
Op de Hondsrug zijn zandstenen met levenssporen van Diplocraterion zeldzaam. Over grote delen van de heuvelrug, waar Oost‑Baltische keileem aan de oppervlakte ligt, kun je dit karakteristieke sporenfossiel lang zoeken zonder resultaat. Waar Diplocraterion wél als zwerfsteen opduikt, komt dat doordat op die plekken nog resten aanwezig zijn van de oorspronkelijke West‑Baltische keileembedekking. Deze leemlaag werd in Noord‑Nederland afgezet tijdens de eerste fase van de Saale‑ijstijd, toen het Scandinavische landijs vanuit het noordoosten het land binnendrong. In die afzetting zitten vooral zwerfstenen uit Zweden, Denemarken en de zuidelijke Oostzee; ook rapakivi’s, al komen die vrijwel overal voor.


De meeste vondsten van Diplocraterion op de Hondsrug zijn bekend uit het gebied tussen Drouwen en Exloo. Daar zijn zwerfstenen van West‑Baltische herkomst plaatselijk vermengd geraakt met Oost‑Baltisch materiaal, waardoor sporenfossielen uit het Cambrium af en toe aan het licht komen. Verder naar het westen, bijvoorbeeld op de zandrug van Zeijen, worden zandstenen met deze en andere levenssporen vaker gevonden. Vooral op het Hoge Veld tussen Norg en Donderen blijken deze zandsteenfossielen uit het Cambrium relatief talrijk.

Hoe herken je het levensspoor Diplocraterion?
Diplocraterion is een U‑vormige graafgang die ooit door een wadpierachtig dier in de zeebodem werd gegraven. In zwerfstenen herken je het aan twee smalle, verticale buizen die onderaan met elkaar zijn verbonden. Meestal hebben die gangen een doorsnede van vier tot vijf millimeter, al komen soms bredere exemplaren voor tot ongeveer acht millimeter. De afstand tussen beide buizen varieert van twee tot zo’n vierenhalve centimeter. Aan de bovenkant van de steen lopen de gangen uit in een klein, onregelmatig kuiltje in het oorspronkelijke sediment, maar dat is in zwerfstenen vaak slecht bewaard.

Tussen de twee buizen ligt een zone waarin de oude laagjes van het zeebodemsediment naar beneden zijn doorgebogen. Die vervormde structuur heet de ‘Spreite’, een bundel verstoorde laagjes die ontstond doordat het dier zich herhaaldelijk door het nog natte zand bewoog. Zo werd de oorspronkelijke gelaagdheid telkens opnieuw opzij geduwd en vervormd.
Kijk je van bovenaf op een zwerfsteen met Diplocraterion, dan zie je vaak een haltervormige figuur: twee ronde doorsneden van de graafgangen met daartussen de Spreite, soms iets verdiept door verwering. Niet elke steen toont meerdere gangen; soms is er maar één zichtbaar, soms een paar. Het hangt er maar net vanaf hoe het fossiel in de steen is aangesneden. Bovendien kon tijdens stormweer een deel van de oorspronkelijke gang wegspoelen, waarna het dier een nieuwe moest graven. Het sporenbeeld wordt dan rommeliger en minder goed te interpreteren. Precies dat is te zien in de zwerfsteen van het Drents Museum.


Zwerfstenen met Diplocraterion zijn afkomstig uit zandsteenafzettingen langs de zuidoostkust van Zweden en uit het oosten van Bornholm, inclusief de onderzeese voortzetting daarvan. Daarmee vormen ze kleine, versteende momentopnamen van een oeroude zeebodem die via het ijs zijn weg vond naar Noord‑Nederland.
Was Diplocraterion een wadpier?
Op het eerste gezicht lijken de U‑vormige graafgangen van Diplocraterion sterk op die van de moderne wadpier (Arenicola marina), de borstelworm die met tienduizenden tegelijk leeft in de zandige en slikkige bodem van de Waddenzee. Wanneer het wad droogvalt, zie je overal de kleine gaatjes en hoopjes zand die verraden waar deze onvermoeibare gravers bezig zijn. De wadpier heeft een lang wormachtig lichaam dat uit segmenten bestaat met stijve borstels op kleine uitsteeksels die doen denken aan pootjes. Door zijn lichaam uit te rekken en weer samen te trekken, schuift hij door zijn gang terwijl hij voedsel opneemt uit het slik, waarin organisch materiaal is vastgehouden.


Van het dier dat het graafspoor maakte, is niets bewaard gebleven. Toch vermoeden paleontologen dat het om een vergelijkbaar, wormachtig organisme ging. De sterke overeenkomst in graafgedrag wijst erop dat zulke dieren al honderden miljoenen jaren geleden een plek vonden in de zeebodem, net zoals de wadpier dat nu nog steeds doet. Het fossiel geeft zo een klein, maar helder inkijkje in een oeroude wereld.
Diplocraterion in Balka-zandsteen op Bornholm
Aan de zuidoostkust van Bornholm, vlak bij het vissersplaatsje Snogebæk, liggen grijswitte lagen Balkazandsteen direct aan het strand. Deze vlakliggende zandsteen uit het Vroeg‑Cambrium oogt op het eerste gezicht als een gewone strandvlakte, maar dat is schijn. Bij vloed en bij stevige oostenwind spoelt het water van de Oostzee deels over de rotsplaten heen, alsof het strand zelf even onderloopt.

Kijk je wat aandachtiger, dan wordt meteen duidelijk waarom deze plek zo bijzonder is. Over honderden vierkante meters liggen in de zandsteen talloze fossiele graafgangen van Diplocraterion, naar schatting honderdduizenden. Ze zitten dicht opeen en vormen samen een fijn patroon van kleine, ingesneden figuurtjes die in doorsnede iets weghebben van vogelpootjes. Zo ligt daar op Bornholm, pal aan zee, een oeroude wadbodem uit het Vroeg‑Cambrium – zo’n 530 miljoen jaar oud – open en bloot voor je ogen. Extra bijzonder is dat je even verderop een lang strand vindt met hagelwit zand, waar geen enkele aanwijzing te zien is van het leven dat hier ooit in de zeebodem rondgroef.










