donderdag, augustus 20, 2026
    Home Hunebedden Hunebed Exloo-Noord (D30) op oude foto’s van het GIA

    Hunebed Exloo-Noord (D30) op oude foto’s van het GIA

    0
    1
    D XXX – Het hunebed van Exloo-Noord (D30), zoals Van Giffen dat in 1918 op de open heide aantrof (foto 1918-0224, GIA).

    Het hunebed van Exloo-Noord (D30) ligt in de boswachterij van Exloo, ten noordwesten van het dorp. Met een lengte van ongeveer 7,3 meter en een breedte van 3,4 meter behoort het niet tot de grootste hunebedden van Drenthe. Wat wel opvallend is is zijn vrijwel exact noord-zuid gerichte ligging- dat terwijl de meeste hunebedden een meer oost-west gerichte oriëntatie hebben.

    De oudst bekende schriftelijke vermelding van D30 dateert uit 1818, toen het hunebed werd beschreven door R. Boelken, een vroege beschrijver van Drentse oudheden. Enkele jaren later, in 1822, werd het omschreven als een “voortreffelijk en welbewaard hunebed” met nog vijf*) dekstenen aanwezig. In 1871 kwam het monument via een schenking van een particulier in handen van de provincie.

    Het eerste echte wetenschappelijke onderzoek vond plaats in 1918 onder leiding van Van Giffen. Destijds lag het hunebed nog midden op de open heide; de huidige bosomgeving ontstond pas later. Hoewel vrijwel alle draagstenen zich nog op hun oorspronkelijke plaats bevonden, waren van de dekstenen nog slechts twee exemplaren aanwezig. Daarnaast waren de resten van de oorspronkelijke dekheuvel nog duidelijk zichtbaar. Van Giffen noemde de “overblijfselen van den dek- of mantelheuvel […] zeer in het oog springend”.

    De opgraving van 1918 leverde een uitzonderlijk rijke verzameling vondsten op. In en rond de grafkamer werden onder meer aangetroffen:

    • resten van ongeveer 65 tot 80 stuks Trechterbekeraardewerk;
    • stenen bijlen;
    • een pijlpunt;
    • verbrande menselijke botresten;
    • drie versierde schalen (buiten de grafkamer).

    Een van de belangrijkste ontdekkingen van Van Giffen was dat de grafkamer gedurende haar gebruiksgeschiedenis herhaaldelijk was aangepast. Hij onderscheidde vijf opeenvolgende vloerlagen, waarvan de oudste vloer lag ongeveer 1,70 meter onder de dekstenen lag. De grafkamer moet oorspronkelijk zo diep geweest zijn dat men er rechtop in kon staan!

    Bijzonder zijn ook de vondsten van buiten de eigenlijke grafkamer. De daar aangetroffen scherven en schalen worden tegenwoordig vaak geïnterpreteerd als resten van rituele offers of dodenmaaltijden. Dit wijst erop dat D30 niet alleen als grafmonument diende, maar ook een belangrijke plaats was voor rituelen rond voorouderverering.

    In 1985 voerde archeoloog J.N. Lanting aanvullend onderzoek uit naar de nog aanwezige resten van de dekheuvel. Daarbij bleek dat deze in twee fasen was opgeworpen. De eerste fase dateerde uit de tijd van de hunebedbouwers zelf, uit het Laat-Neolithicum. Vervolgens werd de heuvel in de Vroege Bronstijd, waarschijnlijk door mensen van de Wikkeldraadcultuur (ca. 2100–1800 v.Chr.), verhoogd. Opmerkelijk was dat zelfs na deze tweede ophoging het monument niet volledig door aarde werd bedekt. Het hunebed bleef dus zichtbaar in het landschap, wat erop wijst dat de plek ook eeuwen na de bouw nog betekenis had voor latere generaties.

    In de moderne tijd is D30 meerdere keren gerestaureerd. Direct na het onderzoek van Van Giffen in 1918 vonden er al herstelwerkzaamheden plaats, later gevolgd door nieuwe restauraties in de jaren ’90. In 1999 werd een derde deksteen teruggeplaatst waardoor het monument weer wat meer van zijn oorspronkelijke aanzien terugkreeg**). In april 2005 werd het hunebed zwaar beklad met spuitverf. Hoewel het monument snel kon worden gereinigd met stoom onder hoge druk en ook de daders werden gepakt, had de schoonmaak toch een ongewenst neveneffect: veel van de oorspronkelijke korstmossen en natuurlijke verweringslagen verdwenen voorgoed van de stenen.

    Ondanks zijn bescheiden afmetingen neemt D30 een belangrijke plaats in binnen het Nederlandse hunebeddenonderzoek. Dat komt door:

    • de uitzonderlijk goed onderzochte dekheuvel;
    • de vijf onderscheiden vloerlagen;
    • de grote hoeveelheid gevonden aardewerk;
    • de aanwijzingen voor rituele activiteiten buiten de grafkamer;
    • het bewijs dat de plek ook later nog, in de Bronstijd, betekenis had.

    Daardoor biedt D30 een zeldzaam compleet beeld van een hunebed als méér dan alleen een graf. Het laat zien hoe zo’n monument gedurende millennia deel kon uitmaken van een ritueel landschap, waarin herinnering, voorouderverering en gebruik van het landschap samenkwamen.

    D XXX – Het hunebed van Exloo (D30), tijdens de opgraving in 1918 (foto 1918-0096, GIA).
    D XXX – De opgraving van het hunebed van Exloo-Noord (D30), in 1918 (foto 1918-0101, GIA).
    D XXX – De opgraving van het hunebed van Exloo-Noord (D30), in 1918 (foto 1918-0102, GIA).
    D XXX –Het hunebed van Exloo-Noord (D30), “na verwijdering van het struikgewas” in 1952 (foto 1952-0231, GIA).
    Plattegrond van hunebed D30 (uit A.E. van Giffen, De hunebedden van Nederland; Utrecht; 1925-1927).
    Het hunebed van Exloo-Noord (D30), tegenwoordig (foto Rob Wervelman).

    Voor meer informatie over D30 klik hier.

    Het GIA (Groninger Instituut voor Archeologie) heeft in het najaar van 2024 veel oude foto’s van opgravingen digitaal ontsloten. Een ware schatkamer. De historische foto’s bij dit artikel zijn te vinden via https://dbc.rug.nl/digital/collection/GIA-fotos. Als u hier de zoektermen exloo en hunebed intikt vindt u de getoonde historische foto’s.

    *) De vermelding uit 1822 spreekt van vijf dekstenen, terwijl latere onderzoekers uitgaan van een oorspronkelijk aantal van vier. Deze tegenstrijdigheid is vooralsnog niet verklaard.

    **) Waar komt die 3e deksteen vandaan? Geen van de publiek beschikbare literatuur vermeldt dit. En dat ondanks het feit dat de restauratie nog niet eens zo lang geleden is…

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Vul alstublieft uw commentaar in!
    Vul hier uw naam in

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.