donderdag, augustus 20, 2026
    Home Prehistorische ambachten Textiel in het neolithicum – deel 5

    Textiel in het neolithicum – deel 5

    0
    625

    De woorden ‘draden’ en ‘draaien’ zijn duidelijk aan elkaar verwant. Er zijn verschillende manieren om ‘draden te draaien’.

    Draden

    Een draad is in principe een lange, dunne bos vezels die om elkaar heen gedraaid zijn. Al heel lang maken mensen draden, touw of koord. Er zijn stukjes gevonden uit het paleolithicum. Draad is het uitgangspunt van vele textieltechnieken.

    Vingerdraaien

    Om draad te maken werd in het begin geen enkel hulpmiddel gebruikt. Met handige vingers werden de vezels ineengedraaid. Onderzoekers gaan ervan uit dat jonge kinderen dit al leerden, zodat ze konden helpen bij de textielproductie.

    Hoe doe je het?
    Je legt een voorraadje vezels klaar. Neem daarvan minstens drie in je rechterhand (als je linkshandig bent, dan doe je het links). Draai het midden van dat bosje tussen duim en wijsvinger. Zodra het draaipunt gaat krinkelen, vouw je het dubbel. Dan heb je dus twee bosjes vezels om mee te werken.

    Houd het gevouwen punt in je andere hand stevig vast (horizontaal). Draai het bovenste bosje weer tussen duim en wijsvinger. Leg het dan over het onderste bosje. Nu is het onderste het bovenste geworden en ga je dat draaien. Herhaal steeds deze twee bewegingen: draaien en overleggen. Schuif je andere hand steeds op naar het nieuwe draaipunt.

    Als de vezels korter worden, begin je er nieuwe vezels bij te leggen. Niet te veel tegelijk, want dan wordt het draadje erg hobbelig. Leg de nieuwe vezel met het midden naast het draaipunt en verwerk deze in beide bosjes. Of dat de originele prehistorische manier was, is nog onzeker, maar het geeft wel het mooiste resultaat.

    Draden die op deze manier worden gemaakt, bestaan uit twee draden om elkaar heen, oftewel: ze zijn ‘getwijnd’.

    Spinnen

    Uit de vele vondsten van ‘spinsteentjes’ (spindle whorls) blijkt dat het spinnen met een spindel al een oude uitvinding is. Ook nomaden konden spinnen, zelfs terwijl ze liepen. De spindel hangt aan de draad-in-wording en blijft een poosje doordraaien vanwege de vliegwielwerking van de ronde schijf.

    Het is mogelijk dat het begon met een eenvoudigere manier van spinnen. Daarbij wordt alleen een stokje gebruikt. Waar deze techniek nu nog wordt gebruikt, rolt men het stokje over het bovenbeen. Op die manier komt er ’twist’ in het bosje vezels.

    Spinnen produceert dus eerst een enkele draad, die alleen ‘getwist’ is. Later kunnen twee van zulke draden samen worden getwijnd. Maar dat is niet per se nodig. Er zijn restanten weefsel gevonden van enkel getwiste, ongetwijnde draden. In sommige van die weefsels waren draden verwerkt die in twee verschillende richtingen waren gedraaid. Men spreekt dan van S- en Z-twist.

    Bibliografie
    “The Prehistoric Art of Textile Making – The development of craft traditions and clothing in Central Europe” door K. Grömer.

    Artikelen van Exarc.net, Researchgate.net, Sciencedirect.com en Nature.com.

    Filmpjes van YouTube (vooral van Sally Pointer).

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.