
Hunebed D34 (Valthe-West) ligt op het Oosterveld tussen Odoorn en Valthe. Samen met het verdwenen hunebed D33, de andere hunebedden van het Odoorn-Valthegebied, het Eppiesbargie en een oude route over de Hondsrug heeft het duizenden jaren lang een bijzonder ritueel landschap gevormd.
D34 werd gebouwd door de Trechterbekercultuur (ca. 3400-3000 v.Chr.). Het was oorspronkelijk een middelgroot portaalgraf van ongeveer 7,8 bij 3 meter, opgebouwd uit tien draagstenen, twee sluitstenen en vijf dekstenen. De grafkamer lag onder een zandheuvel, waarvan de omtrek nu nog altijd zichtbaar is als een lage ring rondom het monument.
Het hunebed lag niet op zichzelf. Op ongeveer 150 meter naar het westen lag het inmiddels verdwenen D33. Tegenover D34 bevindt zich het Eppiesbargie, de grootste grafheuvel van Drenthe. Het gebied lijkt eeuwenlang een centrum van begrafenis- en rituele activiteiten te zijn geweest. Eerst werden hier hunebedden gebouwd, later grafheuvels opgeworpen en uiteindelijk werd in de omgeving ook nog een urnenveld aangelegd.
Door steenroof en vernielingen raakte D34 al vroeg beschadigd. Toen R. Boelken het monument in 1818 beschreef, was het al niet meer compleet. In 1869 werd het verder vernield en verdween waarschijnlijk ook de inhoud van de grafkamer. Twee jaar later, in 1871, werd het hunebed door de provincie aangekocht van de markegenoten van Valthe. Het is goed mogelijk dat deze verkoop verband had met de recente beschadiging van het monument.
Albert Egges van Giffen fotografeerde hunebed D34 in 1918, en omschreef het als “sterk gestoord”. Twee dekstenen waren verdwenen, slechts één lag nog op de oorspronkelijke draagstenen en veel draagstenen waren diep weggezakt in het zand. Zijn foto’s en plattegronden zijn tegenwoordig belangrijke bronnen voor de reconstructie van het monument.
In 1952 kwam Van Giffen terug. Bij een nader archeologisch onderzoek, mede ook ter voorbereiding van de latere restauratie, bleek de grafkamer volledig leeg. Er werden geen grafgiften, werktuigen of aardewerk meer aangetroffen en zelfs de oorspronkelijke vloer was grotendeels verdwenen. Daardoor bleef lange tijd weinig bekend over het gebruik van D34.
Dat veranderde door opgravingen van de Rijksuniversiteit Groningen onder leiding van Daan Raemaekers in 2021 en 2022. Daarbij werd niet de grafkamer zelf onderzocht, maar juist het terrein eromheen. Archeologen vonden onder meer een concentratie vuurstenen werktuigen bij de ingang van het hunebed en grote hoeveelheden aardewerkfragmenten in de dekheuvel.
Deze vondsten wijzen erop dat D34 meer was dan alleen een graf. Rond het monument vonden waarschijnlijk rituele activiteiten plaats en ook de dekheuvel blijkt belangrijke archeologische informatie te bevatten. Het onderzoek ondersteunt het idee dat D34 onderdeel was van een veel groter ceremonieel landschap, samen met D33, met het Eppiesbargie en met de andere prehistorische monumenten op het Oosterveld.
De belangrijkste conclusie is dan ook dat D34 niet alleen een stenen grafkamer was, maar waarschijnlijk midden in een ritueel landschap lag dat gedurende vele eeuwen werd gebruikt. De meest waardevolle archeologische informatie is gevonden niet in de al leeggeroofde grafkamer, maar juist in de dekheuvel en het terrein daaromheen.




Voor meer informatie over D34 klik hier.
Het GIA (Groninger Instituut voor Archeologie) heeft in het najaar van 2024 veel oude foto’s van opgravingen digitaal ontsloten. Een ware schatkamer. De historische foto’s bij dit artikel zijn te vinden via https://dbc.rug.nl/digital/collection/GIA-fotos. Als u hier de zoektermen Valthe en hunebed intikt vindt u onder meer de getoonde foto’s.










