in het Vaticaan — maar ook standbeelden, zuilen, badkuipen, vloeren in opus sectile en de indrukwekkende porfieren discus die nog altijd in de vloer van het Pantheon en de Hagia Sophia te zien is.
De bewerking van dit materiaal was een vak apart. Zowel Älvdalenporfier als Porfido Rosso Antico zijn zo hard dat gewone beitels nauwelijks effect hebben. Beeldhouwers gebruikten daarom slijp- en polijstmiddelen zoals amaril (korund) en granaatkorrels, en werkten met slijpstenen, boren en langdurig schuren in plaats van hakken. Een enkel beeld kon maanden, soms jaren vergen. Het eindresultaat was een spiegelgladde steen die vrijwel geen sporen van gereedschap toont, en juist die moeizame bewerking maakte het gesteente nog exclusiever.

Rond de vijfde eeuw raakten de groeves uitgeput of werden ze verlaten. De exacte locatie verdween in de vroege middeleeuwen uit het collectieve geheugen. Pas in 1823 werd Mons Porphyrites opnieuw gevonden door de Britse ontdekkingsreizigers John Gardner Wilkinson en James Burton. Dat betekende dat er na de Romeinse tijd eeuwenlang geen nieuw porfier meer beschikbaar was – precies de reden waarom de verhalen uit de Italiaanse Renaissance zo goed kloppen. Rijke families, kerken en kunstenaars in de vijftiende en zestiende eeuw waren dol op klassieke luxe en machtssymboliek, maar omdat er geen vers materiaal te krijgen was, gingen ze op zoek naar resten uit Romeinse ruïnes. Oude zuilen, badkuipen, sarcofagen en brokstukken werden opgegraven, hergebruikt en soms opnieuw bewerkt tot nieuwe kunstwerken, tafelbladen, vazen of architectonische elementen.

Families als de Medici richtten zelfs speciale werkplaatsen in om dit extreem harde antieke gesteente opnieuw te kunnen bewerken. Het herbewerkte porfier werd trots verwerkt in paleizen, kerkvloeren en pauselijke monumenten, als een zichtbaar teken van verbondenheid met de glorie van het oude Rome. Zo bleef een oud Romeins vulkanisch gesteente uit Egypte – dat wij in een Drentse zwerfsteenhoop zouden herkennen als een Dalarneporfier -eeuwenlang een statussymbool: eerst van Romeinse keizers, later van Renaissance‑vorsten die zich bewust in dezelfde traditie van macht en pracht wilden plaatsen.











